Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 33

Chapter 334,288 wordsPublic domain

De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In vliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.

Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar 't had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.

En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had 't zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.

"Als ik ooit weer een mensch word," had de jongen gedacht, "zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was."

DE BOSCHBRAND.

Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar 't kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.

't Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker 't meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.

De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. 't Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo'n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.

De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men een roode vlam in den rook zien. 't Was wel een geweldige brand, die daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar kon toch ook geen groote boerderij in 't bosch verborgen liggen!

't Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo'n brand te doen ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa's op. Er was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.

Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? 't Was niet waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. 't Zou toch zeker 't beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.

't Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die 't dichtste bij hem lag. Daar stond op 't hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in 't morgenlicht gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó mooi was hij nog nooit geweest, maar 't was ook voor 't laatst, dat hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de vlakte, die vuur vatte, en 't was onbegrijpelijk hoe de brand hem had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.

Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de bergvlakte. 't Vuur in 't bosch was zeker allebei: vogel en slang. 't Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. 't Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.

De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog ook boven in den top van den den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.

Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.

Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.

Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.

Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. 't Zou zeker niet lang meer duren, voor 't vuur in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. 't Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. 't Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.

Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit, opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.

Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in 't water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. 't Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.

Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze 't niet uit konden houden. Maar 't werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.

De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.

Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.

Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van 't vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.

De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu 't bosch gered was, begon 't gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.

Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door 't bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar.

XXXIV.

IN LAPLAND.

Alleen al weer veilig op Gorgo's rug te zitten, na al den angst, dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.

"Nu komen we in Lapland," had Gorgo gezegd, en de jongen had zich voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van had gehoord.

Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar af. De groote eentonigheid had hem op 't laatst zóó slaperig gemaakt, dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.

Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon zitten, en dat hij een poos slapen moest.

Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in 't mos neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen, en was weer met hem de lucht ingevlogen.

"Slaap jij maar, Duimelot," riep hij. "De zonneschijn houdt me wakker, en ik wil de reis voortzetten."

En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen kwamen vol uitgegroeide booneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.

Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.

De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en goedheid glansde.

"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!"

"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen," zei de jongen in zichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde dadelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener."

De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes en de patrijzen.

Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.

Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.

"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen.

"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.

Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik er bij ben!"

De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.

De jongen keerde zich naar de achterblijvers.

"Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den steek?" vroeg hij.

"We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in Lapmarken woont," antwoordden ze.

Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.

Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. 't Waren allerlei stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.

"Waarom hebben ze zoo'n haast?" vroeg hij.

"Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen woont," antwoordde een sneeuwhoen.

Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.

"Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!" riep de zon, en rolde de steile wanden van de bergen op.

Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.

De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven, die opstonden, en den bek opensperden, toen de zon zich vertoonde. En uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.

"Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn," dacht de jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.

De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer zoo erg. Maar op eens riep de zon: "Nu is mijn tijd uit!" en rolde achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, en begonnen achter de zon aan te vliegen.

"Jaag ze weg! Drijf ze voort," riep de toovenaar. "Jaag ze zoover weg, dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!"

Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe zou hij er achterkomen, waar hij was?

Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.

"Dat is zeker zoo'n arendsnest, als Gorgo..."

Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van 't hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: "Hoera!" Hij begreep, waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en alle reisgenooten weerzien.

DE AANKOMST.

De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. 't Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakker waren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. 't Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar 't was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.

De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, 't waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.

Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.

Hij had zoo'n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.

In 't volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.

Toen hij bij 't volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.

Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.

Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.

"Goeden morgen, Moeder Akka!" zei de jongen. "Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken."

De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.

Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden.

"Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans," zei de jongen. "En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: "Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug." En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?"

"Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan," zei de leidstergans.

"Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is," zei de jongen. "Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo'n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien 't beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?"