Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 32

Chapter 324,384 wordsPublic domain

"Honderden jaren geleden," begon hij, "gebeurde het, dat een proost hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in een dorp in 't bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.

Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te zijn. 't Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.

Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld was. 't Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in den grauwen nacht in 't wilde bosch, met de teugels los neerhangende, en zijn gedachten ver weg.

De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het bosch nog even dicht om hem heen stond als aan 't begin van de reis, was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan 't bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.

't Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote hoeven en dorpen lagen in 't noorden van de gemeente om de Dellen heen, en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, dat hij nog in 't zuiden van de gemeente was, en dat hij naar 't noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar 't zuiden, en niet naar het noorden reed. 't Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk te keeren, maar hij bedacht zich. 't Paard was vroeger nooit verdwaald, en dat was het ook nu zeker niet. 't Was waarschijnlijker, dat hij zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.

Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.

Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, waar nog geen vastgetrapt pad was. 't Paard liep toch door, en toonde geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.

Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, en liep opnieuw regelrecht het bosch in.

De proost was er zoo zeker van, als 't maar kon, dat het paard verkeerd liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.

't Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.

"Als hij maar thuiskomt voor kerktijd," dacht de proost.

"Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam."

Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel gauw op een plaats, die hij herkende. 't Was een klein boschmeertje, waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, en 't paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de pastorie te brengen, als 't maar mogelijk was.

De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot hij te voet te gaan, en 't paard te leiden, tot ze weêr op bekende wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.

Dat was geen kleinigheid, door 't bosch te loopen met een zwaren pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor inspanning.

't Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.

Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.

"We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan," zei hij.

Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.

Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.

"Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde," scheen het te zeggen. "Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?"

De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. 't Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.

"Ga je gang maar," zei hij. "Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost in Delsbo kunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was."

Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. 't Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en 't ging bijna den heelen tijd naar boven. 't Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo'n terrein te laten loopen.

"Je bent toch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te gaan," zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.

Onder 't rijden begon de proost te merken, dat hij en 't paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dieren zich een weg baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met de wilde dieren zou brengen.

Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner het bosch werd.

Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was met sombere bosschen. 't Was zóó donker, dat hij moeite had het te onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.

"Ja ja! 't Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben," dacht hij. "Dit kan geen andere berg zijn. Daar in 't westen zie ik den heuvel van 't Järomeer, en in 't oosten glanst de zee om 't Ag-eiland heen. In 't noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat is toch een avontuur!"

Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, zoodat hij vrij kon uitzien.

De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort Ting te houden.

't Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over de geheele plaats, heel tot den zoom van 't bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.

Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in 't bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in 't haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.

Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als 't ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.

"Dit is immers volkomen onmogelijk!" dacht hij. "Ik heb zeker te lang in 't donkere bosch gereden. 't Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden."

Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.

Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij 't gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren door een woest veld baan braken.

't Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna 't jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en 't laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.

't Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. 't Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.

De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree, die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de wilde dieren voorbij.

Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.

Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in 't vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in klagen uit.

Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme dieren aanwijst, die in 't volgend jaar een prooi van de roofdieren zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.

Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar de boschree, die daar streng en ernstig stond, en 't eene dier na het andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar geiten. 't Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.

De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun huisdieren houden.

"Ze moesten 't maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo gebeuren," dacht hij. "Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten veroordeelen door de boschree."

De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. 't Begon over alle leden te beven, en baadde in 't zweet.

"O zoo, nu is 't jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en geoordeeld te worden," zei de proost tegen 't paard. "Maar wees jij maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, en ik zal je niet in den steek laten."

De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschree dragen.

Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.

In 't begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.

Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.

De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die 's winters gewoonlijk op 't woeste veld rust.

Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over 't veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.

Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of 't een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was."

Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden 't bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.

Maar Klement begon onvervaard te vertellen. "Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis," zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat het niet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en 't mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.

Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: "Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen," zei ze. "Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik."

Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.

"Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten," zei Klement. "Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet."

Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. 't Was onmogelijk te begrijpen, waar die vandaan kwam.

"O wee! Klement!" zeide de veehoedster, "'t lijkt wel, of 't kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten."

XXXIII.

EEN MORGEN IN ANGERMANLAND.

HET BROOD.

Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.

Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.

"Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd," dacht hij. "'t Is zeker, omdat ik het op zoo'n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd."

Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in 't oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.

Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo'n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.

Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.

"Waarom heb je dat niet eerder gezegd?" had hij gevraagd. "Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt."

Dadelijk daarop had de arend een boer in 't oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst had hangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.

Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. 't Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.

"Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!" riepen ze.

En ze hadden zoo'n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.

't Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo's. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.

En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op 't veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.

Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.

De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.

Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.

"Wat deed die vreemd," had ze gezegd. "Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben."

't Was zoo'n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en 't boven haar hoofd gehouden.

"Kom 't maar halen, als je 't hebben wilt," riep ze.