Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 31

Chapter 314,214 wordsPublic domain

De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.

Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.

De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat 't hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.

"Was ik maar niet door mijn belofte gebonden," dacht hij, "dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou."

't Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.

"Een van 't kleine volkje woont hier op de Schans," had hij gezegd, "en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?"

De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar den trein.

De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om een schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.

Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen--ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.

"Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn," dacht de jongen. "Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo'n mooien morgen. 't Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooid met groen gras en mooie bloemen."

Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.

"Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren," zei Gorgo. "Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen."

"Neen, dat is onmogelijk!" zei de jongen. "Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan."

"Wat vertel je toch voor onzin," zei Gorgo. "Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo'n belofte niet hoeft na te komen."

"Ja, dat moet ik toch," zei de jongen. "Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen."

"Zoo, kan ik dat niet?" zei Gorgo. "Dat zul je eens zien." En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden.

XXXI.

OVER GÄSTRIKLAND.

DE KOSTBARE GORDEL.

De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in 't bosch, en liet den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.

Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.

"Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?" vroeg hij.

"Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je hebt niets over mij te zeggen," zei de jongen, en probeerde weg te komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.

De jongen zag dadelijk, dat 't hier niet mogelijk was, den arend te ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, en om hem heen bruiste wild 't water van den stroom. Hij was er verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder had gehad.

"En nu begrijp je misschien, Duimelot," zei hij eindelijk, "waarom ik je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van plan je te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden."

Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. "Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt," zei hij, "maar ik ben door mijn belofte gebonden."

En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem zijn vrijheid te geven.

Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. "Luister nu, Duimelot!" zei hij. "Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft."

Dat vond de jongen een goed voorstel.

"Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo'n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad," zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.

"We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, van den grooten berg tot Hornsland," zei de arend. "En morgen zal je met den man kunnen spreken."

"Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden," zei de jongen.

"Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon," antwoordde Gorgo.

Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.

Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op 't veld was neergesprongen, zei de arend: "Hier is wild in 't bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent toch niet bang, als ik je alleen laat?"

"O neen," zei de jongen.

"Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben," zei de arend, en vloog weg.

De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschen werd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde.

DE DAG VAN 'T BOSCH.

Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan 't frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op.

De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.

Maar op een dag in 't begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok.

De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die 't dichtst bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch binnendrongen.

Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.

Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, lagen daar zonder wormen, zonder boschsterren, zonder witbloeiend wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van 't bosch bekleedt.

Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten stumper weer aan een beetje leven helpen.

Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.

Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.

Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en 't water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.

"Ja, 't was maar goed, dat we kwamen," zeiden de kinderen. "'t Was hoog tijd!"

En ze voelden zich verbazend gewichtig.

Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. 't Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar 't zou toch wel aardig wezen te zien, hoe 't ging.

En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar 't bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.

"Gaan jelui naar de brandplaats?"

"Ja."

"Om naar de kinderen te kijken?"

"Ja, om te zien hoe ze zich redden."

"Dat wordt toch maar een spelletje."

"Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen."

"We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen."

Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.

Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo'n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.

En nu ging 't zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan 't werk gingen meêdoen. Toen werd het natuurlijk veel prettiger, dan 't eerst was geweest. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.

Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: "Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?"

"O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan 't boomen planten!"

Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in 't voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender.

't Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. 't Was niet alleen te doen om 't gewas van een zomer, maar om den groei van vele jaren. 't Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en 't spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste bergvlakte. En dan ook 't was als een gedenkteeken, dat men voor 't komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een prachtig bosch krijgen.

En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.

XXXII.

EEN DAG IN HÄLSINGLAND.

EEN GROOT GROEN BLAD.

Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de akkers. 't Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.

"Dit land lijkt wel een blad," dacht de jongen. "Want het is zoo groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, als de nerven over een blad."

't Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.

Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.

Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. 't Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om te zorgen, dat die niet omviel, want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.

De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in 't bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken takken heen, en hoe 't dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.

Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in 't bosch, waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van 't groene, sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om een platten steen buiten, en begonnen te eten.

Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar 't eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij hem vond.

Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters melkten de koeien.

"Zie daar eens heen," zei Gorgo. "Nu geloof ik, dat we hem hebben."

Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson brandhout te hakken op de zomerweide.

Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.

"Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb," zei hij, en boog fier den kop achteruit. "Nu moet je probeeren met den man te spreken. Ik zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten."

DE NIEUWJAARSNACHT VAN DE DIEREN.

't Werk op de zomerwei was afgeloopen en 't avondeten gebruikt, maar de menschen zaten nog te praten. 't Was lang geleden, dat ze op een zomernacht in het bosch waren geweest, en 't scheen, dat ze er niet toe konden komen te gaan slapen. 't Was helder dag, en de veehoedsters waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze 't hoofd op, zagen 't bosch in, en lachten in zichzelf.

"Ja, nu zijn we hier weer," zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar gedachten, en 't bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, dat ze hier toch haar besten tijd hadden.

Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op voor bekenden in 't dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.

Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:

"We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier naast me, en de andere Bernhard van 't Sunnanmeer, die naar den Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons 't meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien."

Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, scheen het hem 't verstandigste om iets dergelijks te kiezen.