Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 30

Chapter 304,353 wordsPublic domain

"Maar Asbjörn," zei Klement. "Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?"

"Ik weet niet, wat hij is," zei Asbjörn kalm. "Dat moeten anderen maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem zou willen geven."

Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst geraakt ter wille van dat dwergje. 't Was hem precies, alsof zijn moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor 't kleine volkje wezen moest.

"Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn," zei hij. "Maar als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven."

Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem had, en zoo'n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod van Klement aan.

De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in den mond.

"Luister nu naar wat ik zeg," zei Klement. "Ik weet wel, dat volkje als jij 't niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat, knik dan drie keer met je hoofd."

Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde zich niet.

"Je zult het goed hebben," zei Klement. "Ik zal elken dag eten voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan."

Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar hij bewoog zich niet.

"Ja, dan zit er niets anders op," zei Klement, "dan dat ik je aan mijn baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken."

Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.

"Zie zoo, nu is 't in orde," zei Klement, nam zijn mes, en sneed het touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging hij haastig naar de deur.

De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om Klement Larsson te danken, was die al weg.

Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, want hij bleef staan, en sprak hem aan.

"Goeden dag Klement," zei hij. "Hoe gaat het? Je bent toch niet ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben."

Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met zijn verlangen naar huis.

"Wat?" zei de oude heer. "Verlang je naar huis, als je in Stockholm ben? Dat is toch niet mogelijk."

En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.

"Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist, zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê, naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen."

Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.

Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar nu de stad op eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed in 't water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar kwam, er graag wilde blijven.

Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met de hand, en de andere bleef op een afstand staan.

De deftige oude heer zei nu tegen Klement:

"Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de bekoring komen."

Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, rood boek en een brief aan Klement.

Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij moest absoluut naar huis, zei hij.

"Waarom? Kun je hier niet wennen?" zei de directeur.

"Ja, ik heb het hier best," zei Klement. "Ik heb nu geen heimwee meer. Maar ik moet toch naar huis!"

Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn heimwee te genezen.

't Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het thuis te vertellen?

Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij zou heel anders geacht en geëerd worden.

En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.

XXX.

GORGO, DE AREND.

IN HET ROTSDAL.

Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, dat uitstak uit een steilen bergwand. 't Was van dennetakken gemaakt, die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter breed en bijna even hoog als een Lappenhut.

De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot dal, dat 's zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. 't Lag zoo tusschen de bergen verborgen, dat er niet velen waren, die 't kenden, niet eens onder de Laplanders. Midden in 't dal lag een klein rond meertje, waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar begeeren kon.

Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.

Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een afstand.

Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in 't dal had doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, om te zien of ze in 't dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.

De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over 't broeden en over 't verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.

Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.

"Ik word zeker oud en suf," dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. "De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn."

Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen 's avonds in 't oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.

Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.

"Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?" dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.

Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In 't heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.

Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. 't Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In 't nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.

Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand van het nest zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want ze verwachtte ieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.

"Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt," riep het arendsjong. "Breng me dadelijk eten!"

"Nu, nu, maak niet zoo'n haast," zei Akka. "Vertel me eerst, waar je vader en moeder zijn."

"Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. 't Is schande, dat moeder me zoo'n honger laat lijden."

Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood lieten hongeren, misschien voor goed 't heele roovervolk kwijt zou zijn. Maar toch ging het haar aan 't hart een verlaten jong niet te helpen, zoo goed 't haar mogelijk was.

"Waar zit je zoo naar te turen?" zei de jonge arend. "Hoor je niet, dat ik eten wil hebben?"

Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden in 't dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in 't arendsnest, met een jonge zalm in den bek.

De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.

"Meen je, dat ik zooiets eten kan!" zei hij, schoof den visch op zij, en probeerde Akka te pikken. "Breng me een hoen of een muis, hoor je!"

Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken pik in den nek.

"Ik zal je eens wat zeggen," zei de oude gans. "Als ik je eten zal geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, dan zal ik je dat niet beletten."

Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk op, hoewel 't aan hem te zien was, dat hij 't allerakeligst vond.

Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde hem een goede opvoeding te geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.

Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.

"Gorgo," zei Akka op een dag tegen hem. "Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in 't dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in 't dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten."

Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.

Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in 't meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.

"Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?" vroeg hij.

"Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag," zei Akka. "Maar wees daar maar niet bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden."

Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op, dat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.

"Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?" vroeg hij. "Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen."

"Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde," zei Akka. "Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden."

Toen de arend goed kon vliegen, leerde hij zichzelf visschen en kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.

"Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?" zei hij. "Dat doen de andere jonge ganzen niet."

"Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je boven op de rotsen woonde," zei Akka. "Maar wees er maar niet bedroefd om, je zult toch wel een flinke vogel worden."

Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk zóóveel rappe tongen te binden.

"Waarom noemen ze mij toch een arend?" vroeg Gorgo onophoudelijk, en werd meer en meer geprikkeld. "Zien ze dan niet, dat ik een wilde gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe durven ze mij zoo'n leelijken naam geven?"

Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den mesthoop liepen te pikken.

"Een arend, een arend!" riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op 't veld, en sloeg zijn klauwen in een van de kippen.

"Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!" riep hij boos en pikte naar haar met den snavel.

Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, en begon hem te tuchtigen.

"Wat doe je daar," riep ze, en pikte naar hem. "Was je misschien van plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?"

Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.

Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde ganzen.

"Nu weet ik wie ik ben," zei hij tegen Akka. "Omdat ik een arend ben, moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik nooit aanvallen."

Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.

"Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een vogelverslinder?" vroeg ze. "Leef, zooals ik het je heb geleerd. En dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan."

Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.

Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjes speelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat hij nooit een wilde gans had aangedurfd.

IN GEVANGENSCHAP.

Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.

De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht voor zich uit zonder iets te zien, en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.

Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.

"Wie roept me daar?" vroeg hij.

"Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog."

"Is Akka ook gevangen?" vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.

"Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op het oogenblik," zei de jongen. "Ik alleen zit hier gevangen."

Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.

"Koningsarend!" riep de jongen. "Ik ben nog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!"

Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.

"Stoor me niet, Duimelot!" zei hij. "Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen."

"Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt," vermaande de jongen. "Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden."

"Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen," zei de arend.

Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.

"Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?" vroeg hij.

"'t Is Duimelot, Gorgo," antwoordde de jongen. "Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen."

De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.

"Ik ben een groote vogel, Duimelot," zei hij. "Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. 't Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat."

"Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij," antwoordde de jongen. "Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben."

Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.

Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.

"Probeer het nu, Gorgo," zei hij.