Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Chapter 3
't Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte, héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het werk van den ouderdom.
Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden helderder, en schenen jonger dan die van de anderen.
Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: "Weet nu wel, dat ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts 't dichtst achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt, Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko, en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes jonge ganzen, die achteraan vliegen--drie links en drie rechts--zijn hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet, dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van welke familie hij is."
Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven, toen het hem betrof.
"Ik wil niet geheim houden, wie ik ben," zei hij. "Ik heet Niels Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben ik een mensch geweest, maar vanmorgen..."
Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was, stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem.
"Daar heb ik je al van verdacht, van af 't oogenblik, dat ik je voor 't eerst hier aan den oever zag," zei Akka. "En nu moet je gauw maken, dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons."
"'t Is toch onmogelijk," zei de ganzerik bemiddelend, "dat jelui, wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op onze verantwoording nemen, zoo'n stakker aan zichzelf over te laten, met wezels en vossen in den nacht."
De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk, dat ze moeite had haar angst te bedwingen.
"Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat "mensch" heet, onverschillig of ze groot of klein zijn," zei ze. "Maar als jij, ganzerik, voor deze hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte ijs daar vóór je te gaan slapen."
Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten, als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets van aan.
"Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo'n veilige slaapplaats weet te kiezen," zei hij.
"Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis."
"Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te laten," zei de ganzerik.
"Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt," zei de leidster-gans.
En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde gans na de andere volgde haar.
De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. "'t Wordt al erger en erger, ganzerik," zei hij. "Ten eerste vriezen we dood, daar op dat ijs."
Maar de ganzerik had goeden moed. "Dat heeft geen nood," zei hij. "Ik wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij elkaar te halen, als je maar dragen kunt."
Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels.
"Leg nu 't gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen," zei de ganzerik.
De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. "Ik denk, dat je daar lekker warm liggen zult," zei hij en drukte den vleugel aan.
De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik sliep hij.
DE NACHT.
't Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in 't Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al 's avonds gezien, maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging nu dadelijk op het ijs.
Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit, zoodat zijn klauwen over 't ijs schraapten. De ganzen werden wakker, en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte een gans bij de vlerk, en holde naar land terug.
Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op 't ijs; ze hadden een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op 't ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over 't ijs had zien wegspringen met een gans in den bek.
De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: "Pas op, Duimelot, pas toch op!"
Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo'n hondje toch niet bang hoefde te wezen, en hij stormde voort.
De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper van de klompen van den jongen over 't ijs, en ze kon haar ooren nauwelijks gelooven.
"Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen," dacht ze. En hoe ellendig ze 't ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk gekakel, bijna alsof ze lachte.
"'t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in het ijs valt," dacht ze.
Maar hoe donker de nacht ook was--de jongen zag duidelijk alle spleten en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en in 't donker zien kon. Hij zag 't land en het meer even duidelijk, alsof het dag was geweest.
Smirre, de vos, ging van 't ijs af, daar, waar het tegen 't land aan lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen hem toe: "Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!" Smirre wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te kijken, maar liep nog harder.
Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel.
Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen.
"Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele gans te stelen?" zei hij. "Leg haar nu dadelijk neer, of je zult eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer, of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!"
Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien, die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de gans had laten vallen van 't lachen. Smirre was een echte roover, die niet tevreden was met op ratten en waterratten buiten op 't veld te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was.
Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te pakken kreeg.
"Nu pak ik je toch de gans af!" riep hij, en hield hem met alle macht tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem heen opstoof.
Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken, dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen.
"Ga 't nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood," zei hij.
Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche stem hij opzette--dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken, en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken, en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in 't bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak, en vloog weer terug naar het meer.
Maar Smirre vloog op den jongen af. "Als ik de eene niet krijg, dan wil ik den ander hebben," zei hij, en aan zijn stem kon je hooren, hoe woedend hij was.
"Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt," zei de jongen, die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen.
Dat werd een dans in 't bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon.
De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn werk, dat hij in 't begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden, maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij een jongen beuk in 't oog, die omhoog geschoten was als een stok, om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken, dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien.
"Schei nu maar uit met dansen," zei de jongen. Maar Smirre kon de schande niet verdragen, dat hij zoo'n klein ventje niet aankon. En hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen, en hij durfde niet naar beneden op 't veld te springen.
Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo'n vreeselijken slaap, maar hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen.
't Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar 's nachts in 't bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk beteekende, dat het nacht was. 't Was, alsof de heele wereld versteend was en nooit meer levend zou worden.
Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper voelde, dan in den nacht.
Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was.
De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden, omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak, de rijp, die 't beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en werd rood.
Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten, en begon de noot te pellen. De spreeuw kwam met een wortelvezeltje, en de bergvink zong in de boomtoppen.
Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd had: "Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef je nergens bang voor te wezen." Van het meer hoorde hij de wilde ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken.
De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed.
"Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er ben, Niels Holgersson," zei de zon.
'T GANZENSPEL.
Alles bleef, zooals het was in 't bosch, ongeveer zoo lang als een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag, liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis, en de gans vloog verder, naar het meer toe.
Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo'n hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort.
Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans redde zich.
Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang, dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar ongedeerd voorbij te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven.
Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij in 't gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere, en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet één van hen te vangen.
Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond hij de verzoeking.
Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. 't Was een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef, zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer, maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond.
Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was, en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere.
Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was.
Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven in den jongen beuk. Zooals te verwachten was--de jongen was weg--verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken, want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht.
Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre, den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog, zonder dat hij in staat was één van hen te pakken.
Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen, kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet geworden waren op de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch, zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen enkele zijn honger stillen.
De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag.
Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst, dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde ganzen te grijpen.
In den morgen, toen 't spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest, dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag kwam, hing Smirre's pels in pruiken neer, hij baadde in 't zweet, zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek, en er liep schuim uit zijn mond.
Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan 't ijlen ging. Hij zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder, die te vroeg uit zijn pop gekomen was.
De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door, hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar hun schaduwen sprong.
Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen krachteloos en mat, bijna op 't punt den laatsten adem uit te blazen, hielden ze op hem te foppen.
"Nu weet je, vos, hoe 't hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise aan te raken," riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust.
III.
'T LEVEN VAN DE WILDE VOGELS.
OP DE BOERDERIJ.
Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren.
't Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een wiel van ijzerdraad. 't Kleine huisje, dat een deur en vensters had, moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en klauteren en ronddraaien.
De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond.
"Hij is zeker bang," zeiden de menschen op de boerderij. "Morgen, als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen."
Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd, waren ze allen aan 't bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze moesten werken, lang nadat het donker geworden was.
Natuurlijk waren ze druk aan 't werk in de keuken, en er was zeker niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet, en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. 't Was een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar 't licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht van zijn kamer in het wiel sprong en van 't wiel in zijn kamer, zonder een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was, maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef.
Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede, overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En toen het wat later in den nacht was geworden, zag 't oude moedertje, dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. 't Oude moedertje begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als hij zich vertoonde.