Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 29

Chapter 294,300 wordsPublic domain

De kamer was heel klein. De tafel stond niet ver van zijn bed, en hij kon die duidelijk zien, met al de boeken en papieren, den inktkoker en de photografieën, die er op stonden. Zijn spiritustoestel en 't theeblaadje had hij daar laten staan, en die zag hij ook. Maar het wonderlijkste was, dat hij even duidelijk als dat alles, een dwergje zag, die bij het botervlootje stond, en bezig was zich een boterham te maken.

De student had zooveel beleefd den vorigen dag, dat het hem bijna onverschillig was, wat hem nu verder overkwam. Hij was niet bang of verbaasd, maar vond, dat het heel natuurlijk was, dat de dwerg was binnengekomen om een hapje te eten.

Hij ging weer liggen, zonder de lamp uit te doen, en bekeek het dwergje met halfgesloten oogen. Die was nu gaan zitten op een presse-papier, en zat daar zich heel genoegelijk te goed te doen aan de overblijfselen van het avondeten van den student. 't Was te zien, dat hij zich in het minst niet haastte. Hij zat met de oogen te knippen, en smakte met de tong. De oude broodkorstjes en de droge stukjes kaas waren zeker zeldzame lekkernijen voor hem.

De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten.

"Hallo, jij daar!" zei hij. "Wat ben je voor een ventje?"

Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde, bleef hij staan.

"Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög," zei hij, "en ik ben een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu reis ik rond met de wilde ganzen."

"Dat is een zonderling verhaal," zei de student, en begon den jongen te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had beleefd, sinds hij van huis ging.

"Jij hebt het maar goed," zei de student. "Menigeen zou wel in jouw schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen."

Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep, dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen, als de student de rechte woorden zou zeggen.

"Och, je zou niet met mij willen ruilen," zei hij. "Wie eenmaal student is, kan toch nooit iets anders willen wezen."

"Dat dacht ik vanmorgen ook, toen ik wakker werd," zei de student. "Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is overkomen. Met mij is 't nu uit! 't Was wezenlijk het beste voor me, als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen."

De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student de juiste woorden zou zeggen.

"Ik heb je nu verteld, hoe 't mij ging," zei hij tegen den student. "Vertel me nu ook, hoe jij het hebt."

En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde eerlijk wat hem was gebeurd.

"Dat alles zou nu wel weer overgaan," zei hij eindelijk. "Maar waar ik niet tegen kan--dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb gemaakt. 't Was veel beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond, en met de wilde ganzen mocht rondvliegen."

Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend, recht voor zich uit te kijken.

"Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren," zei hij zacht tegen den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op, en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het een echte vreugdestad was.

"Wat bezielt je toch?" vroeg de raaf. "Nu heb je de gelegenheid laten voorbijgaan om een mensch te worden."

"Met dien student wil ik niet ruilen," zei de jongen. "Dan kreeg ik immers maar verdriet over die weggewaaide papieren."

"Daar hoef je geen zorg over te hebben," zei Bataki. "Die kan ik je terug bezorgen."

"Ik geloof wel, dat je dat kunt," zei de jongen, "maar ik ben er nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van overtuigd zijn."

Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt, en bracht den jongen het eene blad na het andere.

"Zie zoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt," zei hij eindelijk, en ging hijgend op de vensterbank zitten.

"Ik dank je hartelijk," zei de jongen. "Nu zal ik naar binnen gaan en met den student spreken."

Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen rangschikte en glad streek.

"Jij ben toch de grootste stoffel, dien ik ooit gezien heb," stoof Bataki op tegen den jongen. "Heb je nu dat handschrift aan den student gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij."

De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij in zijn kamertje ronddanste in zijn hemd. En toen keek hij naar Bataki.

"Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen," zei hij. "Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En dat wou ik niet doen."

Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug.

XXVIII.

DONSJE.

Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans, Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon zelfs Akka niet weigeren.

Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en wijze vogels, maar ze hadden niet zoo'n zacht en glanzend veerenkleed als Donsje, en ook niet zoo'n lief en zacht karakter. Al sinds den tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond, dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de zusters haar altijd gehaat.

Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje's familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in het oog.

"Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige, wilde ganzen op het eiland neer, zei Mooivleugel. "Ik heb zelden vogels gezien met zoo'n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem bijna voor een zwaan houden."

Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep: "Zuster Mooivleugel, zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?"

Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan, en niets kon dan sissen.

"'t Is toch niet mogelijk, dat zij het is," zei ze eindelijk. "Hoe is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou doodhongeren op Öland."

"Het ergste is, dat ze bij Vader en Moeder zal gaan babbelen en vertellen, dat wij zoo hard tegen haar aanvlogen, dat haar vleugel uit het lid ging," zei Goudoogje. "Je zult zien, dat wij van de rotsen hier worden weggejaagd."

"We hebben niets dan ergernis te verwachten, nu dat mismaakte wicht terug gekomen is," zei Mooivleugel. "Maar ik denk toch, dat het om te beginnen 't verstandigst is, dat we ons zoo blij toonen over haar thuiskomst, als 't ons maar mogelijk is. Ze is zoo dom, dat ze misschien niet eens gemerkt heeft, dat we haar met opzet duwden."

Terwijl Mooivleugel en Goudoogje zoo samen praatten, hadden de wilde ganzen op het strand gestaan, en hun veeren in orde gemaakt na den tocht. Nu trokken ze in een lange rij van het rotsige strand naar de kloof, waar Donsje wist, dat haar ouders zich gewoonlijk ophielden.

Donsje's ouders hoorden tot de besten en aanzienlijksten onder de ganzen. Zij hadden langer op het eiland gewoond dan een van de anderen, en ze waren gewoon alle nieuwelingen te raden en te helpen. Ze hadden ook de wilde ganzen zien aankomen, maar ze hadden Donsje niet herkend in de menigte.

"Hoe vreemd, dat de wilde ganzen hier op de klippen landen," had de oude ganzerik gezegd. "Wat een prachtige troep! Dat kun je al aan het vliegen zien. Maar 't zal niet gemakkelijk zijn weiden voor zoo velen te vinden."

"'t Is hier nog niet zoo overvol, dat we hen, die hier komen, niet kunnen ontvangen," antwoordde zijn vrouw. Zij was even zacht en goed van karakter als Donsje.

Toen Akka aankwam met haar optocht, gingen Donsje's ouders haar te gemoet, en wilden haar juist welkom heeten op het eiland, toen Donsje opvloog van haar plaats achter in de rij, en midden tusschen haar ouders neerstreek.

"Vader, Moeder, hier ben ik! Kent u Donsje niet meer?" riep zij.

Eerst konden de ouden niet goed begrijpen, wat zij zagen, maar toen herkenden zij hun dochter, en waren natuurlijk verbazend blij.

Terwijl nu de wilde ganzen en Maarten, de ganzerik, en Donsje zelf zoo ijverig mogelijk kakelden om te vertellen, hoe Donsje gered was, kwamen Mooivleugel en Goudoogje aanvliegen. Zij riepen al van verre haar zuster welkom toe, en toonden zich zoo blij, dat Donsje thuis was, dat ze er van aangedaan werd.

De wilde ganzen voelden zich goed thuis op de klippen, en er werd besloten, dat ze niet verder zouden trekken voor den volgenden morgen. Na een poosje vroegen de zusters Donsje, of ze met haar meê wilden gaan, om te zien, waar ze van plan waren haar nesten te bouwen. Zij ging dadelijk meê, en zag, dat ze goed verborgen en beschutte broeiplaatsen hadden gekozen.

"En waar zul jij je nu vestigen, Donsje?" vroegen zij.

"Ik?" zei Donsje. "Ik ben niet van plan hier op de klippen te blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland."

"Hoe jammer, dat je weer weg moet," zeiden de zusters.

"Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven," zei Donsje. "Maar ik heb den witten ganzerik al beloofd..."

"Wat!" riep Mooivleugel. "Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat is toch..."

Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg.

De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo'n verloofde had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik, hadden gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar hen wilden kijken.

"Daar treur ik me nog dood om," zei Goudoogje. "Als jij het ten minste nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel."

"Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft," zei Mooivleugel.

De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien Goudoogje zou trouwen.

"Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt," zei ze. "Maar daarentegen weet je ook zeker, wie hij is."

"Wat meen je, Goudoogje?" vroeg Donsje.

Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten, of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden wel eens willen weten, of hij niet betooverd is."

"Jelui zijn toch al heel dom," zei Donsje geërgerd. "Hij is immers een tamme gans."

"Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is," zei Goudoogje, "en dus kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang, dat hij een zwarte zeeraaf is?"

Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang.

"Je meent niet, wat je zegt," zei het grauwe gansje. "Je wilt me alleen maar bang maken."

"Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje," zei Goudoogje. "Ik kan me niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitgetrokken. Als hij betooverd is, dan blijkt dat gauw. Is hij het niet, dan blijft hij zooals hij is."

De jongen zat tusschen de ganzen, en luisterde naar Akka, die met den ouden ganzenhoeder praatte, toen Donsje aan kwam vliegen.

"Duimelot, Duimelot!" riep ze. "Maarten, de ganzerik, is op 't punt te sterven. Ik heb hem vermoord."

"Neem me op je rug, Donsje, en breng me bij hem," riep de jongen.

Ze vlogen weg, en Akka ging meê met de wilde ganzen.

Toen ze bij den ganzerik kwamen, lag hij op het veld. Hij kon niets zeggen, maar snakte naar adem.

"Kittel hem onder aan den hals, en klop hem op den rug!" zei Akka.

Dat deed de jongen, en dadelijk hoestte de witte ganzerik een grooten wortel op, die in zijn keel was blijven zitten.

"Heb je daarvan gegeten?" vroeg Akka, en wees op een paar wortels, die op den grond lagen.

"Ja," zei de ganzerik.

"Dan is 't maar goed, dat ze je in de keel zijn blijven steken," zei Akka. "Ze zijn vergiftig. Als je ze had ingeslikt, zou je zeker gestorven zijn."

"Donsje vroeg me, of ik er van eten wou," zei de ganzerik.

"Ik heb ze van mijn zuster gekregen," zei Donsje.

"Dan moet je oppassen voor je zusters, Donsje," zei Akka, "want ze meenen het zeker niet goed met je."

Maar Donsje was zoo geschapen, dat ze van niemand iets kwaads denken kon, en toen Mooivleugel haar een poos later kwam vragen, of ze haar verloofde wilde zien, ging ze dadelijk meê.

"Ja, hij is niet zoo mooi als de jouwe," zei de zuster. "Maar hij is des te dapperder en onversaagd."

"Hoe kun je dat weten?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zal ik je zeggen. De meeuwen en eenden hebben hier op de klippen een tijd lang zooveel geleden, want elken morgen voor zonsopgang komt hier een vreemde roofvogel, en neemt een van hen weg."

"Wat is dat voor een vogel?" vroeg Donsje.

"Dat weten we niet," antwoordde haar zuster. "Er is nooit zoo'n vogel hier op de klippen gezien. En het vreemde is, dat hij nooit een van ons ganzen aanvalt. Maar nu heeft mijn verloofde zich voorgenomen morgen met hem te vechten, en hem weg te jagen."

"Als dat maar goed gaat," zei Donsje.

"Neen, dat geloof ik niet," zei de zuster. "Als nu mijn ganzerik maar even sterk en groot was als de jouwe, dan zou ik wel een beetje hoop hebben."

"Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan te vallen?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zou ik zeker!" zei Mooivleugel. "Je kunt mij geen grooter dienst bewijzen."

Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam, en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn vleugels waren reusachtig groot, en 't was gemakkelijk te zien, dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel, die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken.

De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier.

Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik, op hem toe.

"Laat hem los!" riep hij. "En kom hier nooit meer terug! Anders krijg je met mij te doen."

"Wat ben jij voor een dwaas?" zei de arend. "Je treft het, dat ik nooit met ganzen vecht. Anders zou 't gauw met je gedaan zijn."

Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht.

De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: "Duimelot! Duimelot! Maarten, de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!"

"Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem," zei de jongen.

Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en erg gekwetst, maar hij vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niet anders te doen, dan beter hulp halen.

"Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!" riep hij.

Maar op eens hield de arend met vechten op.

"Wie spreekt daar over Akka?" vroeg hij.

En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde, sloeg hij de vleugels uit.

"Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep hier aan zee te ontmoeten," zei hij, en zweefde weg in snelle en fraaie vlucht.

"Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft teruggebracht," zei de jongen, en zag hem verwonderd na.

De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken, maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten, kwam een bergeend op Donsje af.

"Ik moet je de groeten van je zusters doen," zei ze. "Ze durven zich niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den ouden visscher ben geweest."

"Dat is waar ook," zei Donsje.

Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meê naar de hut te gaan.

Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven, en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met de wilde ganzen weg van de klippen.

Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende vleugelslagen. "Akka, keer om, Akka, keer om!" riep hij snel. "We zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!"

Nauwelijks had hij dat gezegd of de grauwe gans gaf zoo'n akeligen, boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort.

't Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel, maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer, dat zij zouden kunnen ontkomen.

Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen visscher zat.

Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen.

XXIX.

STOCKHOLM.

Voor eenige jaren was er in de "Schans", den grooten tuin buiten Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar 't was 't meest 's middags, dat hij als speelman moest optreden; 's morgens zat hij gewoonlijk op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken van het land naar de Schans waren overgebracht.

Klement meende in 't begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder 't wacht houden. 't Ging nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.

Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, en Klement had hem vaak ontmoet.

De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.

"Je mag zien, wat ik heb, Klement," antwoordde de visscher toen, "als je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan."

Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.

"Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken gekregen?" vroeg hij.

Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't kleine volkje.

Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.

"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij.

"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was vanmorgen vroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken."

"Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?"

"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was."

Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.

"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn," zei hij.

"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruit waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen en bliezen; en als ik uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten zeker, dat hij daar in 't venster stond, want ze lieten me heengaan zonder me te vervolgen."

"Zegt hij niets?" vroeg Klement.

"Ja, in 't begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht."