Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 25

Chapter 254,318 wordsPublic domain

"Dan zal ik je wat zeggen," zei de beer. "Mijn voorouders hebben in deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in 't land groeiden, en ik heb het jachtgebied en 't veld om te grazen, het nest en alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijn leven lang gewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht."

De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, dat ze dichter bij de fabriek kwamen.

De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was, dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.

Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond, en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog, en zei: "Probeer eens, of je in dat huis kunt zien."

Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.

In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong, sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten, in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen gevangen zat.

De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven, en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder, die het nog langer en smaller maakte.

Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange, roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer, als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders staken. 't Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.

"Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is," dacht de jongen.

De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de smeden met ijzer en vuur omgingen.

"Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen," dacht hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen leken, en daarom konden ze zeker 't ijzer buigen en vervormen naar welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, die zulk een macht hadden.

"Kijk! Zoo gaan ze nu maar door--dag aan dag, nacht op nacht!" zei de beer, en ging op den grond liggen. "Je kunt wel begrijpen, dat zooiets je verveelt. 't Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan."

"Zoo, kun je dat?" vroeg de jongen. "Hoe wil je dat doen?"

"Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken," zei de beer. "Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen."

De jongen werd ijskoud van schrik. 't Was dus daarom, dat de beer hem hierheen had gebracht.

"Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag blijven leven," zei de beer. "Maar als je niet doet, wat ik wil, is 't gauw met je gedaan."

De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die toch niet zou kunnen uitvoeren.

Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden barsten door de hitte, en de machines vernield worden.

"Nu, wil je--of wil je niet?" zei de beer.

De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:

"Ik mag me zeker nog wel even bedenken."

"Nu ja, dat mag je wel," zei de beer, "maar ik moet je zeggen, dat het juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden."

De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang, dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg, die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: 't geweer, dat de wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd gekookt. 't Groote en 't kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.

"Nu, wil je, of wil je niet?" vroeg de beer.

De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden om zich te redden.

"Je moet niet zoo ongeduldig wezen," zei hij. "Dat is een zaak van gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken."

"Nu, bedenk je dan nog een poosje," zei de beer. "Maar ik wil je wel zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier weg hebben."

Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. 't Was misschien, omdat ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.

"Nu, hoe is het?" zei de beer. "Wil je, of wil je niet?"

Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest om weg te komen.

"'t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt," zei hij. "Je moet me bedenktijd geven."

"Ik kan nog wel een poos wachten," zei de beer. "Maar dan krijg je geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, dat ik die fabriek hier weg wil hebben."

De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten had gezien. 't Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van 't oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden hadden meegebracht, die..."

"Nu, hoe is het?" vroeg de beer. "Wil je--of wil je niet?"

De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had hij bedacht, maar zooveel wist hij--dat hij niets tegen het ijzer wou doen, dat zoo'n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel menschen in dit land brood gaf.

"Ik wil niet," zei hij.

De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.

"Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen," zei de jongen. "Want het ijzer is zoo'n groote zegen, dat het niet aangaat daar kwaad aan te doen."

"Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven," zei de beer.

"Neen, dat verwacht ik niet," zei de jongen, en keek den beer vlak in de oogen.

De beer kneep nog harder. Dat deed zoo'n pijn, dat de jongen tranen in de oogen kreeg, maar hij zei niets.

"Nu dan!" zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.

Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.

"Beer!" riep de jongen. "Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak, dat je weg komt, of ze schieten op je!"

De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen mee te nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.

Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het deed, zonder er over te denken.

Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, en zette den jongen op den grond.

"Ik dank je wel, klein ventje," zei hij. "Die kogels zouden wel beter hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet je hem zeggen, wat ik je nu influister,--dan raakt hij je niet aan."

Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en jagers hem vervolgden.

En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.

De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in 't bosch lag, waar ze hem niet konden vinden.

Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, en hen in hun verwondering hoorde kakelen.

Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.

"Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel," zei hij.

"Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!"

"Dat is vreemd," zei de jongen. "Toen de beer weg was, klom ik in een den, en viel in slaap. Maar bij 't eerste aanbreken van den dag werd ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met me gedaan was. Maar hij deed me niets; hij vloog regelrecht hierheen, en gooide me neer midden tusschen jelui in."

"Zei hij niet, wie hij was?" vroeg de groote witte ganzerik.

"Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder Akka hem had gezonden om me te halen."

"Dat was wonderlijk," zei de witte ganzerik. "Ben je er zeker van, dat het een arend was?"

"Ik heb nog nooit een arend gezien," zei de jongen. "Maar hij was zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven."

Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.

"We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten," zei Akka, en vloog haastig op.

XXV.

HET BROEDERDEEL.

DE OUDE GROEVESTAD.

Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.

Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.

De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa's en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met hijschmachines en pompen, met ouderwetsche gebouwen, die scheef op den ondermijnden grond staan, met zwarte, steile hoopen slakken en lange rijen droogovens voor het erts.

Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van 't kleine meertje Tisken.

Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven staan. Hij had gepeinsd over de groote "vijzel", de reusachtige opening in den grond midden in 't veld om de groeve, en was tot op den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen slakken, die om de "vijzel" en het mijngebouw heen lagen, en ze als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine signaalbelletje, dat met korte sombere slagen 't heele jaar door slaat, met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en 't allermeest had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in 't geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in 't meer viel, blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.

In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. 't Was een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand bruingrijs was geworden. Het had geen venster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.

Op een dag ging het Bataki al heel slecht. 't Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in 't geheel geen plan op te hebben.

Er viel vrij wat licht in 't gebouw door spleten in den muur, en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe 't er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.

Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in 't leven maken als raven, en al gauw werd het ver in 't rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.

Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: "Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van 't jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe 't met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan."

Agar, de postduif, de beste bode in 't heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka's rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.

Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden keken. 't Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.

Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.

De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los--zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. 't Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij zoo'n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.

De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In 't begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.

"Je bent zeker moe," zei de raaf. "Je kunt misschien niet langer werken!"

"Neen, ik ben niet moe," zei de jongen, en nam den beitel weer op, "maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden."

Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was--niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.

"Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?" vroeg hij.