Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Chapter 24
"Neen," zei hij, en stond snel op. "Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag."
Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en 't was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.
Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.
"Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid," dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.
Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.
Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en hen onder dak gebracht, maar 't was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.
Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.
En de boer begon hem te streelen. "Mijn best paard," zei hij. "Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Je bent ook nog niet heelemaal op. Je zult nog eens het mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest."
HET KRUIEN VAN HET IJS.
Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens van den vorigen dag.
Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.
De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet anders dan het prachtige ijs.
Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoo dichtbij, dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.
"Kom, laten we het probeeren," zei kleine Mads. "Als we maar goed voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel."
En zoo gingen ze op weg over het meer. 't IJs was niet heel glad, maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de buurt van Vinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. 't Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.
Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om 't hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.
Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.
"'t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt," zei de kleine Mads.
Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo'n leven maakte. 't Was alsof die 't lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.
Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.
Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over 't ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.
Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in 't westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar 't oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.
Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd, juist op de plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.
Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.
"Asa," zei kleine Mads, "dit is zeker het kruien van 't ijs."
"Ja Mads, dat is het," antwoordde Asa, "maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door."
De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.
Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.
Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al 't gekakel door de woorden hoorden: "Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!"
Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.
Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in 't gekakel onderscheidden ze de woorden: "Blijf stil staan, waar je bent, blijf stil staan, waar je bent!"
De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.
Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: "Recht door! Recht door!" zei de stem.
Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.
Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.
"Wacht hier even, Mads," zei ze. "Ik heb wat vergeten." En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van 't meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in 't oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.
Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.
XXIV.
DE IJZERFABRIEK.
Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar Akka meende, dat Smirre de vos, in 't oosten van 't land rondzwierf. Ze wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren dien middag nog in de mijndistricten van Westmanland. Tegen den avond ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat, en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik gelicht, en in de lucht geslingerd.
Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo'n hevigen wind niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als een blad van een boom valt.
"Nu, dat loopt wel goed af," dacht de jongen nog onder het vallen. "Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen."
Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, waar hij was.
"Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?" riep hij. En hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast hem stond.
Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos verdwenen.
Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen, om hem te halen.
Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar in een breede bergspleet, of iets dergelijks. 't Was een ruimte, zoo groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken, en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.
De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.
"Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren," dacht hij, "want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden."
Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde brommen:
"Wat ben jij er voor een?"
De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.
Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep: "Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje voor jelui."
Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.
"Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?" riepen ze.
"O zoo! ben ik bij de beren gekomen," dacht de jongen. "Dan ben ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij te jagen."
De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en sloegen elkaar, en bromden.
Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het mos als een bal.
"Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van een kat is gevallen," dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem weer te vangen.
Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond bleef liggen.
"Loop nu weg, anders eten we je op," bromden de beertjes.
"Ja, doe dat maar," zei de jongen. "Ik kan niet meer wegloopen."
Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.
"Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!" klaagden ze.
"Dan moet jelui hem samen deelen," zei de berin. Maar toen de jongen dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.
Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo'n pleizier gehad, dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, dat hij ook insliep.
Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den beer kon zien. 't Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden boschkoning zag.
"'t Ruikt hier naar menschen," zei de beer, zoodra hij bij de berin kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.
"Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?" zei de berin, en bleef rustig liggen. "We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, dat jij hem kon ruiken."
De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in 't rond te snuffen.
"Schei nu uit met dat gesnuffel!" zei de berin. "Je kent me toch genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele week niet gezien."
"Ik heb naar een nieuwe woning omgezien," zei de beer. "Eerst ben ik naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol meer in 't heele bosch."
"Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn," zei de berin. "Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in 't bosch blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten verhuizen om rust te hebben."
"Hier in de groeve hebben we 't immers jaren lang best gehad," zei de beer. "Maar ik kan 't hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik 't laatst ten oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten..."
Op 't zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde om zich heen.
"'t Is vreemd,--maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht weer," zei hij.
"Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft," zei de berin. "Ik zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou kunnen zijn."
De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.
"Zei ik 't niet?" zei de berin. "Maar jij gelooft natuurlijk, dat niemand, behalve jij, neus en ooren heeft."
"Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier hebben," zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht gelegd, zoodat de stakker niet kon ademhalen, maar begon te snuiven. Nu kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen rechts en links, en kreeg Duimelot in 't oog, vóór hij op kon staan.
Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet tusschen hen in geworpen had.
"Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!" riep ze. "Ze hebben den heelen avond zoo'n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, maar hem voor morgen bewaren."
Maar de beer duwde haar op zij.
"Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt," schreeuwde hij. "Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch ruikt? Ik zal hem direct opeten, anders speelt hij ons nog eens een leelijke poets."
Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in den bek van den beer.
De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en--uit was de vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar--wonderlijk genoeg--de beer deed geen aanval.
"Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?" vroeg de beer.
"Ik kan er zooveel aansteken, dat ze 't heele bosch kunnen vernielen," antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer bang kon maken.
"Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?" vroeg de beer.
"Dat zou voor mij in 't minst geen kunst zijn," blufte de jongen, en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.
"Dat is best," zei de beer. "Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb."
Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.
De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van 't bosch kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten vast. "Kijk nu naar die groote lawaaifabriek," zei hij tegen den jongen.
De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo'n kracht, dat de lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa's, scholen, vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht en rook uit, en vuur en vonken. 't Was het meest overweldigende, wat hij ooit had gezien.
"Je zult toch niet beweren, dat je zoo'n groote fabriek ook in brand kunt steken," zei de beer.
De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende, dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken indruk van zijn macht en kracht kreeg.
"Dat is me 't zelfde, of het groot of klein is," zei hij. "Ik kan dat best laten afbranden."