Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Chapter 2
Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen: "Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!"
Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen, riepen ze: "Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!"
De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: "Wij hebben het goed hier; wij hebben het goed hier!"
't Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders: "Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden."
Er was één onder de jonge ganzeriken, die door 't roepen van de wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: "Als er nog één troep komt, ga ik meê," zei hij.
En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: "Kom meê, kom meê!"
Toen antwoordde de jonge ganzerik: "Wacht even, wacht even, ik kom!"
Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel.
De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam.
"Wacht even! Wacht even!" riep hij en probeerde het weer. Dat alles hoorde de jongen, waar hij zat.
"'t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen, en merkten, dat hij weg was."
Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen, en sloeg de armen om den hals van den ganzerik.
"Je zult het wel laten om weg te vliegen," riep hij. Maar juist op dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest.
't Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen, dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen.
Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen.
DE GERUITE DOEK.
De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden, alles draaide voor zijn oogen, en 't suisde in zijn ooren. Hij wist niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde.
De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook wat langzamer dan gewoonlijk.
Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te kijken. Toen was 't hem, alsof er een groote doek onder hem lag uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote ruiten.
"Waar in de wereld ben ik nu gekomen?" vroeg hij zich verbaasd af.
Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was rond, en niets was er puntig.
"Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden zie?" zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te verwachten.
"Akkers en weiden, akkers en weiden!" riepen dadelijk de wilde ganzen, die om hem heen vlogen.
Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten, die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want daartusschen staan de groote boomen, die midden in 't bosch groeien, kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch, behouden hun dorre gele blaadjes tot aan 't voorjaar. Daar waren ook donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen plaatsen in 't midden. En dan waren er ruiten, groen in 't midden en met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar 't gras al begon groen te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun bruinen bast stonden.
De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was.
Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als bestraffend: "Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!"
De jongen was al weer ernstig geworden: "Hoe kan jij nu lachen! Jij, wien 't allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!" dacht hij.
Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: "Zoo, zoo! zijn jelui vandaag gekomen?" riepen sommigen. "Ja, dat zijn we," antwoordden de ganzen.
"Wat denk jelui van den winter?"
"Geen blad aan de boomen en koud water in de meren," klonk het antwoord.
Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep, riepen ze: "Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?"
Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: "De hoeve heet Lillgärde, van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar."
De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden, riepen: "Deze hoeve heet "Grutteloos"." En zij, die op de allerarmste woonden, riepen: "Deze heet "Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt niet veel!""
De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen, als b.v.: "Geluksveld, Eierberg en Geldstad."
Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot geheel op de zon wou laten hooren: "Dit is 't landgoed Dybeck! Van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar!"
En wat verder op stond er een te roepen: "Dit is Zwanenholm. Dat moet de heele wereld weten!"
De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren, dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten.
Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes: "Dit is de suikerfabriek Jordberga," riepen de hanen. "Dit is de suikerfabriek Jordberga!"
De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch moeten kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en 't vorige jaar was hij daar herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit, als je het van boven af zag.
En stel je voor! Asa 't ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over hun hoofden heen vloog?
Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had.
Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze 't allermeest pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden: "Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?"
Maar de tamme ganzen antwoordden: "De winter is nog in 't land. Jelui zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!"
De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen: "Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!"
Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet met gekakel.
Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze vreeselijk schrikten: "O! O! O!" riepen ze. "'t Waren geen ganzen! 't Waren maar schapen, 't waren maar schapen!"
De ganzen beneden op 't veld werden heelemaal woest, en schreeuwden: "'k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!"
Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij er aan, hoe 't nu met hem was--en dan schreide hij weer. Maar na een poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo'n heerlijke geur van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht, hoe 't zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was, alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis, die je maar bedenken kon.
II.
AKKA VAN KEBNEKAISE.
DE AVOND.
De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen, en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij 't ook vond--hij kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter.
Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: "Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!"
"Wat wil jelui van me?" vroeg de leidster-gans.
"De witte blijft achter! de witte blijft achter!"
"Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!" riep de leidster, en vloog voort als gewoonlijk.
De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten; maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden.
"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!" riepen toen zij, die achteraan vlogen, en zagen hoe moeilijk hij 't had.
"Wat wil jelui nu weer?" vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig knorrig.
"De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!"
"Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!" riep de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als te voren.
De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij omhoog vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst zou springen.
"Akka, Akka!" riepen zij, die achteraan vlogen.
"Kun jelui me niet met rust laten?" vroeg de leidster, en scheen nog ongeduldiger dan de vorige keer.
"De witte is op 't punt van te vallen! De witte is op 't punt van te vallen!"
"Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!" riep de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen, maar ging door met dezelfde vaart.
"O zoo! staat het zoo?" dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens, dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt.
Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven, zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans ook wel wat waard was. En 't allerakeligste was, dat hij juist Akka van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans, hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar niemand had zoo'n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep, en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed.
Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens 't ventje, dat op zijn rug zat: "Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel, dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?"
Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende, en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet meê kon maken, besloot hij vol te houden.
"Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste mergelgroeve, waar we over heen komen," zei hij, en kreeg op 't zelfde oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon te vliegen, als een van de anderen.
Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten, stonden ze aan den kant van het Vombmeer.
"Hier zullen we wel den nacht overblijven," dacht de jongen, en sprong van den rug van den ganzerik op den grond.
Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was, en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar 't ijs zou zeker niet lang meer blijven. 't Was al losgeraakt, en er om heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap.
Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot dennenplantsoen. En 't was, alsof de naaldboomen de macht hadden den winter vast te houden. Overal verder was 't veld leeg, maar onder de reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was, keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs.
De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen.
Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan boomen in Maart.
Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten, en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur, en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren?
Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over 't meer, en de duisternis viel, en de angst kwam in 't spoor van de schemering, en in 't bosch begon het te kraken en te ritselen.
Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld, terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan te sluiten.
Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen, alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op 't veld, zijn oogen waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten.
"Lieve Maarten Ganzerik," zei de jongen, "probeer een slok water te nemen. Van hier naar het meer is 't maar twee stapjes."
Maar de ganzerik bewoog zich niet.
De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk voor den jongen was, maar eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam in 't meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en waterplanten door.
De wilde ganzen lagen vóór hem in 't meer. Zij hadden noch naar den ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven.
De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer.
"Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt," zei hij.
't Was voor 't eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch lust het te probeeren.
Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu, 't was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten.
Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over, dat hij rauwe visch had kunnen eten.
"'t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter," dacht hij.
Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem, maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: "'t Is maar zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die alle tamme vogels verachten."
"Ja, dat heb ik wel gemerkt," zei de jongen.
"'t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot iets deugt."
"Ja--a," zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken.
"Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen redden," zei de ganzerik, "en nu wou ik je vragen, of je meê zou kunnen gaan en me helpen."
De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw mogelijk naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist, wat hij antwoorden zou.
"Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik," zei hij. Maar dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered.
"Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder," zei de jongen.
"Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen," zei de ganzerik. "Ik zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel kan neerzetten."
De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen, die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en 't water van zich af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij, met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af.
Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen; maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En 't meeste griezelde hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen, waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit de wildernis kwamen.
De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: "Antwoord nu flink, maar zeg niet, wie je bent," en toen waren ze bij hen.
Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de halzen, en dat deed de ganzerik ook,--nog vaker. Toen ze genoeg gegroet hadden, zei de leidster-gans: "Nu moeten we eens hooren, wie jij eigenlijk bent."
"Er is niet veel van mij te vertellen," zei de ganzerik. "Ik ben verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest."
"'t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt," zei de leidster-gans. "Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met wilde ganzen meêdoen wilt?"
"Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil, dat ook een tamme gans ergens goed voor is," zei de ganzerik.
"Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt," zei de leidster-gans. "We hebben nu gezien, hoeveel je van 't vliegen kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. 't Kan wel zijn, dat je sterk in 't snelzwemmen bent."
"Neen, daar kan ik me niet op beroemen," zei de ganzerik. Hij meende te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden, en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: "Ik heb nooit verder gezwommen dan dwars over een mergelgroeve," ging hij voort.
"Dan denk ik, dat je een baas bent in 't springen," zei de gans.
"Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het ook nooit gedaan," zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was.
De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou, dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd, toen ze zei: "Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven, tot we zien wat je waard bent."
"Dat wil ik heel graag," zei de ganzerik, en was blij.
Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei: "Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien."
"Dat is mijn kameraad," zei de ganzerik. "Hij is zijn heele leven ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen."
"Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans," antwoordde de wilde. "Hoe noem je hem?"
"Hij heeft verscheiden namen," zei de ganzerik aarzelend; hij wist niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden, dat de jongen een menschennaam had.
"Ja, hij heet Duimelot," zei hij eindelijk.
"Is hij van het kaboutergeslacht?" vroeg de leidster-gans.
"Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?" vroeg de ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. "Mijn oogen vallen van zelf toe om dezen tijd."