Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 19

Chapter 194,411 wordsPublic domain

Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.

Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: "Let op Peer Ola, Caesar."

Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden, dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.

En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.

Toen Peer Ola aan den oever van 't meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.

Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op 't meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maar als 't water hoog is, en 't ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op 't water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.

Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.

Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk blij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.

Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen 't riet, en nu kreeg Peer Ola 't bevel aan land te stappen. Op 't zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.

Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.

Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.

Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.

Verder op den dag vond men Peer Ola's voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.

De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over 't meer heen en weer tot den avond, zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders denken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.

Dien avond zwierf Peer Ola's moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.

Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.

"Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren," dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. 't Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. 't Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.

Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo'n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.

Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen. "Dat wordt toch moeielijk voor hen," dacht ze. "Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?"

Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig werk--een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.

Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.

Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola's dood een straf voor hen beiden was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.

Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, die tweemaal zoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.

En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:

"Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is."

Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.

"Maar Caesar toch!" riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: "Weet je, waar Peer Ola is?"

Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van 't meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over 't meer.

Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen.

XIX.

DE VOORSPELLING.

Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in 't Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo'n schelle lichtgloed in 't gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.

Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op 't meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen 't riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.

In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.

"Houd nu hier stil," zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.

"Ziezoo!" zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. "Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan."

Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.

"'t Is zoo mooi hier op 't meer vanavond," zei hij. En dat was het ook. 't Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. 't Strand lag verscholen achter de rietbossen in 't Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.

De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.

"Ja, 't is hier mooi in Östergyllen," zei hij. "Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is."

"Wat is het dan?" vroeg de roeier.

"Ja,--dat het een land is, dat in eer en aanzien staat."

"Ja, dat kan wel zijn."

"En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal."

"Hoe ter wereld kan men dat weten?" vroeg hij, die bij de riemen zat.

De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.

"Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan," zei hij.

"Dat kon je me wel eens vertellen," zei de roeier.

"We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden."

"Op Ulvasa, hier in Oostgothland," ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, "woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in 't rond beroemd, en 't is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.

Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.

"Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe," zei de boer na een poosje.

"Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken," antwoordde zij.

"Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan 't hart gaat," zei de boer.

"Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe 't met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal."

"Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden," zei de boer. "Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren."

Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.

"Zoo," zei ze, "heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevreden bent."

Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.

"Is er niet anders, dat je weten wilt," zei de wijze vrouw, "dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen."

"Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe," zei de boer, "en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon."

"Waarom zou dat niet mogelijk zijn?" zei de vrouw van Ulvasa. "Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo'n mooie domkerk heeft als die in Linköping?"

"Dat kan wel zoo zijn," zei de boer, "maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk."

"Daar kun je gelijk aan hebben," zei de vrouw van Ulvasa, "maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft."

De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam.

"'t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken," zei de vrouw van Ulvasa. "Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten."

"Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor," zei de boer. "Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?"

"Het is geen kleinigheid, wat je wil weten," zei de vrouw van Ulvasa, "maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt."

De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.

"Je bent niet gemakkelijk te voldoen," zei de vrouw van Ulvasa, "maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken."

"Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?" hield de boer aan.

"Je hoeft niet zoo bang te wezen," zei de vrouw van Ulvasa. "Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt."

"Dat is een gewichtig ding om te hooren," zei de boer. "Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?"

"Daar moet je niet bezorgd over wezen," antwoordde de vrouw van Ulvasa. "Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen."

Maar de boer bleef er ongerust uitzien.

"Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten," zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. "Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping."

"Ja, het is goed, dat ik dat weet," zei de boer, "maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden."

Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.

"Je zegt, dat alles vergankelijk is," zei ze, "maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in 't land zullen zijn tot aan 't eind van de wereld."

Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.

"Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent," zei de vrouw van Ulvasa.

"Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe," zei de boer, "dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of bouwen,--dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen."

XX.

HET BAAIEN KLEED.

De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.

Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.

"Er moeten in dit land geen boeren wonen," zei hij in zichzelf, "want ik zie nergens boerderijen."

Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; "Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!"

Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.

"Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?" vroeg de jongen na een poos.

"Ossen en ploegen! ossen en ploegen!" antwoordden alle wilde ganzen.

De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. "Jelui komt van 't jaar niet klaar! Jelui komt van 't jaar niet klaar!"

Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in lucht en loeiden: "Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in 't heele jaar!"

Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.

"Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" riepen zij de paarden toe. "Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?"

"Schaam jelui je niet zoo te luieren?" hinnikten de paarden terug.

Terwijl de paarden en ossen buiten aan 't werk waren, liep de hamel op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.

"Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?" riepen de wilde ganzen, die boven in de lucht voorbij vlogen.

"Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd," antwoordde de hamel met een lang geblaat.

"Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?" vroegen de ganzen.

Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos werd hij.

Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om elkaar te beschermen.

"Knor, knor!" riepen de biggetjes. "Wij zijn te vroeg van Vader en Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!"