Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 18

Chapter 184,260 wordsPublic domain

Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.

En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, en 't werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij 's winters naar Skaane trok, als dorscher, en in 't voorjaar kwam hij weer thuis met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij zichzelf had opgelegd te doen.

Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, rijke hoeve.

Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, dat hij goud had gevonden.

"Hij wist dat van den mergel," dacht Sigurd. "Hij heeft het aldoor geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis blijven en ons allen rijk maken."

Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken en handelen, zooals hij had behooren te doen.

XVIII.

HET GROOTE VOGELMEER.

JARRO, DE WILDE EEND.

Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.

't Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.

Nu is er iemand, die graag met de voeten in 't water staat, als hij 't hoofd en 't lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.

Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa's geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen uitbroeden en hun jongen opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun voedsel gekweld te worden.

Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van 't Takermeer, en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate 't meer bekend wordt, wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een heele massa anderen.

Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.

In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs nog op het meer lag.

Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het Takermeer liggen.

Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.

Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hem de huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.

Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.

Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.

Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, "daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!" Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.

Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.

"Wie ben jij?" bromde hij. "Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?"

Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.

"Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen," zei hij. "Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd."

"O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd," zei Caesar. "Dan is 't zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer."

Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.

Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.

Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.

Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo'n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.

Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar "welkom" toe in zijn eigen taal.

Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.

Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.

"Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden," zei Klorina. "Wacht maar, tot je vet bent. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!"

Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen.

Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.

"Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, 't volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd," zei Klorina.

"Wat zeg je daar, Klorina?" riep Jarro, en sprong op van schrik.

"Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat," zei de kat. "Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten."

Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.

"Je bent even akelig als een zwart waterhoen," zei hij tegen Klorina. "Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan 't schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!"

Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.

"Zoo! Geloof je, dat ik lieg?" zei ze. "Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!"

"Caesar!" zei Jarro. "Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij 't niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van 't meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo'n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het niet mis heeft!"

't Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.

De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.

"Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil," zei ze tegen Jarro. "'t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op 't meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden."

Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en riep Caesar in 't oor:

"Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken."

Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.

"Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil," schreeuwde Caesar. "Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van 't jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij bent een stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels meer op het Takermeer zijn?"

DE LOKVOGEL.

Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.

Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.

Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van 't vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte, en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.

De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.

Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.

"Het is verboden in dezen tijd," zei hij, "maar dat geldt natuurlijk niet voor mij."

De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten rond loopen.

Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in 't water en haalde ze op.

Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.

Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: "Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!"

En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.

Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.

Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.

Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.

Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over 't heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: "Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel," dat er een duikernest kwam aandrijven naar 't eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. 't Was een nest van het vorige jaar, en de duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.

Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: "Kom zoo dicht bij 't water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!"

Een oogenblik later lag het duikernest bij 't land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.

Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een mesje uit de scheede aan zijn zij, en sneed het net, dat Jarro's vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. "Vlieg nu weg, Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden," riep hij, terwijl hij weer in 't nest sprong, en van land afzette.

De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.

Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:

"Als jij zoo eerlijk bent, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken."

Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. "Vlieg maar weg, Jarro," zei hij. "Je bent zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer."

HET DROOGMAKEN VAN HET MEER.

't Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo'n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.