Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 17

Chapter 174,333 wordsPublic domain

"Onthoud nu wat ik je zeg," zei hij, "en vergeet dat nooit! Je moet er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van wilden in zich, zoodat ze 't niet kunnen uithouden onder een dak te wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude dingen oplappen en opknappen."

Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar en dreigend geklonken.

"Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze lijken ook daarin op 't heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende over allen, die op hen vertrouwd hebben."

Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.

"'t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt," drong hij nog eens aan.

Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd diep in de oogen:

"Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is," zei ze. "Ik ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en zullen aanteekenen."

Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu 't meest pijn deed, was, dat hij buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, zonder te vragen, wat hij er van dacht.

"Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer te zeggen," barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.

Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.

"Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben," zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om afscheid te nemen. "Voor mij blijft niet anders over dan weer langs den weg te zwerven."

"Je hoeft je aan Sigurd niet te storen," zei de huismoeder. "Ik heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan te teekenen."

"Daar kunnen we niet aan denken," zei de knecht. Hij zonk op een bank neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. "Het helpt niet, of je al probeert er uit te komen," zei hij. "Je kunt je uiterste best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels vertinnen."

Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.

"Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan," zei ze. "Ik geloof, dat Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is om op je te vertrouwen."

"Neen, dat kun je niet verlangen," zei de knecht.

"Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen," ging de huismoeder voort.

"Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil," antwoordde Jan. "De hoeve is toch van hem, en 't zou maar verwijdering geven tusschen hem en u, als ik bleef."

Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet een heel ander mensch was dan al de andere.

Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze ruimte vol ongeluk overzag.

Toen verbrak de moeder de stilte.

"Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons had kunnen blijven," zei ze. "En ik wil niet, dat je weer in ellende zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat."

"Dat moogt u nooit doen," riep de knecht dadelijk. "Zoudt u als de vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer is geweest!"

"Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt blijven."

"Neen, dat doe ik nooit," barstte de knecht uit. "Ik dank u, omdat u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!"

Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, en hij was hard en wantrouwend.

Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.

"Goeden dag dan, Sigurd!" zei hij. "Je moet niet denken, dat ik boos op je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons."

Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit te barsten.

Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, en hij schreide luid.

Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. 't Was alsof hij iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan overgedragen te hebben.

't Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals het plan was. 't Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig, hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.

Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop lag een dunne korst vruchtbare aarde daaronder een laag zeezand, en daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder 't werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.

"Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!" barstte hij uit.

"Wat heb je dan gevonden?" vroeg Sigurd.

"Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben," antwoordde de Tater.

Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.

"Je moet boven komen, en mij helpen, Jan," zei ze.

Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in 't gezicht, de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans gezicht somber werd.

"Kun je ze niet wegjagen, Jan?" vroeg de huismoeder bekommerd.

"Dat gaat niet best," zei Jan lachend. "'t Zijn Vader en Moeder, en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe 't me gaat."

Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, dat hij allerlei dwaasheden beging.

Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde jonge goed.

't Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan vioolspelen. 't Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.

Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en zorgeloozer hij zich voelde. 't Was, alsof hij nu voor 't allereerst begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn. 't Had hem altijd gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,--hij, evenals zijn voorvaderen,--dat hij de hoeve moest zien in stand te houden,--hij, evenals zij--maar omdat je eens een enkelen keer blij was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.

Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den rijksten boer in de gemeente. 't Was een verzoek, of Jan hem wou komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, dat het leven zóó heerlijk kon zijn.

't Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk gegaan was.

De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. 't Was alsof dit opeens zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.

Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het beheer van Jan, den Tater. 't Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In 't voorjaar had Jan in 't kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.

Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.

Plotseling hield Jan met spelen op.

"Zeg me nu één ding, Sigurd," zei hij met ongewoon vriendelijke stem. "Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?"

Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.

"Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen," zei Jan.

Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat Jan en hij zouden scheiden.

"Neen, ik wil liever, dat je hier blijft," zei hij.

"Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel gaat," zei Jan, "want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend."

Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in de schuur.

Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor 't vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.

Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor de reis.

"Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten," dacht hij. "Al zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe."

Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen en hen niet achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was Sigurd bij den wagen en er boven op.

Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den weg. Sigurds moeder ging dan naar 't huis, en bedelde om eten en koren, en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in 't Zuiden in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna trokken zij er weer op uit.

Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest, te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.

Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.

Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:

"Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. 't Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden."

"De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker weggegaan, en hebben 't land aan zijn lot overgelaten," antwoordde Sigurd bitter.

"Denk je dat?" zei Jan heftig. "Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar huis kunt gaan en 't zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier."

"Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken," zei Sigurd weer. "Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt."

Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, schopte hij het om met zijn voet.

"Wat doe je daar?" vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.

"Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere ook om te schoppen."

"Wat zou je daar nu aan hebben?" vroeg Sigurd.

"Ik weet niet hoe het komt," zei Jan, "maar in de landen, waar groote, kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen wij het op den duur niet uithouden."

"Dat kan wel wezen," zei Sigurd "maar je zult toch dat denneboompje weer in den grond zetten."

Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar voor zich uit te kijken.

"Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, als ik meerderjarig word!" schreeuwde Sigurd.

Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, maar hij zei niets.

Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op een feest moest spelen bij den dans.

"Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen."

Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen kracht toe had. De heele hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te verspillen aan een hopelooze zaak?

Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. 't Was een nieuw paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, werd gevangen genomen als paardendief.

Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn zaak behandeld werd.

't Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.

"Jan is hier gekomen om mij te helpen," dacht hij, want hij wist, dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij met het gestolen paard was komen aanrijden.

Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.

Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.

Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep, dat hij tot verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.

Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en 't hem duidelijk geworden was, dat hij in 't diepst van zijn ziel valsch en hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op 't zelfde oogenblik, dat hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was geweest, en hij schrikte daar hevig van.