Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Chapter 10
"'t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist is opgetrokken," zei de eend. "Men kan wel zien, dat jelui niet aan 't reizen gewend zijn."
't Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor zoover de jongen 't begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een kring rond.
"Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt," riep een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.
Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd, dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren op den nevel te schieten.
Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer van afbrengen.
DE ZUIDPUNT VAN ÖLAND.
Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten worden gebruikt.
In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van 't eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, waar ze niet zoo veilig zijn.
Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.
Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, dat hij kon overzien.
't Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogen kiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar 't meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa's wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.
Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: "Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder."
"Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg," zei zijn reisgezelschap.
"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?" zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.
Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op 't water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.
Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.
Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.
De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.
Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.
Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.
Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als 't ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.
Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.
De jongen ging weer naar 't land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.
De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.
Zoodra een paar van hen zich aan 't strand vertoonden, zeiden de andere vogels: "Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!" "Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in 't daglicht wonen, zooals alle anderen," zeide een bruine wijfjesgraseend.
"Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoorlijk uitzien met zoo'n neus als zij hebben," zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.
Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.
"Wat is dat voor visch, die je ophaalt?" vroeg een wilde gans.
"Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste visch in de wereld," zei een meeuw. "Wil je niet eens proeven?" En hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, en wilde er haar van geven.
"O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!" zei de wilde gans.
Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar hij in 't geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er ook heel blij mee, toen die af was.
Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem of hij den witten ganzerik ook gezien had. "Neen, hij is niet bij mij geweest," zei de jongen.
"Hij was een oogenblik geleden nog bij ons," zei Akka, "maar nu weten we niet, waar hij is."
De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik was zeker alleen maar in den mist verdwaald.
Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde vogelgewemel--maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, maar hij vond geen spoor van den ganzerik.
Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder kon missen.
Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in 't hoofd gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De jongen sloeg in zijn blijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.
Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.
De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan 't strand, dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.
Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, dat hij niet wist wat te beginnen.
Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.
Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, dat ze beter zou worden, voor hij van 't eiland weg zou gaan, maar ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.
Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden dag zou terugkomen.
De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar!--Maar toen hij het jonge gansje van dichtbij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.
Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.
"Je hoeft niet bang voor me te wezen," zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. "Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik," ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.
Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: "Ik ben heel blij, dat je hier gekomen bent om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij."
Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. "Dat kan geen gans wezen," dacht hij. "Dat is zeker een betooverde prinses."
Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. 't Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in 't gelid.
"Pas nu op," zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor 't eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.
Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten. Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. 't Was maar 't beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.
Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. 't Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals 't kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.
Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.
"Donsje, Donsje, waar ben je?" riep de ganzerik.
"De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen," dacht de jongen. Maar op 't zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: "Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen." En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in 't lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was.
X.
DE GROOTE VLINDER.
De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.
Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond had gehoord.
Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was 't zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.
De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig, maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn gezicht. 't Was alsof dat lichaam en dat gezicht in 't geheel niet bij elkaar pasten.
Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, alsof hij dacht: "Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te laten praten."
"Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik," zei de oude herder. "Ik heb bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooter waren, dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon te trekken.
Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. 't Duurde niet lang, of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.
Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als steen. Je weet wel, dat we steenen aan 't strand gevonden hebben, die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof, dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee lag. Geloof je dat ook niet?"
Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei: "Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt."
"Let nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen, is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt, merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar 't zuiden zie je 't achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in een scherpe punt eindigt."
Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,--wat gespannen, om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde door te gaan.
"Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel op schieten, maar 't was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.
Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret [1], dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien, omdat de aardlaag zoo dun is.
Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt, vandaan gekomen is."
"Ja dat is het juist," zei de andere, die rustig door bleef eten, "dat zou ik wel willen weten."
"Je moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft: wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.
Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren, en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar armoedige schuren, waar wij--herders--inkruipen. Maar daar beneden op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën, en groepen visschershutten en een heele stad."
Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte zijn broodzakje dicht.