Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat

Part 13

Chapter 133,611 wordsPublic domain

„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.

„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.

„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar omstandigheden al vroeg in de weer.”

„Naar omstandigheden?... Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”

„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”

„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.

De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar ontkomen waren.

„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”

„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar gedeeld hebben.”

„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.

„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” vulde Adelien aan.

„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd hebben,” vroeg Denniston.

„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.

„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, „was het een storm?”

„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”

„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met belangstelling.

Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den nek kreeg.

„Het is... (hik) alsof ik... (hik)... in ’t water... (hik)... gelegen heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.

„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen...” zei Emma.

„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een teederen blik op Adelien werpende.

„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”

„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans toi!”

„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.....”

Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een oogenblik met kapitein Van Dam sprak.

„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.

De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire houding de bevelen van hunnen kommandant af.

„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”

De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van hunnen chef.

„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank brengen voor de redding mijner kinderen.”

Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en onverholen hunnen dank uitspraken.

Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij gebloosd had of verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.

„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.

„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit. „Ik werd door de woeste golven over het dek voortgerold!”

„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven verschuldigd!”

„Maar, wat is er toch gebeurd?” vroeg luitenant Leidermooi.

De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de hand drukkende, zeide hij:

„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de kajuitstafel met ons te willen deelen.”

De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide onderofficieren, zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:

„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”

De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.

„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien gered te hebben!”

Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd worden, en een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.

„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag is, zijt gij mijne gasten! Sapada!...” Ouder gewoonte wilde hij roepen: Sapada! bawa minoeman! [40] Bij het eerste woord bedacht hij zich evenwel en riep glimlachende:

„Hofmeester, breng madera!”

„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”

„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht bocht zal aanreiken.”

„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,” antwoordde kapitein Butteling.

„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, nietwaar kapitein?”

„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”

En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal afgelegd.

Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera te zamen, en was het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.

„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.

„Ja, mijnheer,” was het antwoord.

„En lekker?”

„Overheerlijk!”

De beide onderofficieren spitsten de ooren.

„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde. „Wat wonderlijke naam!”

Het meisje glimlachte.

„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van dat kostje is nog prozaïscher.”

„Wat is het dan toch?”

„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst overtogen waren.”

De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas goeden wijn, uitmuntend gevonden.

Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo aangenaam mogelijk te maken.

Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden waren van meening, dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd hen bij het heengaan nog meegegeven.

Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch zich eene toespeling op haar veroorloofde.

Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, van dag en nacht.

Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.

„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij ook kent, le printemps d’un proscrit te binnen. Hoe vaak heb ik dat gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in de gelegenheid zou komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig overeenkomt met het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen overluid in mijn brein vernemen.”

En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne ontboezeming niet te laten vernemen:

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „O qui pourra jamais voir sans être attendri L’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre, Ce mélange confus du soleil et de l’ombre, Ces combats indécis de la nuit et du jour, Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour, Ce brillant occident où le soleil étale Sa chevelure d’or et sa robe d’opale, Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur, Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”

Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:

„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”

„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.

„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”

„En die is?....”

„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze Emma lang niet onverschillig is?”

Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:

„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”

„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderen te laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog eene toekomst moeten scheppen....”

„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar....”

„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.

„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft ons zekerheid omtrent hun verleden?”

„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te nemen?”

„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. „Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten wij nog nadere kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”

„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.

VI.

DOBBERENDE BIJ DE CANARISCHE EILANDEN [41].

De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na zonsopgang op den 27sten October riep de matroos, dien hij in den fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:

„Land vooruit!”

„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.

„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.

De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, aan het bezaanwant vast.

„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, anders was hij thans reeds te zien.”

Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde bijgevolg betrekkelijk snel. Het eiland Palma met zijn regelmatigen kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude bevinden.

Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie [42] houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van opmerkingsgave bedeeld te zijn.

Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.

Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, gesteund door de nabijheid van den detachements-kommandant in de eerste dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.

Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.

Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus ook le langage des fleurs behandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.... te houden. Hij had ondeugend er nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der ziekte bij velen zeer bevorderd.

Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.

Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam dat noemde, ingesteld, en werd een ieder dus dien eigen morgen van negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op deze breedte balsamiek deden gevoelen.

Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals hij verkoos.