Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat

Part 12

Chapter 123,862 wordsPublic domain

Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel beweging de kwaal te bestrijden. Enkelen lagen op de kajuitskap en bij de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:

„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet meegedaan!”

Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.

„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, of het schip zal water overkrijgen.”

Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die daar aan dek waren, in het aangezicht woei.

„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek gekregen had.

Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.

De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind geholpen.

„Ik ben.... (hik).... door en door.... nat,” kreet Behrtje met naargeestige stem.

Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.

„Het is... (hik)... alsof ik... (hik)... in ’t... water.”

„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.

De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar beneden te begeven.

„Dat ’s nummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.

Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.

„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den jongen luitenant.

Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer en strompelde toen naar beneden.

Van harte lachten hem de beide meisjes uit.

„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar kapitein Van Dam zelf lachende.

„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te zien.”

Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, in een ijleren dampkring vervoerd wordt.

Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd daarin door kapitein Van Dam gevolgd.

Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate te verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen aandrang nog ruim elf mijlen.

De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en ongedeerd blijven gevoelen.

Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren doortrokken, dat het niet uit te houden was.

„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne hangmat hing te wiegelen.

Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje [38] gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord stond, en waarboven de koebrug zich uitstrekte.

Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. Ja, vooral Slavante!

„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”

„Lichtenberg,” antwoordde Herman.

„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”

„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, dat ik Lydia voor het eerst zag.”

„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste vriendin van je moeder?”

„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor mij.”

„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.

Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak hij de armen uit.

Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.

„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd heeft.”

Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na de herinneringen kwamen de droombeelden, les chateaux en Espagne, zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich voorzeker heldhaftig gedragen!.... misschien wel de Militaire Willems-Orde verwerven!

„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia verschijn.....”

„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.... maar.... dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen....”

„Schei uit! in Gods naam,” kreet Herman.

„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf van twaalf jaren in Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk in.....”

„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.

Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en het nachtelijke duister verdreef.

V.

EENE STORTZEE.

Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.

„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.

Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.

„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden verdreven worden.”

Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de vloer daar beneden met kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende atmospheer eenigermate zuiverde.

De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter bijzette.

De Fernandina Maria Emma bevond zich nog op de Gronden, waardoor de zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij groote schepen, zoo als de Fernandina Maria Emma was, eene zeer moeielijke beweging.

Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen boden hierbij een droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der baren verblindend wit deed schitteren.

Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek verschijnen zagen.

„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.

Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:

„Grijpen en vasthouden!”

Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de bij hen staande pardoens [39] gegrepen. Zij konden evenwel niet beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen werden, en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op Adelien toegesprongen, en redde die uit meer wezenlijk gevaar. Toen het schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.

Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te vertellen.

Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels toegeschoten waren, in de kajuit.

Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef voor de jongelieden door die redding ten top steeg.

De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa verzwolgen.

Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden gegrepen en overeind geholpen werden.

Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen konden uitpompen.

Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te krijgen niet meer zoo groot was.

De koers was nu zuid-zuidwest.

Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.

Het onaangename weder, dat de Fernandina Maria Emma bij het uitkomen van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de hangmatten de zeeziekte uitvieren.

Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.

Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het want. Van een bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.

Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.

In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger kregen.

Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.

Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen licht bakboord over.

Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.

Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje te halen, en ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde er geen een.

Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte te lijden had gehad, dan hij zelf.

„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge zaagt bepaald bleek om je neus, man!”