Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven

Part 7

Chapter 73,643 wordsPublic domain

_Cor._ Beter -- ? Ja, misschien is 't beter voor de stumper, dat Onze Lieve Heer hem maar heeft weggenomen -- -- maar voor mij -- . Ik was toch z'n moeder, ziet u -- ik heb 't toch zelf groot gebracht, hij was toch van me eigen vleesch en bloed, -- en 't was 't eenige wat ik had. En ik had toch ook nog zoo'n stille hoop, dat ie eens nog es beter zou worden -- -- hij kon toch soms zoo lief uit z'n oogen kijken, hè -- en -- en er gebeuren toch nog wel es meer wonderen in de wereld. Ziet u, ik hield toch zooveel van de stakker, en ik wachtte altijd maar op die ééne dag in de maand, dat ik hem op kon gaan zoeken -- dat was 't eenige wat ik had. En nou is 't uit -- nou is 't uit -- -- en nou moet ik hem gaan begraven.

_Oompje._ Precies! -- dat had ik je willen vragen, jonge man -- hik!

_Cor._ Hou jij je er alsjeblieft buiten, leelijke zuiphannes! (_oompje keert hun zijn rug toe, en blijft op den stoel voor den ezel, zijn sik bestrijkend, de naaktfiguur bestudeeren_). Nou moet ik er morgenochtend heen, mijnheer Henri -- en als ik alles bij mekaar leg, dan kom ik nog een kleinigheid in de kosten te kort, ziet u. Als hij nou nog aan 't begin van de maand gestorven was -- maar zoo op 't eind, ziet u -- -- (_wat onrustig bij Henri's zwijgen_) maar ik zal 't u natuurlijk prompt terugbetalen -- dat vast hoor -- maar ik moet er heen! Ze hebben me vanmorgen pas bericht gestuurd -- en morgen wordt ie al begraven (_allengs met tranen in haar stem, zenuwachtig aan haar schort plukkend_). Ik heb de heele dag al mijn rouwgoed bij mekaar gezocht, en nog een hoed geleend van m'n nicht -- en de zenuwen vreten me op, hè, -- en dan hij er tusschendoor! (_met een knik naar oompje_) -- -- En ik moet toch een klein kransie voor 'm meenemen, hè -- het is de laatste maal, dat ik wat voor 'm doen kan -- -- en ik kan me kind toch niet zoo kaal laten gaan -- en z'n eigen moeder met niks er achter -- -- ik moet er heen! ik moet m'n kind gaan begraven! (_onder haar spreken is Henri's zuster door de half opengebleven deur binnengekomen, zonder dat de anderen haar dadelijk bemerken, zoodat zij 't laatste gedeelte van Cor's woorden heeft aangehoord_).

_Henri_ (_dien de heele geschiedenis blijkbaar nog wreveliger heeft gemaakt, in zijn zak tastend_). Ajasses -- dat vieze geld ook altijd! -- (_Marie ziende, voor zich heen_). Ah! -- daar heb je haar ook nog!

VIERDE TOONEEL

_De vorigen, Marie._

_Marie_ (_tot Cor, die zich verschrikt omwendt, terwijl oompje met een hik uit zijn kunstbeschouwing ontwaakt_). Neemt u me niet kwalijk, maar de deur stond aan, en ik hoorde u juist tegen mijn broer spreken, -- is er een -- kindje van u gestorven -- ?

_Cor._ Jawel juffrouw -- ik heb zoo juist een zwaar verlies geleden -- -- vanmorgen kreeg ik het bericht, dat mijn kind in het gesticht overleden was -- . Dat is hard voor een moeder, -- hij werd er goed verpleegd, ziet u -- daar niet van -- maar wanneer je zelf je kind niet bij je hebt en het sterft bij je vandaan -- dat is hard! Het was idioot, juffrouw -- het was van -- (_zij maakt een gebaar naar oompje_).

_Marie_ (_haar met wat afwerend medelijden in de rede vallend_). Ach -- , -- als ik u van dienst kan zijn -- ? (_zij biedt aan Cor een paar geldstukken uit haar beursje_). Ik had net uw vraag aan mijn broer gehoord en -- misschien komt het hem nu juist niet zoo gelegen...

_Henri._ God, wat dat betreft: als ik in dit bijzondere geval, dit -- dit treurige geval nog es helpen kan -- natuurlijk.

_Cor_ (_wat onthutst en gehaast om weg te komen_). Dank u zeer juffrouw -- ik dank u zeer. U begrijpt: het is voor me kind -- en voor de reis van morgen -- en-ne -- met het begin van de maand zal ik het prompt aan mijnheer voldoen, -- -- (_naar oompje_) kom ouwe!

_Oompje._ Wablief -- ! -- Ah, precies! (_hij komt met een onzeker loopje langs Henri, voor wien hij het penseel, dat hij nog in handen heeft, aan den neus legt_). Weet je wat jij bent, jongeheer -- ? jij bent een wij-wijsneus! In míjn tijd...

_Cor_ (_hem bij een mouw meetrekkend_). En hou jij je mond nou maar stijf dicht!

_Oompje_ (_de penseel in den pot mikkend_). Precies! -- (_voor Marie, na haar even met zijn bijziende oogjes te hebben opgenomen, met een paar stijve buiginkjes_). Aangenaam dame -- aangenaam -- hik!

_Cor_ (_in de deur tot Henri en Marie_). Och, neemt u het hem alsjeblieft maar niet kwalijk: hij is weer -- (_zij wijst met de vinger naar haar hoofd; tot Marie_). Ik dank u wel -- ik dank u wel vriendelijk -- ! (_af met oompje, die in het portaal weer zijn "Prins van Arcadië" aanheft_).

VIJFDE TOONEEL

_Henri, Marie._

_Marie_ (_verschrikt verwijtend_). Ik geloof -- dat die man -- niet goed wijs was -- !?

_Henri_ (_droog-af_). O: -- hij was dronken.

_Marie._ Wat zeg je? -- dronken!? -- -- Maar Henri, met wat voor menschen ga jij dan toch om? (_zij komt naar voren en gaat bij de tafel zitten, terwijl Henri den stoel voor den ezel neemt_).

_Henri._ Och -- : zoo nu en dan es dronken, hè.

_Marie_ (_verontwaardigd_). Nee! Henri, nee! -- -- O, dus wat ik dat mensch gegeven heb, zal ook wel naar de kroeg gaan?

_Henri_ (_lachend_). Wel nee! je dubbeltjes zullen deze keer wel goed besteed worden: -- ze had een idioot kind, dat buiten verpleegd werd, en nu gestorven schijnt -- -- maar goed ook.

_Marie._ Dat is toch wel zielig.

_Henri._ Er is zoo veel zielig. -- Maar jij had dat niet zoo ostentatief hoeven te geven, hoor: ik had ze 't ook wel voorgeschoten -- maar die menschen komen den laatsten tijd zoo dikwijls vragen.

_Marie._ "Ostentatief" -- ! (_als Henri zijn schouders ophaalt, wil ze uitvaren, maar zich het doel van haar komst herinnerend, houdt zij zich in; op anderen toon_). Nou maar je moet toch ook wat voor zulke menschen doen -- je moet toch voor elkander wat over hebben.

_Henri_ (_zich bij haar woorden herinnerend, waarvoor zij, na haar laatste bezoek, waarschijnlijk komt, licht spottend_). Oh -- -- wat dat aanbelangt -- .

_Marie_ (_zenuwachtig met haar parasol op den grond prikkend, weet niet goed hoe te beginnen, zij kijkt Henri even schuins onderzoekend aan -- dan, op de schilderij de voltooide tweede naaktfiguur bemerkend_). Ach -- heb je daar nog een nieuwe figuur bijgeschilderd! (_kijkend_). Ja -- ik heb je laatst ook al gezegd: ik vind, dat je tegenwoordig niet meer schildert met die beschaafde smaak van vroeger, -- (_kijkend_) nee -- die twee, dat is toch wel weer -- erg, dat is toch...

_Henri_ (_over zijn schouder omkijkend naar de schilderij_). Weet je wat: -- als het je hindert om er op te kijken, kom dan hier zitten.

_Marie_ (_even weifelend_). Ja -- eerlijk gezegd, vind ik dat wel een beetje -- hinderlijk. (_Henri biedt haar zijn stoel en zij verwisselen van plaats_).

_Henri._ Zoo -- zoo is 't beter -- -- je doet zoo heel goed tegen die achtergrond!

_Marie._ Och maak nu eens geen gekheid, -- ik kom voor ernstige dingen. Ik kwam nog eens praten over die logeerpartij -- .

_Henri._ Oh -- -- wat dat aanbelangt -- .

_Marie._ Wij kunnen het nu niet langer uitstellen: tante heeft gister geschreven of we decideerden, en je weet: -- het slagen van alles hangt voor een groot deel van jou af.

_Henri._ Ik vrees, dat ik niet zal kunnen.

_Marie._ Hoe bedoel je -- je gaat toch -- ?

_Henri._ Lieve zus: ik kan onmogelijk -- juist nù ónmògelijk.

_Marie._ Nee -- dat meen je niet -- ?

_Henri._ Het spijt me waarachtig, maar ik kan niet: ik ben aan dat ding (_naar de schilderij knikkend_) bezig, en 't komt er juist nu erg op aan. Ik ben afhankelijk van modellen -- modellen, die maar een enkele keer komen kunnen -- -- modellen, die -- enfin, -- en bovendien is dat heele plan van die logeerpartij, met die Arie en die Lientje, mij hoogst onsympathiek.

_Marie_ (_zenuwachtig geprikkeld_). Dat zal je ons toch niet aandoen -- ? Mama had zich er zooveel van voorgesteld, dat weet je -- en ik...

_Henri._ En ik zou ook volstrekt niet weten, waarom ik zoo noodzakelijk mee moet!

_Marie._ Dat weet je heel goed, dat heb ik je de vorige keer duidelijk genoeg gezegd -- dat is nu al veertien dagen geleden, en tante moest het vóór 't eind van de maand weten! Je weet heel goed, hoe tante op je gesteld is -- dat mocht je werkelijk wel meer apprecieeren -- en Lientje en Arie ook.

_Henri_ (_proestend_). Arie! Nee die is goed! Ik ken die vent eigenlijk geen eens -- en als ik hem kende -- -- dan zou ik hem liever niet kennen! -- En dàt zeg ik je nog eens: die plannetjes van jou met die doordraaier zijn mij, als je broer, hóógst onsympathiek!

_Marie_ (_fel_). Ach, wat weet jij daarvan! -- (_zich spijtig inhoudend voor een laatste poging_). Toe -- bedenk je nog eens, -- je bent nu misschien niet in een goede stemming...

_Henri_ (_nijdig_). Ik ben in een bèste stemming -- uitmúntende stemming! (_kalmer_). Maar zoo is 't nu eenmaal: ik kàn niet -- -- en ik wìl ook niet!

_Marie._ Je hebt dus niet dat kleine pleiziertje voor mama en mij over -- ? (_nog een moment weifelend, of Henri ook nog op zijn weigering terug zal komen -- dan, vóór hem staand_). Goed: blijf dan maar -- goed, doe jij dan maar wat je wilt, hoor: wij zullen 't ook wel zonder mijnheer de artiest kunnen stellen. Maar dat zeg ik je: die Arie, waar jij je een oordeel over aanmatigt, terwijl je hem niet eens goed kent, daar heb jij dan ook verder geen woord over mee te praten, of hij je sympathiek of niet sympathiek is -- begrijp je! En jij, die de zedemeester uithangt over anderen, jij, met je leventje hier, met die menschen en -- (_naar de schilderij knikkend_) die dingen -- jij mocht wel eens in de eerste plaats op je zelf letten!... (_er wordt geklopt, beiden zien verrast op_).

_Henri._ Binnen!

ZESDE TOONEEL

_Henri, Marie, Herman._

_Herman_ (_in zijn ouderwetsche pelerinejas bescheiden naar binnen draaiend, en bij het zien van Marie ietwat gegeneerd in de deur staan blijvend_). O -- als ik stoor -- ?

_Henri._ Nee, nee -- kom binnen, kom binnen! Mijn zuster was juist bezig afscheid te nemen: -- (_tot Marie_) mag ik je eens voorstellen: mijn vriend ten Kate -- mijn zuster.

_Marie_ (_even uit het veld geslagen, maakt een stijf buiginkje naar Herman; dan, met nog een laatste poging, halfluid tot Henri_). Dus -- ?

_Henri_ (_zijn hoofd schuddend_). Onmogelijk.

_Marie_ (_hem vinnig toefluisterend_). Weet je wat jij bent: -- je bent een egoïst -- dat ben je: een egoïst -- ! (_naar de deur gaande, tot Herman, die opzij treedt_). Pardon mijnheer, -- (_in de open deur tot Henri_) en je ziet me hier nooit meer terug! (_af_).

ZEVENDE TOONEEL

_Henri, Herman._

_Henri_ (_met opgeheven handen door 't atelier loopend, en zich wringend, alsof hij iets van zich af wil schudden_). Ah -- ! ah -- ! ah -- ! -- (_dan op eens tegenover Herman, die bij de deur is blijven staan, onrustig nieuwsgierig_) En-ne -- kom je zoo es oploopen -- ?

_Herman_ (_zich zenuwachtig met den rug van zijn hand over 't voorhoofd strijkend_). Nee -- .

_Henri._ Nee -- ?

_Herman._ Ik kwam -- ik kwam -- (_Henri aanziend_) ze heeft me gevraagd, een paar dingen van haar te halen, die hier nog waren -- .

_Henri._ "Ze" -- ? -- (_zij staan een oogenblik zwijgend tegenover elkaar, dan zet Henri, wiens stemming thans omslaat in een verbeten verdrietigheid, zich op de rustbank_). Oh -- -- zoo -- -- , oh -- zoo -- .

_Herman_ (_voorzichtig een los papiertje uit een oud zakboekje halend_). Ja -- ze had nog een en ander hier, hè: -- (_met aandacht lezend_). "Een bruine boa, -- een paar gestikte muilen, met kraaltjes er op, -- een grijze an-antoeka -- "?

_Henri._ Entoutcas.

_Herman._ Entoutcas -- ? -- wat is dat?

_Henri._ Een entoutcas is een parasol en een paraplu.

_Herman_ (_met een schuinen blik naar Henri, of deze hem niet voor den gek houdt_). O -- , nou: (_verder lezend_) "een antoeka, -- een hoed met blauw lint en rose ma-madeliefjes, -- -- en dan nog een groen broekje."

_Henri_ (_heeft met de ellebogen op zijn knieën en de handen onder zijn hoofd geluisterd, en draait zich nu naar Herman om, niet goed wetend hoe zich te houden, -- als hij deze ernstig ziet, neemt hij het geval in zijn stemming ook maar ernstig_). Tja -- -- , nou: die sloffen staan, geloof ik, daar in de hoek -- met die grijze parasol er bij, (_even spottend_) en de entoutcas en de paraplu en de parasol.

_Herman_ (_steekt de sloffen in den zak van zijn pelerine en neemt de entoutcas onder een arm_).

_Henri_ (_terwijl Herman bezig is_). Heb je nog iets van Frits gehoord?

_Herman._ Weet je dàt niet -- !? die is er met Tootje van door.

_Henri._ Wat zeg je -- !?

_Herman._ Ja, met Tootje; -- ze zeggen, dat ze op een snoepreisje naar Brussel zijn, -- al een week lang.

_Henri._ "Al een week lang?" -- nou dan zal hij wel gauw terugkomen; "naar Brussel"? -- echt voor Frits: zoo es artistiek stiekem uit.

_Herman._ Nou, ik vind Frits toch anders weinig artiest, hoor.

_Henri._ Dat moet je niet zeggen: -- zooals Frits leeft, dat is op zichzelf een kunst, man; (_bitter_) Frits "verstaat de kunst", de kunst van leven -- beter dan wij allemaal!

_Herman._ Nou ja, die kunst -- die verstaat zoo'n Tootje ook!

_Henri._ Juist! en daarom zal ze het waarschijnlijk heel wat verder brengen dan -- dan sommige anderen.

_Herman_ (_met een zucht zijn papiertje hernemend_). " -- Een bruine boa -- ".

_Henri._ "Bruine boa"? -- O ja: die hangt zeker in de kast. (_vanaf de rustbank, waarop hij zich uitstrekt, dirigeerend_). Daar: -- ja -- (_als Herman weifelt voor de kast_) ja, draai maar open.

_Herman_ (_haalt de boa uit de kast, en, niet wetend waar ze te laten, hangt hij haar om den hals over zijn pelerine; op het gesprek terugkomend_). Nou, Joop zei verleden van Frits: "die man past nou precies in deze tijd" -- maar ik zei hem: "een werkelijk groot artiest past in àlle tijden!"

_Henri._ "Is" van alle tijden! -- och ja, dat zeggen ze altijd, maar dat is juist niet waar. Zulke artiesten als Frits, diè heb je juist altijd gehad: die had je al in Egypte en Mesopotamië! Juist die "pasklaren" zijn van alle tijden: de knappe portrettisten -- -- en de modelletjes, die er van door gaan.

_Herman_ (_met een schuin oogje naar Henri zijn papiertje hernemend_). " -- Een hoed met blauw lint en rose madeliefjes".

_Henri._ O ja, die hoed -- die ligt, geloof ik, nog altijd boven op de kast (_als Herman tegen de kast opziet, van de rustbank af dirigeerend_). Ja, daar moet je een stoel bij halen.

_Herman_ (_sleept een stoel aan, en haalt met de entoutcas den hoed van de kast, terwijl Henri er naar ligt te kijken; hij beziet, op den stoel staande, den hoed met verheugde aandacht, blaast er omstandig slof van af, en klimt voorzichtig omlaag; weer naar voren komend_). Nou, maar die Jules past toch zeker niet voor alle tijden.

_Henri._ Nee -- die past eigenlijk heelemaal niet (_zuchtend_). Zoo heb je er meer, zoo heb je er altijd gehad: -- je hebt die altìjd passen, en je hebt die noòit passen.

_Herman._ Dat noemen ze de stille lichten.

_Henri._ De lichten onder de korenmaat.

_Herman._ Je weet toch zeker, dat hij op reis is?

_Henri._ Op reis -- ? -- Nee, -- ook al met een modelletje naar Brussel?

_Herman._ Nee: die is in z'n eentje naar Rome.

_Henri._ Wat -- ? naar Rome -- ?

_Herman._ "In z'n ééntje naar Rome".

_Henri._ Zoo -- ja; ach, eigenlijk verwondert me dat nou heelemaal niet. Voor die ultra-modernen is de moderne wereld nooit modern genoeg, en dan zoeken ze het per slot maar in een oude, in een gebruikte en versleten. -- Ach, dat zie je tegenwoordig immers op alle manieren: in kunst, in politiek, in godsdienst -- : is 't nieuwe versleten, dan poetsen ze 't oude nog maar eens op, -- nou en dat is ook dikwijls veel mooier! (_droog_). Daarom heb je ook zooveel antiquiteitenwinkels tegenwoordig: antiquiteiten worden ook weer nieuw: -- (_met zijn handen goochelend_) oud-nieuw -- nieuw-oud!

_Herman._ Ja, jij steekt er de draak maar mee.

_Henri._ Ach man, dat heb je in modes immers ook net zoo -- dat gaat altijd in een kringetje: groote hoeden, kleine hoeden -- groote rokken, kleine rokken -- groote broekjes, kleine broekjes -- -- nu dragen ze immers allemaal weer directoire-broekjes!

_Herman_ (_met een zucht zijn papiertje hernemend_) " -- Een groen broekje".

_Henri_ (_weer ernstig; glimlachend_). Tja -- dat ding, dat moet hier ook nog ergens rondslingeren (_zij kijken rond, tot Henri het achter een ezel bij Herman ziet_). O, daar! -- daar achter je!

_Herman_ (_het broekje over zijn arm nemend en aanstalten makend om te gaan_). Nou -- -- ajuus hoor.

_Henri_ (_hem naziend en bemerkend, hoe gek hij er met zijn last uitziet_). Hei -- ! -- je kan zoo toch niet over straat gaan! Wacht: ik zal je helpen. (_naast Herman neemt Henri nu een voor een de dingen van hem over, beziet ze een oogenblik, en helpt ze hem beter schikken: de sloffen in zijn zak, de entoutcas onder zijn arm, de boa om zijn hals met de jas er over heen dicht geknoopt, den hoed onder de pelerine; het broekje bekijkt hij langer, -- dan kijken ze elkander een moment aan -- waarop Henri hem het broekje geeft, terwijl beiden een anderen kant uitzien; Herman stopt het haastig samengefrommeld in een zak van zijn jas_).

_Herman_ (_die nu weg wil gaan_). Nou-e--

_Henri_ (_weifelend_). Zoo-e -- komt ze dus -- tegenwoordig weer bij je?

_Herman_ (_trots_). Ze kòmt niet bij me, maar ze ìs bij me.

_Henri._ Zoo -- ?

_Herman._ En ze blìjft bij me -- , (_als Henri hem vragend aanziet_) wij gaan trouwen.

_Henri_ (_half pijnlijk verrast, half spottend_). Trouwen -- !?

_Herman._ Ja -- is dat zoo gek?

_Henri._ "Gek" -- nee -- gek -- , maar-e, neem me niet kwalijk, maar -- hoe wil je haar dan onderhouden? Hoe moet jullie dan leven?

_Herman._ Nou, ik geef toch al vijf lessen in de week, -- en dan heb ik weer kans op een kopie -- en dan ben ik hard aan 't werk -- een nieuw stuk voor de expositie: wit! -- en grijs en blauw -- een nymf, als een droom in een bosch.

_Henri_ (_wil spottend uitvallen, maar Herman ziende, houdt hij zich in_). Zoo -- zoo--

_Herman_ (_trots op zijn herovering, en met goedige belangstelling van zijn kant, naar de schilderij gaande_). En jij bent ook weer bezig, zie ik -- een tweede figuur? (_kijkend_). Mooi werk, mooi werk, -- en dan die kop in het midden -- ook symbolisch, hè -- ?

_Henri_ (_knikt vaag en gaat weer op de rustbank zitten_).

_Herman._ Ja, je hebt het toen laatst uitgelegd -- : mooie gedachte (_hem voorzichtig op den schouder kloppend_). Weet je, wat jij eigenlijk bent -- ? (_weifelend_) -- jij bent een "idealist"!

_Henri_ (_ziet hem spottend vragend aan_).

_Herman._ Ja: een idealist, (_hij blijft nog even aarzelend staan, dan kijkt hij het papiertje nog eens door en knikt; dan, bij de deur zich nog even omkeerend en met de entoutcas waarschuwend opgeheven_). Zie je: -- de realiteit van het leven, dìe moet je niet vergeten -- ! -- (_als hij geen antwoord krijgt_). Nou -- ajuus!

Henri (_dof_). Ajuus. (_Herman af_).

ACHTSTE TOONEEL

_Henri, daarna Helena._

_Henri_ (_heeft zich, terwijl Herman de deur sloot, weer op de rustbank uitgestrekt en ziet hem nu als 't ware nog na, bij zichzelf, eerst lachend dan bijna snikkend, herhalend_) "idealist" -- "idealist" -- "idealist"! -- (_dan zet hij zich voor den ezel en ziet een poos aandachtig naar zijn werk, neemt een penseel op -- en legt het weer neer. Dan op eens, verschrikt zich den tijd herinnerend, ziet hij op zijn horloge, springt op en reddert gejaagd wat rond: hij brengt het eetgerei in het keukentje, verschuift wat stoelen en verschikt de bloemen. Daar het onderwijl is begonnen te schemeren, trekt hij het gordijn voor het glazen dak dicht, waarop het donker wordt en hij een paar lampen en een Joodschen kandelaar van den schoorsteenmantel aansteekt. Na een oogenblik nerveus de kamer op en neer te zijn geloopen, neemt hij den kandelaar op en beziet zichzelf in het spiegeltje aan den ezel. Er wordt duidelijk geklopt. Ontsteld brengt hij den kandelaar op den schoorsteenmantel, -- als voor de tweede maal geklopt wordt, keert hij zich naar de deur en roept onzeker_). Binnen!

_Helena_ (_in eenvoudig grijs tailor-made kostuum met reishoedje op en een klein tuiltje viooltjes in haar jacquet. Als Henri vol verwachting op haar toeloopt, schudt zij het hoofd, maar hij voorkomt haar eerste spreken; rad_).

_Henri._ O nee -- nee, nee, nog niet spreken: laat mij eerst spreken -- je mag niet iets besluiten, zonder dat we gesproken hebben, Helena! (_Helena komt intusschen naar voren en zet zich daarna weifelend op de rustbank_). Je hebt vanochtend gezegd, dat ik het gelaat niet direct naar jou moest schilderen -- maar dat wil ik ook niet: -- ik wil alleen dingen, die ik in jou zie, daarin brengen, begrijp je -- ik wil het met jou "bezielen", Helena, dàt is 't -- maar daarvoor heb ik jou toch noodig -- dat wil zeggen: ik kan toch geen liefde schilderen zonder -- -- die liefde, zonder -- , ach ik kan niet goed spreken -- een schilder kan niet spreken.

_Helena._ O, ik begrijp je heel goed -- ik weet hoe je voelt.

_Henri._ Nee, ik geloof niet, dat je weet, hoeveel ik voor jou voel!

_Helena._ En voor je kunst.

_Henri._ Ja -- natuurlijk, voor beiden, -- en beiden te vereenigen, is dat niet het hoogste?

_Helena_ (_weifelend verwijtend tot hem opziend_). Hoe kun je dan het gelaat begeerend zien, dat je als een ideaal boven alle werkelijkheid uit wilt schilderen?

_Henri_ (_even onthutst_). Dat kàn, dat kàn -- dat is juist het hoogste: de vereeniging van een kunstenaarsideaal met menschelijke liefde!

_Helena._ En denk je dan, dat dat ideaal niet zou wijken -- dat je het niet zelf zou dooden in je eigen handen -- ? een ideaal kun je niet grijpen.

_Henri_ (_naar de schilderij duidend_). Ik kan dàt ideaal niet schilderen, als ik het niet geproefd heb met mijn lippen, als het niet van mij is -- van mijn ziel en mijn hart!

_Helena_ (_voor zich heen_). Een kunstenaarsideaal moet kuisch zijn, en -- en ongrijpbaar.

_Henri._ Maar mijn God, wat wil je dan -- ik kan je toch niet liefhebben als een schim!

_Helena_ (_aanvallend_). Nee -- dat is het juist: je hebt me niet lief, al verbeel je je dat en begeer je mij -- je hebt je ideaal, je kunst lief -- en mij wil je gebruiken -- gebruiken alleen.

_Henri._ O -- hoe kun je dat zeggen! -- ik -- ìk, die alles voor je opgeofferd heb!

_Helena._ Opgeofferd -- ?

_Henri._ Nellie -- mijn zuster -- Herman -- !

_Helena._ Durf je zeggen, dat dat voor mìj was Henri?

_Henri._ En mijzelf dan! -- hoe heb ik mijzelf moeten verloochenen bij het schilderen -- om niets te laten blijken!

_Helena._ Dat was toch wel het minste, wat ik van je eischen mocht! -- en dat was mìjn opoffering: dat ik je oogen verdragen heb. O, ik wist, dat 't zoo komen moest -- en 't is goed, dat 't nu gekomen is -- daarom haastte ik zoo.

_Henri._ Wist je dan -- !?

_Helena_ (_glimlachend_). Och, ik geloof, dat een vrouw altijd eerder weet. Hoe vaak heb ik hier alles overdacht, als jij alleen mijn lichaam zag, maar het was altijd hetzelfde waar ik toe kwam: ik heb je alles gegeven, wat ik te geven had. En het mooiste, wat ik je nog geven kan: het gelaat -- de verbeelding, de bezieling daarvan -- dat kan ik je alleen waarachtig geven, door het andere niet te geven -- -- door heen te gaan, -- dat weet ik, dat voel ik.

_Henri._ Je kan me maar één groot ding geven -- je zelf, je hééle zelf!

_Helena._ Nee -- ik geloof van nee, -- het zou een vuur zijn, een... o! ik ken jou, en ik ken nu ook beter mij zelf: -- het zou een misstap zijn -- (_schamper_) dat noemen ze een "faux-pas".

_Henri._ Een "faux-pas" -- ! Ah, hoe kun je dat woord gebruiken! Een "faux-pas"! (_bitter_) O -- die zal jij nooit maken, Helena, een "faux-pas"! Dat maken alleen naïeve, onschuldige vrouwen, -- -- enkel dat woord bewijst, dat je nog conventioneel voelt!

_Helena._ Misschien; maar ik kan niet anders handelen, dan ik voel -- en dàt heb ik gevoeld. Ik moet, ik moet zoo doen -- om jouw bestwil en om...

_Henri._ Om mijn bestwil -- ? mijn!? -- maar wat heb je met mijn bestwil te maken! Ah ja -- de helft van jullie liefde is altijd een soort medelijden, of ijdelheid, of...