Part 2
„Da’s onzin. Je heb toch niet al die kerken voor niks?”
„Die zijn d’r nou eenmaal.... Da’s geen bewijs!.... Bewijs jij nou dàt-ie d’r is!”
Max keek bedenkelijk.
.... „Eerstens zegt oom ’t.... tweedens staat ’t in den bijbel.... derdens mot iemand ’t water en ’t land toch gemaakt hebben.... vierdens... Ach, wat ’n onzin!....”
„Ik zeg je,”—weer de nadruk op dat „ik”—„ik zeg je, dat ’r geen is. Wil je ’t lezen? ’k heb d’r ’n boekie over....”
„’n Boekie?”
„Stiekem van m’n ouwe weggenomen. Wil j’t lezen?”
„Jò, ik durf niet, as oom ’t merkt....”
.... „Jij met je oom! Da’s toch je pa niet. Zeg ik zal ’t je morgen geven en dat andere boekie over de kinderen ook.... je weet wel.” Hierna stak Aby een cigarette op, met dikke koonen rukkend den rook wegspuwend, zenuwachtig-haastig, niettegenstaande hij zich alle moeite gaf ’t lekker te vinden en ’n bedaard gezicht te trekken.
„Zouën vader en moeder dan niet in den hemel zijn?” vroeg Max na eenig stilzwijgen: „’k heb altijd geloofd da-ze bij God zijn...”
„Wel nee .... de hemel is enkel wolken.... as j’op ’t kerkhof komt, legt de heele boel in ’n kist. Vin jij dat ook niet griezelig, dat ze je zoo in den grond stoppen?....”
„’k Heb d’r nog nooit over gedacht....”
’t Ventje verviel in een droomerig nadenken, schuw opkijkend naar den blauwen hemel, die over ’t water welfde.
Diezelfde week werd oom zwaar ziek en stierf. ’t Eerste sterfbed, dat Max bijwoonde. Dat was een gruwelijke avond geweest; niet om ’t verdriet, maar om de aangrijpende realiteit van ’t oogenblik. Tante huilde, zuchtte, lamenteerde beneden, liefderijk omringd door een paar goedige, praatzieke vriendinnen. Boven lag ’t verdroogde manneke te reutelen. Wijd was de mond opengespannen, met eene schokkende, zenuwachtige trekking van de onderkaak. Kwijnend openden zich de oogleden, lieten ’t slijmerige wit der oogen doorschemeren. Bij ’t bed met kaarsen in de hand, stonden twee wakers, vuile, smerige kerels, wier neuzen drupten. En als de kaakbeweging ophield, een zwaardere reuteling door de werkstakende longen uitgestooten werd, bogen zich de vieze, vunzige mannetjes dichter over den zieke. Eens dachten ze, dat hij dood was, hield er een haastig de kaars voor den mond, maar de vlam flikkerde en telkens dreunden ze eentonig, zonder gevoel, als betaalde huurwezens, den Hebreeuwschen zang op, dien weer plotseling afbrekend, als ’t wegstervende, tanige stuk lichaam in ’t bed nog geluid deed hooren. Max keek met een wezenlooze ontzetting nu eens naar ’t vermagerde, hoekig gezicht op ’t kussen, dat er in zijn stuiptrekking afschuwelijk uitzag, dan naar de verlichte tronies van de doodshaviken. Toen kwam tante er bij; de verplegers veegden hun neuzen schoon met ’t vlak hunner zwarte, rimpelige handen, morsten kaarsvet op de dekens, keken nog nauwkeuriger met ’t licht in den mond van den stervende. Plotseling galmden ze luider, onafgebroken dompe klanken uitstootend: een opborrelende zucht, krakend, pijnlijk, klonk uit de dekens; sneller, heescher, matbrabbelend gonsde de lijkzang.... de kaars voor den verdroogden mond met de zwarte tandstompjes vlamde helder op, zonder afwijkingen.... Er lag een lijk.
Den volgenden dag was ’t een geloop en gedraaf door de gangen. ’s Avonds kwamen vrouwen ’t doodshemd naaien. Max zat er bij toe te kijken op een stoof. Half suf nam ’t kind alles in zich op, met verwilderde verwondering luisterend naar ’t gekakel van de babbelmenschjes. Telkens kreeg hij een koude rilling over den rug als een der vrouwen het linnen knarsend tusschen de nagels schuurde. ’t Plassend gefrommel van ’t witte, glanzende goed, ’t suizend scherpe gescheur vermengde zich met de beklagende gemeenpraatjes, de oprakeling van al ’t goede van den doode. Koffie, prikkelend van geur en dikke vettige koek gingen rond; de vingers pikten deftig bedaard en ’t licht in ’t hoekje, waar de knaap neerhurkte, werd regelmatig onderschept door de eentonige armbeweging van een der naaiende juffers.
Toen was ’t kind even opgestaan, in de gang geloopen om zijne loome slaperigheid te verdrijven. Juist werd de doodkist opgedragen. De leege doos gaf klotsende, holle stooten tegen de nauwe trap. En in pijnlijke nieuwsgierigheid was hij meegeloopen, stil sluipend naar boven. ’t Lijk werd gereinigd. Telkens glipte ’t beenige hoofd in willooze neerzakking omlaag. ’t Lichaam in zijn vellige magerheid, zijn kleurloosheid, ’t hoekige, gerimpelde gelaat—bijna onherkenbaar—gaven Max een gevoel van braking. Toch bleef hij toekijken met huiverende graagte, verschool zich half achter ’t bed om niet gezien te worden, hield den zakdoek stijf tegen den neus geperst, niet in te ademen die walgelijk zoete ontbindingslucht. Die gesloten, donker getinte oogleden, die groenig-witte onnatuurlijke kleur, die ontzenuwde machteloosheid van ’t heele lichaam, die harde gekromde vingers, met de groote nagels.... dat alles drukte ’t kind, dampte zijn hersens weg in een halve bewusteloosheid. Eerst toen ’t lijk in de kist gleed, de knieën hardhandig opgetrokken werden, omdat de beenen te lang waren; ’t harige hoofd op den houten bodem bonsde en het deksel onder naargeestig, kakkelend gebed, piepend opgeschroefd werd, klonk er een flauwe kreet achter ’t ledikant, was ’t kind ineengezakt. Groote tranen biggelden over ’t bleeke gezichtje, niet van verdriet.... van angst, afschuw, ontzetting, schrikkelijk doordringende vrees. Onhoorbaar snikkend, flitsten nevelgedachten door de moede hersentjes, doortrilde hem een koortshuivering, een groote angstgolf en in de wirwar van dompige vraagjes, van snel elkander verdringende pijnvleugjes, glipte en hamerde de twijfling door ’t hoofdje:.... „als.... als.... als d’r geen God is.... waar?.... waar? waar?....” En dien heelen nacht woelde hij in ’t bed, stond een keer op, keek uit ’t raam en plotseling met een kramp van ontzetting, dook hij weer onder de dekens, diep zich verbergend, stikkend van warmte, badend in ’t zweet, vloog nóg eens op, draaide met een wilden ruk de deur op slot, schoot onder de kussens, klappertandend, klam, ellendig.... en viel onbewust in slaap.
’s Morgens was de begrafenis. In de voorste koets met ’n paar bloedverwanten, werd ’t kind dommelend heen en weer geschud. De neergelaten, strakgespannen gordijntjes ritselden aan de zijden bandjes; langzaam voorwaarts schokte ’t voertuig. Alleen de gelijkmatige kleppering der hoeven drong met ’t rumoer van de straat door. Zoo sukkelde men naar ’t kerkhof. Op de zwarte draagbaar in ’t bidhuis kwam de kist te staan, al de volgers er omheen. Het deksel werd afgeschroefd. ’t Knaapje lei een zak met aarde onder ’t hoofd van ’t lijk. Gotogot! Gotogot!.... Die glibberige aaiing van de haren! Dat weeke, vochtige vel! Gotogot!.... Een oud, gebogen geestelijke sprak nu een gebed. Al de familieleden bromden er doorheen. Weg stierven de tonen in de holten van ’t bidhuis. En voort ging het. Alle bloedverwanten en vrienden droegen de baar uit ’t koude, vierkante portaal in de warme, zonnige volte van het in licht badende kerkhof. Heen tusschen al die opstaande zerken kroop de kleine stoet, schaduw afwerpend op ’t welig opschietend groen, opvangend den goddelijken weerschijn van den melkwitten, stralenden hemel; de laatste gang van de overblijfselen in die mooie natuur, dat licht, die opleving....
Langzaam zakte de doos, wiebelend aan de touwen, dat zand in fijne straaltjes afgleed. Een broer wierp snikkend drie schoppen aarde in de diepte. Klots.... klots.... klots. Bevend greep ook ’t kind de spade, schepte kortstootend op, halve schepjes, liet ’t mulle zand met een afgewend gezicht afglijden, driemaal ritselend, schuifelend, zacht als poeder. Toen wierp hij zich krampachtig, snikkend, alsof zijn ziel wou barsten, aan de borst van ’n neef....
’t Was afgeloopen.
Een week later werden de lessen op het gymnasium hervat. Inniger sloot Max zich bij zijn vriend aan en de twee knapen, in zoo verschillende richting opgevoed, konden avonden lang als volwassen menschen over de meest ondoorgrondelijke dingen met ’t grootste aplomb redeneeren.
Meestal dreef Aby zijn brutale meeningen door, want ’t besliste „ik zèg” maakte een grooten indruk op ’t nog weifelend karakter van den ander. En langzamerhand bleef Max uit de Synagoge weg! Oom was er niet meer om hem te bestraffen; tante—kwakkelend, ziekelijk na den dood van haar man—ging zelf niet meer naar de kerk. De stelling, dat er geen Opperwezen is, schoot dieper en dieper wortel, in ’t gemoed van den knaap. Eerst liet hij zijn middaggebed met zekere huivering na. ’t Eten bekwam hem even goed. Toen bad hij ’s avonds niet meer, voelde zich tóch angstig, alsof hij iets verkeerds deed. Ook dat ging over. Vrijdag en Zaterdag dreunde hij ’t Hebreeuwsch gebed op, om de ziekelijke vrouw niet te ergeren, deed ’t met een toonloos geluid, denkend aan schoolzaken of andere dingen. De jaren verliepen. Boeken werden verslonden. Multatuli had de plaats van een afgod in de harten van de twee vrienden veroverd. Ernstiger, meer ontwikkeld zochten ze als twee vroegrijpe menschjes, naar de oorzaak van alles. In ’t hart van Max nestelde zich onwillekeurig een vurige natuuraanbidding, ’t gevolg van de behoefte om een Iets—wat doet de naam er toe!—te vereeren, in zich om te dragen. Uren kon hij rondloopen buiten in de velden, in de bosschen, met stille, warme verrukking voor al ’t levende, aangegrepen door ’t onverklaarbaar schoone om hem heen. Uren kon hij kijken naar een eenvoudig bloempje, met een bekruiping van poëtische extase, met zinnelijk opgaan in ’t kleine vormpje, met heete popeling om ’n onbegrepen dank te uiten.
Na ’t Eindexamen mochten ze een reisje ondernemen, de eerste maal, dat ze de geboortestad verlieten. Na de terugkomst wachtte hen de ontgroening en de hoogeschool.
Uitgelaten van dol pleizier, twee geelbekkige vogeltjes, die voor ’t eerst uit ’t nest wippen, gingen ze heen, maakten een voetreisje door de Belgische Ardennen—’n bescheiden uitstapje, dat hun reusachtig toescheen—en ze genoten in een roes van genot, dubbel, omdat voor hen alles nieuw, frisch van bekoring, zuiver van indruk was.
Op een avond zaten ze aan den oever der Maas, in ’t stadje Namen. Van het terras eener sociëteit, heel in de verte, klonk droomerige, wegtokkelende, kirrendzachte muziek; slepende klanken, zoete melodieën, die opjubelden en straks weer als klaagtonen zwevend wegstierven.
Anders was ’t stil, heel stil, drukkend. Met een sterke strooming gleed de rivier, een dikke verzilverde draad, in stuwende, borrelende schuring langs de pijlers van een brug, waarvan alleen de sombre omtrekken en bleeke gloeipuntjes van lantaarns zichtbaar waren. Aan den hemel glansde de maan als een groot geel oog, licht uitstralend.
Op den anderen oever, hoog in de wolken, donker, brutaal lijnend haar massieve vormen, hief zich de citadel; een vette schaduw, een dikke zware prop in den nacht.
Sterren glimmerden hel, ernstige kijkertjes. Soms buitelde een golfje wit spattend uiteen tegen ’t graniet van de bedding. Soms ritselde ’t groen met een wrijvend geluidje.
Toen, heel eenvoudig, ’n spontane opwelling, fluisterde Max voor zich heen....: „Daar ìs ’n God....”
Op de academie toonde hij zich intelligent, maakte zich veel vrinden. Hier ontbolsterde hij heelemaal, toonde zijn eerlijk karakter, toonde zich dweper voor al ’t mooie, maar de vinnige bestrijder, de vurige vijand van alle konventie, van alle vormen. Sedert dien avond in Namen had hij begrepen, de ingeving van zijn hart volgend. Met zijn kalme philosophie deed hij nu dikwijls wonderen. Eens op ’n kamerjool, had een aangeschoten student hem voor „jood” uitgescholden. Max had geglimlacht, niets geantwoord. Den volgenden dag zocht hij den twistzoeker op:
„Zie je Karel, da-was ’n domheid van je, om dàt te zeggen. ’k Kan d’r niet kwaad om worden. Waarachtig niet! Wat is ’n jood?.... Och lieve God, ’t is zóo klein ’n mensch jood te noemen, vin je dat nou zelf niet? Wat is ’n jood, vraag ik?.... ’k Zou de heele wereld willen wakker schudden, dat vervloekte onderscheid willen breken! ’t Is zoo árm, jood of ketter of paap te zeggen, zoo voos, zoo misselijk! Dat ze niet voelen dat de zon an den hemel staat en de lucht d’r is voor allen! Jij vóélt dat ook!... Kerel, zie je wel, nou lach je zelf om die ui van gister”....
Soms schaterde hij ’t uit achter zijn krant. Die hem begrepen lachten mee. .... „De krant is weer ’n publieke kleingeestigheid.... Ha! Ha! Ha! Ha!.... kostelijk!” .... en hij las half verbitterd, half spottend heel gewone dingen voor: .... „Gevraagd een R. K. dienstmeisje.... Er biedt zich aan een klerk P. G.... De vereeniging tot ondersteuning van hulpbehoevende Protestantsche blinden.... Vergadering der Katholieke Kiesvereeniging.... De ondergeteekenden roepen de hulp in voor een Joodsch huisvader....”
De woelingen der kerkelijke partijen in de Kamers vond hij walgelijk. Hij zou de leiders van al die richtingen alleen maar willen vragen.... „Geloof j’an God?” .... niets meer. Als men—zijn rijkdom was bekend—bij hem kwam om geld voor de een of andere sekte, weigerde hij botweg. Liefdadigheid voor ’t algemeen was een zijner utopieën. Hij bezocht alle kerken, met steeds klimmende verbazing en belangstelling de menigte bestudeerend, die daar regelmatig, vol vormenijver, bijeenkwam; offerde nooit in de bussen; bad zelf nooit. .... „Ik dank elk oogenblik van den dag, zonder woorden, thuis.... of buiten, als de natuur in me dringt, of de kunst..... O de mooie, mooie kunst!....”
Als hij stierf wou hij niet op de Joden-begraafplaats. Neen, bij de anderen, op de Algemeene. Dat was een zijner stokpaardjes: .... „Vat je dat, dat al die kisten met beenderen in soorten liggen? Kun j’an ’n doodskop zien, wat voor vormendomheid in die kast woelde? Nou heb je joodsche, protestantsche, katholieke, mahomedaansche.... lijkwurmen, verbeel-je!.... En de planten op de graven zuigen de sappen en bloeien van liberale, christelijke, orthodoxe uitwasemingen! O die krankzinnige vooroordeelen....”
Bij kunstenaars was hij gezien, omdat hij zoo’n juist gevoel toonde en zelf mooie dingen schrijven kon. Eens maakte hij kennis met een knap musicus, die met zijn eigen godsdienst dweepte en hatelijk, onverdraagzaam was tegenover andere. Hij brak de kennis met dien man af:.... „Van gewone menschen begrijp ik veel. Bij ’n artist kan ’k geen kleinheid velen. Die moeten voelen wat ’n vorm beteekent, hoe laf die is tegenover God.... Die man is geen artist, die mist zuiver sentiment....”
„Mag ik je voorstellen? Mijn nichtje Dora.... m’n vriend Max Kremer....”
Ze bogen voor elkander. De neef liet ze alleen en met een diepe bewondering bleef Max voor ’t slanke meisje staan.
’t Was op een fancy-fair. Dora was bloemverkoopster. Ze zag er onschuldig, zonnig uit, lente-koninginnetje van ’t feest. ’t Was bijna voor ’t eerst, dat de jonge man een vrouw in baltoilet, in dat gracieuse, verleidelijke glinsterkleed zag. Die indruk drong in hem door, half-bedwelmend als de geur van een uitbottende roos. Zijn oogen rustten met zooveel schittering in de hare, dat ze verlegen werd en toch blij. Ze vond z’n oogen mooi.
Na afloop was er bal. Driemaal had Max’s naam in Dora’s boekje gestaan, driemaal hadden ze gedanst. Zoo’n dans.... de muziek hoor je, den vloer voel je niet. Lucht zuigt om je heen, koelte blazend tegen je warme hoofd. Moeheid merk je niet. Je hebt ’t meisje in je armen, houdt haar om ’t middel dat de stof van haar kleed één is met je handschoen en de handen rusten in elkaar, als electrisch gesmeed. Soms hijg je naar adem, soms druk je de warme gestalte tegen je an. Soms kijk je neer, ziet de donshaartjes wuiven in ’t blanke nekje, ziet de rozige oortjes trillen, soms ontmoet je elkaars blikken, half bevreemd dat j’elkander zoo innig omvat. Soms ben je alles vergeten, soest je geheugen weg, zwaai je, draag je, vlieg je voort als een wezenloos lichaam, toch met een huivering van geluk in je. Dan houdt de muziek op, wor je koud-wakker, brengt het meisje deftig terug en je voelt je beklemd als je voor haar staat, met een aandrang haar niet aan te zien of wonderlijk lang. Zoo’n dans....
„D’r ouwe is ’n kwaje! Jongens, da’s lang niet maklijk!”....
Dit was Karels bedenking, toen Max twee maanden later, plotseling bij hem binnenviel, hem kort en bondig vertelde, dat hij smoorlijk op Dora verliefd was en dolgraag bij Karels oom geïntroduceerd zou worden.
.... „Als ik openhartig met je spreek, Karel, wil ik ook ’n even rond antwoord. Wij hebben éen keer ’n kleine kwestie gehad, toen jij boven je theewater was.... Da’s al lang vergeten.... Zeg wil jij je moeite geven.... of.... heb j’r zelf iets tegen, dat ’n jood....”
.... „Bè-je mal kerel, nee! Je hebt me nou toch al beter leeren kennen! Laat dat maar rusten. Mijn zegen heb je, maar oom.... ’n Beste vent.... maar koppig als ’n stier, en die—je neemt ’t me niet kwalijk?—die kan joden niet luchten....”
„Da’s leelijk genoeg....”
„Zeg dat wel.”
„Zoo kerksch?”
„Nee da’s ’t woord niet. Hij komt er nooit... ’t Is ’n idée fixe van ’m.... Rassenhaat....”
„Dan mot ’r toch ’n bepaalde reden zijn!”
„Die is d’r ook. Een beroerde reden. Waarachtig, je kunt ’t ’m niet kwalijk nemen. Z’n ouwe heeft zich verdronken, toen die ’n klap kreeg van ’n bankier.... ’n jood.... die.... nou affijn daàr was ’n luchie an.... En ’n hoop schulden zijn d’r achtergebleven. Oom is in zaken ’n kraan van ’n vent, heeft zich d’r heelemaal bovenop gewerkt en alles van z’n ouwe afbetaald... ’k Wou dat mijn ouwe ’t eens voor mij deed....”
„Zeg, is d’r anders geen reden?”
„Nee.”
„Maar daar valt dan toch tegen te praten, hè?”
„Nou, ’k wil ’t probeeren, maar ’k zeg, d’r komt geen jood over z’n vloer.”
„’t Is treurig dat-ie ’n haat heeft tegen allen, omdat d’r éen....”
„Ja maar kerel, as je ouwe.... Da’s niet mis, da-vergeet je nooit!”
„’k Had al met Dora gesproken.”
„Natuurlijk „ja” gezegd, niet?”
„Natuurlijk? Waarom natuurlijk?”
„Wel zonder j’n compliment te maken, jij hebt ’n tong.... ’t Is ’n lieve meid.... As je d’r krijgt heb-ie wat an d’r....”
„Da-weet ik. As je wist....”
„’k Heb ’t al lang begrepen. Niet voor niks ben jij op al die concerten geweest.... Bè-je klaar voor je doktoraal, zeg?...”
„Volgende maand.”
„Boffert!”
„Da’s maar zoo, zoo.”
„Wablief? ’n Meisje om te stelen, geld as water! ’k Zie jou nog ’s in de Kamer!....”
„Ga zitten,” zei tante.
Max zette zich neer naast ’t oude vrouwtje, wier bandeau even ravenzwart glom als vroeger, wier vel alleen wat meer gerimpeld was. Tante had uit haar vroegere ziekte een hevige doofheid overgehouden, bediende zich nu van een hoorn. Ze kwam bijna niet meer van haar stoel af. Als ze uitging, reed ze. Een oude meid, Rika, nam het huishouden waar, was tevens de onmisbare raadgeefster in gevallen, dat tante gewichtige dingen in haar hoofd vermaalde. Neef Max was de afgod van ’t wegkwijnende vrouwtje. Als hij haar op kwam zoeken, schoot een glim van levensvreugde over ’t gegroefde gezicht, hingen de kleine blinkend-zwarte oogen aan zijn lippen. Ofschoon ze niet lezen kon, bewaarde ze zorgvuldig de kranten, waarin zijn naam voorkwam als hij examens gedaan had. Meestal wipte neef Vrijdagsavonds naar binnen, smeet zijn sigaar voor de deur weg, las het vrouwtje een stukje voor, hard in den hoorn schreeuwend, tot ze knorrend van pleizier, als een verwend, oud poesje in slaap dutte—’t instrument zachtjes in den schoot plofte—en ze met een trek van lekker genoegen bleef knikkebollen, tot de jonge man, luidruchtig geeuwend—haar uit ’t slaapje wakker schudde....
„Alles wel, tante?”
„Mot wat harder spreken, heb ’n kou gevat, versta niks vandaag....”
„Alles wel?”
„Ja, ja, ja! Je ziet d’r best uit.—Rika! Rika!.... ’t Gas stoomt!—Nee Max, jij niet!.... ’t is Sjabbes.... da-mag niet.... da-weet je wel!”
.... „’k Heb al zoo’n boel op m’n geweten, tante. Laat de meid maar in de keuken blijven. ’k Zal ’t wel neerdraaien....”
„Nee, nee! Da-wil ik niet.... Rika! Rika! Zoo ben je daar, kind.... Ach toe draai ’t gas wat neer, wil je?.... En dan de koffie.... ’k heb d’r geleerd kiks [1] te bakken. Da-mot je proeven.”
„Met pleizier.”
„Is d’r nieuws in de gemeente?”
„Dat zal u wel beter weten dan ik. Toch wilde ’k nog eens ernstig met u spreken, tante.”
„Wat zeg je? Harder! Wat spreek je toch zachies vandaag!”
„Tante je mot niet boos worden.”
.... „Ikke.... boos.... op jou?”
„Ik ga trouwen.”
„Soo, soo, soo!.... Wat zè-je daar! Dat doet me pleizier....”—ze vatte zijn hand: „jij bent zoo verstandig, da-je meisje wel goed mot wezen... da-verdien je.... Enne, enne... hier uit de stad?”
„Ja, tante.”
„Soo, soo, soo....” Een tintelende pret kwam over ’t ouwe gezichtje. Ze vergat heelemaal den naam te vragen, bij de gedachte dat ze ’t misschien nog halen zou, ’n kindje van haar neef „tante” of „groótmoe” of zoo iets te hooren zeggen: „Soo, soo, soo.... enne.... enne.... is ze mooi?”
„O God, as je d’r zag....”
„Enne, enne.... geld....?”
.... „Da-geloof ’k wel...., Da’s bijzaak!”
.... „Bijzaak.... Nee da’s geen bijzaak, da’s hoofdzaak.... Zoo is ’t goed,... heel goed.... Nou komp geld bij geld.... Waarom heb-ie d’r niet meegebrocht?”
„D’r zijn moeilijkheden tante.”
„Wa-zeg-ie? Harder! Harder!”
„D’r vader is d’r tegen. Versta-je?”
.... „D’r tegen?.... Is die man gek?.... Is die man gek? Tegen jou?.... Tegen jou?.... Hè-’k heelemaal den naam niet gevraagd!.... Is die man gek!”
.... „’t Is ’n christenmeisje, tante! Daar zit ’m de knoop!”
„Wat zè-je? Watte? Heb niet goed verstaan!”
„’t Is Dora Daanders! Daanders, de houthandelaar! Ken je toch wel tante?”
Langzaam gleed een intense verbazing over ’t gerimpeld gezichtje, een ongeloovige glimlach, een knipperen van de oogleden alsof ze de grap doorzag.
.... „Malle jongen! Een oud mensch voor de gek te houden! Wil-je nog ’n stuk kiks? Lekker is ze, hè?”
„Dank u! Tante, ’t is geen gekheid. Versta je me? ’k Vat wel da-je d’r tegen bent maar als je Dora zag, als je d’r hoorde....”
Tante’s kopje bibberde rinkelend tegen ’t bakje. Strak, met wijd geopende pupillen keek ze den neef aan. De onderkaak bewoog zich zenuwachtig, in een zoeken naar driftige woordjes.
.... „Jij? jij!.... De dochter van zoo’n haurik! [2] ... Jij overloopen naar de Gojjem [3].... Wat, wou jij dat doen?.... De zoon van ’n parnes! [4].... Adonoi! [5].... Mo’k dat beleven!”
„Tante win je nou niet op!”
„Wat zè-je?”
„’k Hou van d’r tante. Je weet da’k niks om ’n geloof maal.... Wor d’r nou niet boos om!....”
.... „Jij ’n gojje trouwen? Weet jij toch ook, hoe wij, arme Jidde [6], geleeje hebben! Hoe ze ons trappen!.... Mot je me dat op m’n ouwe dag andoen?.... Hoef jij hier niet meer te komme!.... Is ’t uit tusschen ons.... Uit!....”—Bevend was ze opgestaan en wees naar de deur:—„’k Hà-gedacht, da-je me blij wou maken... Als j’n gojje trouwt.... krijg je geen cent van me.... geen cent.... niet zooveel om ’n hemp van te koopen!....”
Met een gevoel van pijn keek de jonge man naar ’t driftige menschje. ’t Speet hem, dat ze ’t zich zóo aantrok. Toch gistte er langzaam een venijnige bitterheid in zijn hart. Vooral bij ’t laatste dreigement steeg hem ’t bloed naar ’t hoofd. Heftig sloeg hij met de vuist op de tafel, dat de kopjes kletterden. Maar hij werd zich weer meester, nam bedaard zijn hoed, schreeuwde in den hoorn, dat hij er nog eens over denken zou en ging snel heen.
Op straat barstte zijn verkropte spijt los. Met ’t ouwe mensch lag hij nu overhoop.
Met Dora’s vader was ’t gegaan, zooals Karel vermoed had. Grimmig had Daanders geweigerd Max te ontvangen. „Als je vriend ’n jood is, kun j’m thuis laten!” had het driftig geluid; en toen Karel over de goede hoedanigheden van zijn vriend had uitgeweid, over zijn knapheid, zijn rijkdom, was het antwoord geweest: „Ja, ja, dat ken ’k allemaal. Maar al was ie ’n prins, joden wil ’k niet over m’n vloer. Basta.”