Part 1
’N JODENSTREEK?
DOOR HERM. HEIJERMANS Jr.
TWEEDE DRUK
AMSTERDAM H. J. W. BECHT 1904
’N JODENSTREEK?
I.
Donderdag te Rotterdam. In de steeg voor ’t Stadhuis een oppropping van sleeperswagens, boerenkarretjes, trouwkoetsen. De ruwe, bruine kerels op de wiebelende bokken der lage, plompe voertuigen rukken nijdig-vloekend, aan de teugels, dat de bekken der paarden in rimpelige krullen naar achteren dreigen te barsten.
Een boer, de groote voeten in klompen, waaruit stekelig-harde hooibossen opschieten, schreeuwt met hoogrood, bol gezicht en kwaadaardige, kantige gebaren, tegen een viezen slagersjongen, die met z’n bloederigen handwagen in de klit verward zit. Angstig loerend, kijkt de koetsier van de helderblinkende trouwkoets opzij, vol vrees aangereden te worden. Nieuwsgierigen luieren op de stoepen aan de overzij, kijken lachend toe bij ’t lawaai. Nu mengt zich een agent in de volte. Kalm de driftige uiteenzettingen van een half dozijn stemmen aanhoorend, geeft hij korte bevelen, pakt de teugels van ’t voorste beest aan; een klein gesteiger, geknars van hoeven, geschrap over de keien, een aanzetten van den voerman: het kluwen wikkelt zich dreunend, vloekend, schor-gillend af en de menigte, teleurgesteld in haar belustheid op ongelukken en vechtpartijen, kruipt en dringt nu weer om den ingang van ’t stadhuis. De bruiloftskoetsier herneemt z’n deftig-stijve houding, de zweep steil naar boven gestoken, ’t dikke uiteinde rustend in de zij. Een onoogelijke dot gele bloemen hangt op zijn borst. Aan de kopstellen der paarden slingeren lintjes, veelkleurig, vastgehouden door bonte rosetjes.
Al de nieuwsgierige hoofden en de kastjes met trouwberichten aan de deurposten, spiegelen zich in dwaze, dik-uitpuilende glimvormen in de blinkende wanden en glinsterende, gebogen ruiten der koets. Van de treeplank is de palfrenier gesprongen—kleiner lijkend onder zijn hoogen, wijdrandschen hoed—en houdt den knop van de koetsdeur met zijn grove hand vast. Dikke plooien en rimpels van den te grooten wit-gelen, beduimelden handschoen liggen ’r om heen. Op de stoep voor den ingang staat een agent met vergrijsde, zilveren haren.
Daar openen zich de binnendeuren. ’t Midden houdend van den breeden looper, vertoont zich het bruidspaar, gevolgd door de getuigen. Van achteren komt er gisting in de menigte, men dringt nieuwsgierig op. Bijna rakelings gaan bruid en bruigom voorbij, hinderlijk aangekeken. De ouderwetsche juffrouw van ’t stadhuis houdt den sleep op. De jonge vrouw stijgt in, bleek, met vochtige oogen. De jonge man volgt. Als hij bukt om in te stappen, stoot hij in de zenuwachtige haast van ’t oogenblik, zijn hoogen hoed tegen den bovenrand der koets, dat er een deuk in komt. Een straatjongen lacht hardop. Een ander roept ginnegappend, terwijl de deur dichtvalt: „Nah, ’t is maar ’n jodenhoed!...” en de menigte giegelt.
De palfrenier is intusschen op de treeplank gesprongen, houdt zich waggelend aan de roode koorden vast; de koets zet zich in beweging, ratelt snel weg door de drukke, rumoerige straten.
In de kleine, warme, zwaar-gevoerde ruimte van ’t voertuigje zitten ze naast elkander. Geen woord wordt er gesproken. Beiden zijn te vol van de plechtige stemming van ’t oogenblik. Het reutelend gehamer van de wielen over de oneffen keien, het gegons van de dreunende koets, het gerinkel en geklapper der ruiten, het voorbijschieten der schimmen van voorbijgangers, is als een bedwelmende roes om hen heen. Alleen heeft zijn hand de hare gevonden in ’t geglibber van ’t satijnen kleed; door de handschoenen deelt zich een uitstralende warmte mede. Een zachte druk, telkens herhaald en beantwoord, geeft hun ’t weldadig juichend gevoel, dat ze elkander toebehooren, dat ze jong zijn, levenslustig, dat éénzelfde gloed van liefde in hen optrilt.... dat ze ’t doel bereikt hebben. Mollig zit zij in ’t rugkussen weggedoken, in de deinende schokking van ’t rijtuig op en neer gewiegd, zich overgevend aan de elastische schommeling, die een weelderig gevoel van bevrediging over haar brengt. En toch....
Hij tuurt naar de ruitjes van ’t vloerkleedje, telt ze, ziet ze op en neer huppelen naast zijn glimmende laarzen; nu en dan ziet hij de huizen wegdwarrelen in een radde opeenvolging van lijntjes en kleurtjes, en al maar door voelt hij de warmte van haar kleine handje, poezelig weggedoken, rustend in de zijne. Tegen ’t eind van den rit ontwaken ze. Hij kijkt haar aan met een langen passie-vollen blik, drukt de kleine hand hartstochtelijk en fluistert heel zacht alleen haar naam. In dat „Dora!”.... ligt alles besloten, een wereld, een lijdensgeschiedenis.
II.
„D’r komt niks van in! Zet ’t gerust uit je hoofd!”
„Vader ’k hou van ’m. ’k Geef d’r niks om, dat-ie ’n jood is. Wees er nou niet tegen....”
„Laten we over wat anders spreken, hè? ’k Hou niet van die onderwerpen.... Een jood.... ’n jood!....”
„’t Is ’n nette jongen. Wat kan ’t u schelen, als ’k ’m hébben wil?....”
„Jij ’m hebben wil? Maar ik wil ’m niet, versta je? Ben jij die geschiedenis van je grootvader vergeten, zeg? Ik niet, nooit! Maak m’n bloed niet an ’t koken. ’t Gebeurt niet! Basta en geen woord meer!”
„Nee vader. ’k Wil spreken. ’k Ben geen kind meer.... Grootvader had net zoo goed door ’n ander bedrogen kunnen worden.... Als je niet „ja” zegt, wacht ’k tot ’k meerderjarig ben....”
„Dat zul je niet!”
„Dat zal ik wèl!”
„Dat zul je niet!”
Dreigend bleven ze tegenover elkander staan. Een pijnlijke pauze.
„Vader wor nou niet driftig.... Wil je me dood maken?...”
Langzaam begon ze te schreien. Opgewonden liep hij op en neer, bleef toen voor haar staan, de handen diep in de broekzakken begraven. Hakkelend kwamen de woorden uit zijn mond in ongeduldig tempo.
.... „Jij wou ’n jood trouwen, jij! Al was dat nooit met m’n vader gebeurd, most je voelen, most je voelen, zeg ik, dat ’n Christenvrouw zich zóo niet vergooit!... Weet jij wat joden zijn? Een vreemd ras, schacheraars, afzetters, bloedzuigers, ’n volk van dieven! Al d’r streken hebben ze meegebracht. Die raken ze nooit kwijt! Joden zijn.... zijn.... Maak me niet dol! Een smous heeft m’n vader geruïneerd!... Laat-ie d’r een nemen van z’n eigen ras met een hobbelneus! Wou jij op z’n „Sjabbes” met ’m wandelen op ’t Blaakie? Nooit! Verdomd nooit!...”,—en de vuist kwam met een bonzenden slag op de tafel neer.
„Je kunt niet an ’m zien dat-ie ’t is. Hij is beschaafder dan....”
„Hou maar op! Hou op! ’k ken die kunsten! Spekulatie op je centen. D’r komt niks van in....”
„Geen spekulatie vader. Hij ’s zelf rijk, heel rijk...”
„Huil nou maar niet verder.... Meisjesgrillen! Overmorgen bè-je ’t vergeten, lach j’r zelf om.... ’k Zal je moeder bij je sturen.... Nou, lach-ie weer?....”
Ze lachte niet, sprak ook niet verder tegen.
De moeder, een bekrompen, spichtig vrouwtje, stoof kort daarna binnen. ’t Was Dora’s stiefmoeder. De eerste vrouw was lang dood, begraven, vergeten. In ’t kleine hoofd der tweede moeder leefden drie genegenheden: haar kerk, haar man, haar stiefdochter. De eerste vervulde haar iederen Zondag met een gedweeë tevredenheid, met een stemming om iedereen goed te doen. Ze was een onbeduidend zieltje, voor geen passie vatbaar, niet in staat een groote fout te begaan, een door en door fatsoenlijk menschje. Haar geloof vereenzelvigde ze met God, God met de vormen. In niets kende ze overdrijving. Alles ging bij haar in een gemakkelijke, burgerlijke regelmaat, in een leeg, welbehagelijk voortleven, in een ontginnen van kleine genotjes. Als er geen kerk geweest was, had ze misschien nooit gebeden. Haar verstand klampte zich vast aan wat ze als kind geleerd had. Om andere meeningen glimlachte ze goedig, zonder boosheid. Wat ze niet begreep, veroordeelde ze, zonder heftigheid. Ze was een willoos, in de vormpjes gekneed vrouwtje, bescheiden weldoend, uren doorbabbelend over nietigheden met een geduldige bedrijvigheid. Den man, die haar genomen had met koel verstandig overleg, om een huishoudster, een verpleegster voor zijn dochtertje te hebben, aanbad ze—voor zoover haar bedaard wezen dat kon—met de dankbare onderworpenheid van een hond. Hij beheerschte haar. Zijn grove wil, zijn opvliegendheid, zijn harde stem biologeerden ’t schuchter menschje. Nooit had ze zich tegen hem verzet. Als hij thuis kwam van zijn zaken en zijn laarzen krakend door de gang klonken, keek ze naar de deur tot hij binnenkwam. Voor ’t achtjarig dochtertje was ze eerst bang geweest, had ’t vertroeteld, verwend, om ’t aan zich te hechten: was er heelemaal van gaan houden, toen ze zelf geen kinderen kreeg. De warmte, om een schepseltje van eigen vleesch en bloed te koesteren en te verkneuteren—de behoefte van elke vrouw—had ze overgedragen op ’t vreemde kind. Dora had nooit de eerste moeder gemist. Tusschen stiefmoeder en dochter heerschte de eigenaardige verhouding, die van zelf volgt, als ’t kind meer ontwikkeld is en daardoor eene zekere meerderheid verkregen heeft. Dora’s raad werd bij alles gevraagd. Ze moest beslissen tot zelfs in kleinigheden. Ze vertegenwoordigde den wil in ’t zwakke karakter der stiefmoeder. Zelfs had de driftigheid, die ze van haar vader erfde, nog nooit tot botsingen met ’t goedig menschje aanleiding gegeven.
„Dora, kind, wat hoor ik daar!.... Heb jij je zinnen op ’n jood gezet.... Hoe kom je dàar nu toe?....”
Die laatste vraag drukte de heele wereld van verbazing uit, die er in ’t kleine hoofdje woelde.
„Ik hou van ’m, da’s alles....”
„Zie je kindlief, dat komt er van, als de menschen niet naar de kerk gaan.... Wel! Wel! Vader wil ’r niets van weten. Da-kon je ook wel begrijpen. En hij heeft groot gelijk. ’t Is heel ongodsdienstig met iemand van ander geloof te trouwen....”
„’k Hou van ’m....”
„Ja maar....”
....„Als vader ’n jood was geweest, had j’m dan genomen?....”
....„Da’s gekkepraat.... da-was die niet....”
„’n Jood is toch óók ’n mensch....”
„Jawel, jawel....”
„’k Neem ’m..... ’k zal wachten!”
„Kind je bent anders zoo verstandig. Verzet je nou niet tegen je vader.... Daar rust geen zegen op.... Dat staat geschreven.... Je weet toch hoe driftig hij is...”
„Da-weet ik.... Maar ’k heb a gezegd en zal ook b zeggen. ’k Hou m’n woord. Dat staat vast bij me. As je goed denkt te handelen, mot je dan niet doorzetten?”
„Maar ’t is juist heelemaal verkeerd, kind. Zeker, d’r zijn wel goeje jodenmenschen, zeker, maar dat ze Christus....”
„Da-kan me niks schelen! De katholieken hebben de protestanten wel verbrand.... ’t Is toch allemaal zoo dom!.... Wat is nou ’n geloof, zei Max....”
„Zei-die dat? Nee da’s niet mooi.... Zoo iets mag je niet zeggen....”
„Weet je moeder wat-ie me gezegd heeft, toen die me vroeg? ’k Hou van je.... ’k geloof dat je net als ik denk of zult leeren denken over ’n vormendienst. Wil je me hebben?.... Toen heb ik ja gezegd, ’k Heb beloofd nooit over godsdienst te spreken.... Protestant wor’k niet, zei hij nog: as je me neemt, ben ik geen jood, jij geen christin, dan zijn we twee menschen. Jij gelooft an God, ik ook. Als we willen bidden, doen we ’t samen, thuis of buiten... Dat von ’k mooi. Dat heeft me gepakt. ’k Heb ja, ja gezegd. Vin-je dat nou niet natuurlijk moeder, dat twee, die van elkander houën, elkander nemen....?”
Uit den grauwen nevel van een verdroomde jeugd dampen in Max’s herinnering de opgedrongen, eentonige avonden door, waarin men hem ’t geloof zijner vaderen, als het gewichtigst beginsel met taai geduld ingoot. Vroeg waren de ouders gestorven. De oom, een tanig, geel-verdroogd manneke, had den rijken pupil opgevoed. Uit dien eersten tijd van onbegrepen levens-aspiratiën herinnert de jonge man zich flauw, hoe elke week een legio vormen-festiviteiten met zich meebracht. Dan zat hij naast de ouderwetsche, gerimpelde tante, wier gelaatskleur vreemd afstak tegen ’t zwart-glinsterende van haar gladgestreken bandeau. Oom had een fluweelen kalotje op; hijzelf zijn schoolpet. Dan dreunde hij uit ’t gebedenboek een stuk Hebreeuwsch, dat hij niet begreep, waarvan de klanken zóó door hem van buiten geleerd waren, dat hij de grillige letters nauwelijks spelde. Tante prevelde mee met een snelle trilling der dunne lippen. Oom galmde er tusschen door, dreunend met een sterk nasaal geluid, soms zalverig zingend. Dan werd het brood gedeeld, eerst gedoopt in ’t zout, en de mooie zilveren beker, gevuld met zuren wijn, ging rond van mond tot mond. Eerst oom een matig slokje; tante vond ’t lekker, slurpte de grootste helft op; Max ’t drabbig restantje. Volgde de vervelende, lange Vrijdag-avond met ’t frissche, witte tafelkleed op tafel. Oom snurkte op de sofa, tante dutte in op haar stoel, met een regelmatige knipping van haar dunnen nek; en als ze wakker werden, moest ’t kind naar bed. ’s Zaterdags mocht hij niet naar school. De eerste gang in Zondagskleeren was naar de Synagoog. Daar sufte ’t kind op de houten bank naast oom, die in een wiebelende heupbeweging de oefening volgde. Tante zat op de gaanderij, boven, onzichtbaar. ’s Middags werd er gewandeld, met kalme, afgemeten slenterpasjes en als ’t middagmaal—opgewarmd eten van den vorigen dag—op tafel stond, besloot een meegebromd gebed den zeurigen rustdag. Dat herhaalde zich elke week, monotoon, altijd ’tzelfde, behalve op buitengewone feestdagen. ’t Kind soesde, begreep ’t niet.
Toen kwam een meester, die hem op moest leiden voor de kerkelijke aanneming. Ja, die leeft frisch op in Max’s geest, ’t Was een oud, eerwaardig mannetje, vol tabakslucht, vol snuif. Een grijze ringbaard hing stoppelig verward over kin en wangen, bedekte even ’t groezelig overhemd; kleine, sluwe oogjes schitterden onder langharige wenkbrauwen. En de knaap volgde met gretige, warme belangstelling de verhalen, de lijdensgeschiedenis van ’t joodsche volk in Egypte. Dàt vatte hij. Dan hing hij aan de lippen van den verteller, met een gevoel van trots in zich, had wel duizend jaren willen terugleven, om mee te strijden met ’t vervolgde, mishandelde ras, een hunner helden te zijn. Maar het vertalen van ’t Hebreeuwsch, het volgen van ’t gebedenboek was hem een marteling. De oude leeraar deed ’t voor, geduldig. ’t Kind had meer aandacht voor den grooten neus over hem, een neus vol snuif, als ’n vuile kachelpijp. Soms klonk er van de kinderlippen de eenvoudige vraag.... „Maar, wàarom, wàarom, meester, moeten we joodsch bidden?... Verstaat God geen Hollandsch?....” ’t Antwoord was vaag, glimlachend-wijs. ’t Kind begreep ’t niet.
De aanneming liep schitterend af. Het dertienjarig knaapje galmde een stuk gebed, de bloedverwanten gaven cadeau’s, vonden dat ’t ventje zoo’n zuivere uitspraak had. Max kreeg een lange broek aan, een rond hoedje op, een horloge op zak. Hij was jood geworden.
Den eerstvolgenden „Groote Verzoendag”—dag der dagen—moest hij vasten, dat spreekt vanzelf. Dien dag vergeet hij nooit. Om zeven uur ’s morgens was hij met oom al naar de kerk gegaan. Tegen één uur ’s middags had ’t kind zich ziek, ellendig gevoeld van honger. Een drukkende warmte, een mengsel van alle uitwasemingen hing in ’t kleine, mat-verlichte gebouw. De voorganger vulde de ruimte met zijn week, slepend geluid. Nu en dan verhief zich een golf van schreeuwende tumulten, wilde uitroepen, korte fanatieke, meegebrauwde kreten. Zwarte, bewegelijke lichamen, bedekt met slordig-geknoopte, witte of blauw-gekleurde doeken, gonsden, bewogen zich druk, galmden brommend. Enkelen waren ingeslapen, bedwelmd door de vunzige, dikke atmosfeer. Anderen keken sufferig voor zich neer. Sommigen lachten, fluisterden geestigheden, hadden ’t over lekker eten. Op ’t podium, omwalmd door rood-flikkerende kaarsen, lag de rabbijn, gebogen over den bidstoel.
’t Kind zat koortsig, kregelig op de bank. Zijn maag brandde, gaf hem een razend verlangen naar eten. Langzaam kroop in ’t jeugdig hart een morrend, bitter verzet, een groote weerbarstigheid tegen dien God, dien men aanriep en aanbad, dien God, die hem tranen van honger naar de oogen dreef. In een stillen opstand begon de knaap opzettelijk, langdurig, met een boosaardige graagte te denken over wat hij ’t liefst nu zou eten.... gestoofde snoek.... peentjes.... eendebout... roomtaartjes.... gekookte eieren.... pekelvleesch.... zóólang, tot hij ’t hartwater kreeg en naar buiten moest om door een hapje frissche lucht wat te bedaren. Toen liep hij de straat uit. Op een hoop koopmansgoederen zat een werkman—’t was juist schafttijd—een roodaarden pot met groente en aardappelen te leêgen. De vrouw keek er bij toe. Iedere schep van de vork bracht een dampenden hap naar den gapenden mond, terwijl ’t vet, in kleine bolletjes, plassend in den pot terugdroop. De man bleef even rusten; hij kon niet meer. Verder liep ’t kind. Nog nooit had hij zoo’n honger gehad. Hij geeuwde er van. En voor ’t eerst deed hij zich zelf vragen, ingegeven door de krampachtige luchtborreling in zijn maag, door het gevoel van zwakte, de verbreking zijner veerkracht. Uit een kelder dampte de prikkelende lucht van gebraden uien, een geurige walm. Toen kwam ’t kind onwillekeurig te staan voor een fruitwagen op den hoek eener dwarsstraat; manden vol splijtende, langlijvige pruimen; sappige, malsche peren; blozende, bolle appelen. In ’t kleine beursje waren twee centen. Angstig, schuw, met een intense vrees voor God die ’t zag kocht hij drie appelen. Aan den waterkant verborgen achter kisten en vaten, werden ze verslonden. ’t Sloeg twee uur. ’t Rauwe goed stilde den eersten aandrang tot eten en toen ’t laatste klokhuis, groote, huppelende, wijd-uitloopende kringen op ’t watervlak tooverend, verdwenen was, kon ’t den knaap niets meer schelen of God boos was, of er straf zou volgen.
Datzelfde jaar kwam hij op ’t gymnasium, mocht den Zaterdag verzuimen. Daar kreeg hij zijn eersten vriend, den zoon van een advokaat. Weer herinnert zich Max hoe ze in ’t begin getwist hebben. De jonge vriend was nog nooit in de Synagoog geweest, rookte Zaterdags, kende geen woord Hebreeuwsch, was ’n vroegrijp ventje.
„Gelooven ze bij jullie thuis an die malligheid?,” had Aby gevraagd.
„Zeker! Wie gelooft daar nou niet an?”
„O jee, wat zijn jullie toch stom! Pa zegt, dat jouw oom ’n bijgeloovige huichelaar is.”
„Zoo, dan’s jouw pa gek!”
Dit argument had Aby beantwoord—’t gesprek werd zachtjes gevoerd, terwijl de Latijnsche leeraar op het bord stond te schrijven—door onder de schoolbank een geniepigen trap tegen Max’s scheen te geven. Het slachtoffer had geschreeuwd, met ’t gevolg dat de onderwijzer wou weten wat er gebeurde. Max wou niets verraden, kreeg een uur schoolblijven.
’s Avonds wachtte Aby hem op.
„Da-was heel mooi, om niet te klikken,” zei hij met warm enthousiasme: „Hou je nou maar of ik je dien trap niet gegeven heb. Wil je?”
„’t Was gemeen om ’t zoo stiekem te doen!”
„Dan most jij ook maar niet zeggen, dat mijn pa gek is!”
„Dan most jouw pa mijn oom niet uitschelden...”
„Da’s mijn schuld niet. Wil je rooken, zeg?”
„Nee ’k rook niet!”
„Kan je ’t niet, hè?”
„Kunnen.... D’r is wat an! Oom wil ’t niet hebben!”
„Wat ben jij nog ’n flauwe! Jasses!.... Zeg, ziet ’t d’r mooi uit in jullie kerk?
„Mot je maar ’s kommen kijken.”
„Laten ze je zoo maar binnen?”
„Nee, die ’s goed. Jij bent toch ook ’n jood!”
Aby trok een diepzinnig gezicht.
.... „’k Mot ’t toch ook eens zien.... Pa zegt, dat ze ons niet binnenlaten, omdat we spek eten...”
„Spek?.... Durven jullie.... Dat zou ’k niet lusten.”
„Dien, de keukenmeid, bakt spekpannekoeken, zoo-as de koning ze niet beter krijgt. Zulke dikke! Wil ik ’s een stukkie voor je meebrengen?”
..... „’k Lus ’t niet!”
„As je ’t eerst maar proeft.”
„Oom zegt, dat d’r altijd beesten in zitten.”
„Bè-je nou gek!”
.... „’n Varken is ’n vies, vuil dier.”
„Nou, ik zal ’s ’n stuk van ’n pannekoek voor je meebrengen....”
Een paar dagen later had Aby tusschen zijn schoolboeken in een grauw papier een reep weggemoffeld. Onder schooltijd schoof hij ’t zijn vrind toe. Maar ’t rook zoo zuur en ’t zag er zoo tranig uit, dat Max ’t maar stilletjes onder de bank liet glijden. Toch vond hij dat zoo’n merkwaardig bewijs van vriendschap, dat hij na die spekpannekoeken-gebeurtenis zich heel nauw bij Aby aansloot en zijn vrije middagen met den jeugdigen liberaal doorbracht.
Op een mooien Woensdag-namiddag waren ze gaan roeien. Aby’s ouders wisten er niets van en Max had vergeten permissie te vragen. Op den plas dreven ze in ’t langwerpig bakje. Aby doopte zijn handen telkens in ’t water, een volgens hem uitstekend middel, om de blaren, door de spanen gevormd, te genezen. Max blies met een wanhopig gezicht tegen de zijne om de pijn te verminderen. Uit vermoeidheid bleven de kinderen drijven.
....„Roeien is heerlijk.... heerlijk!” had Max huichelachtig verklaard; zijn goed dreef van ’t water, waarmee de roeier Aby hem bespat had en z’n handen gloeiden, alsof ze geroosterd waren. „Ja,” was het geestdrift-volle antwoord: „maar ’t zijn beroerde spanen, ze deugen geen cent....”
Daarop waren ze aan ’t droomen geraakt. In een zachte, klotsende trilling kabbelde ’t water tegen het bootje. Zilverrimpeltjes en lichtplasjes omstraalden en omstuwden de golfjes. Een blinken, klateren, schateren van licht; een krioelend gespeel van vroolijke tintjes, dartelende schitterplekjes, brutale glim-figuurtjes, tooverden een schetterenden, bewegelijken reuzenspiegel, waarin de randen van ’t bootje in waggelende grilvormen knikkebollend kaatsten. Ritselend, met suizend geknap bogen de biezen aan de oevers in veerkrachtige, wuivende opwipping; rood-fluweelen koppen van duikelaars knikten loom en vervelend. Heel in de verte kartelden de scherpe omtrekken van den dorpstoren tegen de hard-blauwe lucht, als uitgeknipt in den hemel. In een mijmerende, weeke overgeving lag ’t landschap. Een nerveuze loomheid gleed over het water....
„Waar denk je an?” vroeg Aby op eens, zelf uit zijn droom wakker wordend.
„An niks....”
„Ik dacht an wat d’r achter de wolken zou zijn....”
„Nou God natuurlijk!...”
„God?”
„Zeker.”
„God? Ik zeg je dat ’r geen is.” Op dat „ik” lei Aby een gewichtigen nadruk. Die verklaring klonk wel eenigszins komisch, daar de jeugdige theologant met ’n bezweet gezichtje naar de blaren in zijn handen zat te kijken.
In de ooren van den eenigen toehoorder was ’t een vreeselijke profanie.
„Zeg hou nou op met die enge dingen.... We zitten in ’n bootje....”
„Hè wat ’n flauwe kul!”
„Nee jij bent flauw.... As we nou gestraft worden, omdat je dat zegt....”
„Nou zal ’k expres schommelen!”
„Jò, pas op! Jò, hou op!”
Aby brulde van ’t lachen, daarna kreeg hij medelijden met den angst van zijn kameraad.
„Zie je nou wel dat ’t niks geeft! Jij zal wel an ’m gelooven, hè? Ik niet, pa ook niet.”
„Natuurlijk is d’r een.”
„Heb jij ’m ooit gezien?”
„Hè, wat ’n vraag!”
„Heit je oom ’m ooit gezien?”
„Nee natuurlijk.”
„Heit je tante ’m ooit gezien?”
„Nee zeg ik al.”
„Nou niemand heit ’m nog gezien!”
„As je dood bent, zie j’m.”
„Da’s kles. Hij is d’r niet.”
„Zoo! Wie heit dan de heele boel gemaakt?”
„Da’s zelf gekomme.”
„Ach je bè-gek!”
„Bè-jij dan door God gemaakt of door je moeder?”
„Da-weet ik niet.”
„Wat ben jij ’n uil!”
„Tante zegt dat ze me gebracht hebben...”
Hier schaterde Aby ’t weer uit, waarna hij met een geleerd gezicht, met een erg nuchtere oppervlakkigheid een geheimzinnig-realistische beschrijving gaf op welke wijze kinderen op de wereld komen. Aby’s wetenschap vervulde Max met een groot ontzag. Over „het ontstaan van den mensch” had hij in zijn onschuld nog nooit nagedacht. Nu opende zich voor hem een vreemd veld. Hij deed allemaal malle vragen, begreep er niets van, geloofde ’t maar half, maar langzaam nestelde zich toch in zijn kleine hoofdje een lauw begrip van ’t leven, tegelijk met een angstige ingeving om niets van zijn belangrijke ontdekkingen aan tante of oom te laten merken.
„Zie je nou,” vervolgde Aby in den vollen triomf zijner superieure kennis: „da-wist je nog niet eens. Zal je nou ook wel gaan begrijpen, dat God maar ’n sprookie is, om je zoet te houen.”