Mythen en sagen uit West-Indië

Part 32

Chapter 322,466 wordsPublic domain

[182] Niet alleen hierom, doch ook ten einde den lezer de poëzie te doen gevoelen, die de harten dezer eenvoudige natuurmenschen vervult, heb ik ter vergelijking aan dezen bundel negervertellingen toegevoegd de bewerking (Bijvoegsel II) van een der hoofdstukken uit het merkwaardige boek van Miss Cronise en Henry F. Ward (Cr.)

[183] Dit opstel, mij door M. H. Nahar bij de door hem opgeteekende anansi-tori’s toegezonden, gaf ik reeds vroeger in het licht (C. d. en C. e.).

[184] Wat, anansi-tori’s op klaarlichten dag vertellen!

[185] Zie blz. 258.

[186] De kerk is al aan.

[187] Mijnheer, gij zijt geen kind meer, ge zijt een Surinaamsche Creool, en weet heel goed, wat anansi-tori’s zeggen willen.

[188] Van de Moravische broedergemeente.

[189] Ik ken er geen.

[190] Sterfhuis.

[191] Kwaadaardige geest.

[192] Je vertelt ze niet goed.

[193] Sterfhuisratten; zoo noemen de negers ongenoode gasten, die de sterfhuizen afloopen.

[194] Wanneer de anansi-tori niet naar den smaak van het gehoor is, omdat zij vervelend is of slecht verteld wordt, maar vooral als men meent, dat de verteller maar wat aan het liegen is, begint er dikwijls tusschen twee of meer toehoorders een heftig dispuut, dat steeds eindigt met een zg. koti siengi (= schimplied). Dit koti siengi nemen de negers in het algemeen te baat, wanneer zij aan hun ergernis uiting willen geven of geplaagd zijn. Zij beginner er dikwijls eerst mede, als hun gemoed vol is. Wanneer bijv. de negermeid des morgens de woning binnenkomt met een voor deze stemming bepaaldelijk gevouwen hoofddoek, weet men zeker, dat men dien dag tot vervelens toe vergast zal worden op haar koti siengi. Het improvisatietalent van den neger komt haar hierbij goed te pas.

[195] Wanneer hij je in de rede valt.

[196] Zie je dat je ruzie met me zoekt.

[197] Hij schimpte voortdurend op mij.

[198] Hoedoe = hout, het bosch, dus: Loop naar het bosch! Velen hebben in de ongezonde oerwouden van Suriname den dood gevonden; van daar deze verwensching.

[199] Krijg ik krampen in mijn arm.

[200] Jongeheer.

[201] Mijn been slaapt.

[202] Maar, jongeheer, op Godsdag wilt ge anansi-tori’s vertellen?

[203] Een stopwoord van negerinnen.

[204] En zoo zou men onschuldig sterven.

[205] Meneer, U moet alles zoo niet uitvorschen, u gaat te ver met mij.

[206] Hm, wel niet aan zijn blauw flikkerend licht; in den slavenstand heb ik er een gezien, bij de plantage, die de vrouw van den bastiaan* Kofi kwam uitzuigen. Wel, dat is nog niets, de blanken zelf kunnen het getuigen.

[207] Indiaansche priesters.

[208] Er bestaan verborgenheden.

[209] Mannetje van een gronduil* (uil, die laag bij den grond nestelt).

[210] Vloermat.

[211] Bezem, van den vruchttros van den pina-palm gemaakt.

[212] Afrikaansche afgoden-priester.

[213] Inlandsche dokter.

[214] Koperen dwergspook.

[215] Kruispunt van wegen.

[216] Meneer, er bestaan dingen.

[217] Vriend.

[218] Afrikaansch snaarinstrument.

[219] Mijnheer, steek er den draak niet mede.

[220] Laat mij met vrede.

[221] Dat gaat het menschelijk verstand te boven.

[222] Land der blanken.

[223] Vergiftigen.

[224] Mijn ziel, mijn geest.

[225] Het is beter er niet over te spreken.

[226] De slaap doodt me—ik heb slaap.

[227] Dank zij den leeraren, die de oogen, die nog gesloten waren, geopend hebben.

[228] Zie: blz. 213.

[229] Ja kapitein, vaarwel.

[230] Kleine korjaal, kano.

[231] Weten is duur, m.a.w. berouw komt te laat.

[232] Goeden dag, mijn Gouverneur.

[233] De reiziger ziet spoken, m.a.w., wie veel bij den weg is, ziet spoken.

[234] Pap van bananenmeel.

[235] Gouverneur, denkt U, dat het kind braf (soort soep) zal willen slikken?

[236] Soep van tajers*.

[237] Wilde tajer, die giftig is.

[238] Ik wensch papieren.

[239] Kaart.

[240] Ruimten tusschen planken en stijlen.

[241] De duivel.

[242] Ik heb mijn azeman verkocht.

[243] Onvertaalbaar.

[244] Onvertaalbaar.

[245] Gouverneur Spin.

[246] Mijn Gouverneur, bespeel uwe viool.

[247] Ik hoor, het jonge meisje wenscht geen man.

[248] Het is goed, ga, ik kom.

[249] Hert, hert, wat zijt ge een dom dier.

[250] Vriend.

[251] Pens.

[252] Pens.

[253] Verheugt hij zich in een goeden eetlust.

[254] Moeder Akoeba, de vrouw van de Spin in de Anansi-tori’s.

[255] Hoe zal ik doen van daag?

[256] Man, wat moet ik doen, denk je?

[257] Mijn kindertjes, wie van jullie houdt het meest van vader?

[258] Ik.

[259] Man, meester, heer.

[260] Waternimf.

[261] Vriend Spin.

[262] Ba’ van baja = vriend. Pina = speld. Met Ba’ Pina wordt de kat bedoeld.

[263] Ik ben het niet, heer Spin is het.

[264] Kapitein jij draagt een hoofd, weet je; jij bent me een man.

[265] Breng voor de bemanning.

[266] Zijn mond voorbijpraten.

[267] De Neger-Engelsche benaming voor de kikvorsch en de pad.

[268] Wat zal ik zeggen?

[269] Ja, meester.

[270] Ondank is ’s werelds loon.

[271] Vriend Hond.

[272] Kakkerlak.

[273] Stekelvarken*.

[274] De haan is mijn slaaf! reh! reh! reh!

[275] Die een graf graaft voor een ander, valt er zelf in.

[276] Goedendag, vriend Dood.

[277] Rooster.

[278] Het geheele dorp zal verzinken! Alle wezens zullen sterven! Spin alleen zal overblijven!

[279] Moeder Akoeba.

[280] Moeder Akoeba spreekt haar man dikwijls met „mi kaptin” (= mijn kapitein) aan.

[281] Goeden dag, vriend Tijger.

[282] Past op, dat Anansi u niet fopt.

[283] Goeden avond, Kapitein.

[284] Kósi is een eerbiedige kniebuiging, waarbij de voeten achterwaarts bewogen worden. Nog bij oude negerinnen (vooral onder de Boschnegers C.a. blz. 245) is deze begroeting in gebruik.

[285] Neen, ik heb zeere oogen.

[286] Eendvogels.

[287] Waternimf.

[288] Kikvorsch.

[289] De vrouw van heer Spin in de anansi-tori’s.

[290] Vriend Spin.

[291] Het hert.

[292] Gouverneur, dorpshoofd.

[293] Konijn, konijn. Ik ben je knecht niet.

[294] Dicht struikgewas.

[295] Jij, kwajongen van een haas.

[296] Goeden dag, mijn Oom.

[297] Schildpad*.

[298] Tante Akoeba, de vrouw van heer Spin.

[299] Vriend Vos (eigenlijk „Krabbenhond”), verlang je dan niet, je tante te komen zien?

[300] Er was eens....

[301] Afkorting van Bája = vriend.

[302] Invloed der zending.

[303] Zie voor „schapen” in het verklarend register.

[304] Zoete pataten*.

[305] Naam, gegeven aan een (meestal oude) vrouw, die kinderen oppast.

[306] Mijn lieve jongeheer, wat scheelt U weêr?

[307] Ik ben ziek, néne.

[308] „Kakka” is haan. Wellicht is dit woord verbasterd Afrikaansch.

[309] Als je in de buurt bent, kom dan bij mij.

[310] Verbastering van Louise (Louisa).

[311] Vader noemt mij Leisah, Moeder noemt mij Leisah, Mina noemt mij Schuim!

[312] Vader noemt mij Leisah, Moeder noemt mij Leisah, Coba noemt mij Schuim, Schuim ben ik en Schuim zal ik blijven.

[313] Meisje, geboren op Woensdag (zie blz. 213).

[314] Meisje, geboren op Vrijdag (zie blz. 213).

[315] Onvertaalbaar. Vermoedelijk Afrikaansch.

[316] Ik smeek mijn vader, door te mogen gaan.

[317] Toovermiddelen.

[318] Ge hebt het gezocht, ge hebt het gevonden, ge moet het dus dragen.

[319] Jassi (in het negerengelsch) is een gevaarlijke, besmettelijke huidziekte. Zie jas, in verklarend register.

[320] Mininimi, kom eten, Krimintaria, kom eten, Kopro Kanon, blijf daar!

[321] Wilt ge mij voor twee centen bakoven verkoopen?

[322] Mininimi is er niet, Krimintaria is er niet, Kopro Kanon alleen is er.

[323] Watermama.

[324] Opkomende vloed.

[325] Pagaal*.

[326] Zie No. 18 der Indianen-Serie.

[327] Kinderen der meermin.

[328] Is hier verband met den naam van een boomeend, skróerki genoemd. (Zie noot blz. 163).

[329] De boa heeft zich aangekleed.

[330] Groote vergadering.

[331] Vriend Tijger.

[332] Slang.

[333] Aap.

[334] Dat deze tot de reigers behoorende vogel tot schildwacht was gekozen, had hij te danken aan zijn uithoudingsvermogen, om urenlang, onbewegelijk, aan den waterkant te kunnen staan, loerende naar voorbij zwemmende visschen.

[335] Is hier verband met het geloof van den Goudkust-neger aan den Zaterdag als een ongeluksdag, naar een op dien dag gehouden noodlottigen veldslag? Volgens de Boschnegers zal, evenals bij de Ashantijnen hij, die op Zaterdag geboren is, ongelukkig zijn.

[336] Meneer, morgen zult ge ons niet meer zien, miauw!

[337] Dans.

[338] Gij laat hem al het mooie zien; gij moet hem den leelijken kant ook laten bekijken.

[339] Zie het uit dezen bundel in Bijvoegsel II overgenomen Spinverhaal, waarvan No. 17 van onze stadsneger-verzameling een variant is.

[340] Eerst kort vóór het afdrukken dezer bladzijden ontving ik nog door de welwillendheid van den oud-gezagvoerder van St.-Eustatius, den Heer G. J. van Grol een op dit eiland opgeteekende Spinvertelling, die te belangrijk was, haar in dezen bundel niet op te nemen, in de plaats van de vroeger reeds gepubliceerde (H.) Curaçaosche Spinvertelling „Nansi en de bonte koe”.

[341] De opdracht aan iemand, die naar Suriname vertrok, medegegeven, om de groeten aan een familielid op Curaçao over te brengen, wanneer hij er eens op de thee mocht gaan, was dus een groote flater.

[342] Het feit alleen, dat de Afrikaansche vrouwennaam Akoeba, die de echtgenoote van Vader Spin in de Surinaamsche negervertellingen steeds draagt, op Curaçao vervangen is door Chi Maria (Chi—uitgesproken Tsji—is het lidwoord vóór een vrouwennaam in het papiamento) zegt genoeg, om den katholieken invloed te illustreeren. (Zie voor de naamsverandering door de katholieken bij het doopen van Indianen: C. a.).

[343] Cha (uitgesproken: „Tsja” = lidwoord vóór een mannennaam) Nansi i pobbichi di breeuw.

[344] In het Neger-Engelsch „een lastig mensch”.

[345] Beteekenis onbekend. Vermoedelijk een Afrikaansch woord.

[346] Terwijl de West-Indische Negers onder den invloed der Zending hun polytheïstisch geloof meer en meer hebben verlaten en in plaats van hunne talrijke godheden, het Opperwezen der Christelijke leer zijn gaan erkennen, hebben vele Afrikaansche negerstammen aan hun polytheïstisch stelsel slechts een nieuwe godheid toegevoegd, die zij van de Blanken hebben overgenomen. De erkenning toch, dat de blanken in ieder opzicht boven hen staan en de overtuiging, dat hunne eigene goden hen niet meer in staat stellen, tot voorspoed te geraken, deed hen gretig een God van grooter macht aannemen (Ba. blz. 23), die zij Nana Nyankupon (= Heer in den Hemel) noemen (El. blz. 24).

[347] Zie: Het eiland St.-Eustatius door G. J. van Grol, oud-gezaghebber van het eiland, in de „Indische Mercuur” van 19 Maart 1907 en ook H. van Kol (Ko). De Heer van Grol heeft veel gedaan voor de invoering van de katoencultuur en voor de aanmoediging der bijenfokkerij.

[348] Zij vervangt de reeds elders verschenen Curaçaosche vertelling: „Nansi en Bonte Koe”, in onze oorspronkelijke lijst van negervertellingen (zie blz. 236) vermeld.

[349] Verpleegster, kindermeid.

[350] De afleiding van „Braha” is onbekend. Vermoedelijk is het woord een verbastering van Bâja = vriend, of van Brâra (Brer’ in de Jamaicaansche negerfolklore): broeder.

[351] Ik behoud de Statiaansche spelling.

[352] Het animistische geloof tiert nog welig op St.-Eustatius.

[353] In Suriname werden onder Marrons verstaan de Afrikanen, die al aanstonds of kort na hun overvaart naar West-Indië van de slavenschepen of van de plantages gevlucht zijn en in de bosschen de Afrikaansche leefwijze gingen voortzetten. Van deze Marrons stammen de tegenwoordige Boschnegers af.

[354] De taal der Fantijnen is een dialect van deze taal, die door verschillende namen, als Twi, Shwi, Otyi en Ochi wordt aangeduid.

[355] De zwarte landkrab is een groote lekkernij voor den neger. Eertijds had ieder eigendom een krabbenvanger, die te zorgen had, den eigenaar van krabben te voorzien.

[356] Op Jamaica wordt de aankondiging van een groot feest of plechtigheid aan een boom bevestigd. Het volk wordt met muziek ontvangen en met muziek huiswaarts geleid.

[357] Te vertalen als: ’t orkest zet in.

[358] Den berg Sinaï gaan wij bestijgen.

[359] Onvertaalbaar. Salem is een groet en beteekent „vrede”.

[360] Enkelen onzer gaan naar den berg Sinaï.

[361] „Na eenig dralen” is kenschetsend. Men zou verwachten, dat na de afwijzing de afgewezene dadelijk zou vertrekken. Een neger doet dit niet. Hij is nooit beschaamd. Na de kortste weigering op een verzoek is hij in staat te gaan zitten, over andere dingen te gaan praten en ten slotte afscheid te nemen, alsof er niets gebeurd is.

[362] Pyang is het geluid van de Egret*. De a is niet de Engelsche a, doch de a in het Hollandsche „gang” en moet in den zang sterk geaccentueerd en met kracht uitgestooten worden.

[363] Uitroep: halo!

[364] Jewahlee is jubilé (jubelfeest).

[365] Er zijn dagen in de week, waarop negers niet willen trouwen. In Suriname trouwt hij op Zaterdag niet, omdat in den slaventijd de ter dood veroordeelden dan werden opgehangen. De huwelijken worden bij de negers met veel praal gevierd. Menschen, die als gehuwd samenleven, soms reeds volwassen kinderen hebben, stellen een wettig huwelijk, waartoe zij op aandrang der Geestelijken hebben besloten, dikwijls uit, omdat zij „nog niet gereed zijn”, d.i. nog niet genoeg gespaard hebben, om een gloeienden fuif te geven.

[366] Deze vertelling moet zoo snel mogelijk afgerateld worden.

Ying de Ying zeggen de Negers, wanneer zij het geluid van een viool bedoelen.

Take care you go talk en min’ (= mind) your tattling tongue wil zeggen: Spreek niet te veel; spaar je tong.

[367] Dit spreekwoord komt merkwaardig overeen met het Fransche: Les belles femmes, il faut les aimer, les épouser jamais.

[368] Hoofdstad van Sierra Leone.

[369] Dat hiermede niet bedoeld kan zijn de ongevoeligheid van den Neger voor de schoonheden der natuur in algemeenen zin, weet hij wel beter, die met negers dagen achtereen te midden eener weelderige tropische natuur verkeerd heeft. (C. b. en f).

[370] Opgemerkt mag worden, dat de zang der Afrikaansche Negers, evenals die der Surinaamsche Boschnegers (C.a.) van meer primitieven aard is dan die der Negers van Jamaica, waarin de invloed van Engelsche melodieën vaak duidelijk te herkennen is. (J.e. blz. 278–288).

[371] Zie blz. 29 en No. 19 en 31 van de Surinaamsche Stadsneger-vertellingen en No. 18 der Indiaansche serie.

[372] Vergelijk No. 17 der Stadsneger-vertellingen.

[373] De vier van hoeven voorziene teenen zijn allen even groot, zoodat bij hem van een kleinen teen geen sprake is.

[374] Hier brengt de Neger weder zijn overtuiging tot uiting, dat de mensch door zijn verstand over de sterkste dieren het overwicht heeft verkregen (zie blz. 205).

[375] Met dergelijke eenvoudige verklaringen voor het ontstaan van het geschapene is de kinderlijke neger volkomen tevreden. Dat het op andere wijze ontstaan kan zijn, komt in zijn brein niet op.

[376] Dit doet denken aan den enormen vischrijkdom van de Surinaamsche rivieren (C. b., blz. 43, 48, 90 en 93).

[377] In deze fabel wordt de vraag behandeld: Hoe is het leven begonnen?

[378] Opmerking verdient het, dat, evenals bij de Indianen (zie blz. 17), hier de vogels tegenover de overige dieren worden geplaatst.

[379] De Afrikaansche inboorling is zeer gevoelig in kwesties van gelijkheid of verschil in rang en leeftijd.

[380] Bij de samenstelling van dit register is, behalve van de geschriften, in het litteratuur-overzicht genoemd, een ruim gebruik gemaakt van de Encyclopedie van Ned. West-Indië.

[381] Een gelijksoortig geloof komt ook bij andere primitieve stammen voor (o.a. bij de oorspronkelijke Koeboes van Zuid-Sumatra).