Mythen en sagen uit West-Indië
Part 31
[82] Onder de geheimzinnige pijlen, die bij de Kenaimas (zie blz. 41) behooren, komen er voor, die met een moeilijk waar te nemen schimmel bedekt zijn en waardoor zij de oorzaak zijn van het missen van hun doel. Ook als de schimmel zich op den arm van den jager bevindt, zijn de pijlen niets waard.
[83] De Kenaimas gebruiken gebroken en onzichtbare pijlen. (Zie bl. 41).
[84] Volgens de gebroeders Penard is de voorstelling van een menscheneter met een mond aan de borst bij den Indiaan het zinnebeeld van een wreedaard, en wie die het zeldzame waarnemingsvermogen der Indianen en hun zin tot het maken van vergelijkingen kent, zal deze meening in twijfel trekken? Men denke slechts aan de houding, die een in woede ontstoken wreedaard aanneemt, die een moorddadig plan gaat volbrengen. Drukt hij zijn hoofd niet naar beneden, en brengt hij zijn geopenden mond niet ter hoogte van zijn borst?
[85] Dubbelgeest.
[86] Volgens de Penards zou het loopende tabbertje doelen op drijfzand of een zandbank of ook wel op een eilandje, dat in den loop der jaren werkelijk van plaats verandert.
[87] Kaiwiri of Skroerki, ook Wisi-wisi genoemd, is de Withals-boomeend (Dendrocygna discolor). De vorm van den rots komt overeen met dien van een boomeend.
[88] Volgens de Penards was de Kaaiman geen vaartuig, maar een zinnebeeldige voorstelling van de woede, die Paira-oendepo en zijne strijders bezielden, toen zij tegen de Roodhuiden optrokken, terwijl de Geest der Bekoring de slimheid was, waarmede de Indianen Stomp in een hinderlaag wisten te lokken.
Het gehele verhaal zou alzoo een zinnebeeldig gevecht zijn van een Worgslang met een Kaaiman. De Worgslang overwon den Kaaiman en slokte hem op, hetgeen zou doelen op een Caraïbisch feestmaal van menschenvleesch. Het verdwijnen en weêr terugkomen van het tabbetje zou vermoedelijk een zinnebeeldige voorstelling zijn van de taktiek der Indianen.
[89] Temere-rots (ook wel Timehri-, Temehri, Kemere- en Toemere-rots geschreven), hetgeen in het Caraïbisch of Kalienjas „geteekend, gewerkt of beschilderd” wil zeggen, is een granietrots in de bedding der Marowijne, waarop rotsteekeningen of liever rotsingriffelingen zg. petroglyphen voorkomen, die tot de oudheden behooren, welke de oudste bewoners van Suriname, de voorouders der tegenwoordige Indianen, op den bodem hebben achtergelaten. Zulke inschriften komen ook op sommige rotsen in den Corantijn en zijn bijrivieren en nog meer westwaarts, ook in Engelsch Guyana, voor. Zij laten, behalve tal van moeielijk te verklaren figuren, afbeeldingen van menschen zien (op den Temererots o.a. een met veerenkroon versierden Indiaan), die volgens ten Kate, Im Thurn, Cushing e.a. niet als louter krabbels, als uitingen van een gril, mogen beschouwd worden, doch ongetwijfeld verband houden met mythen, legenden, godsdienstige handelingen en geschiedkundige gebeurtenissen, hetgeen reeds hieruit blijkt, dat het bekend is, dat de Indianen van Engelsch Guyana een zekere vrees koesteren voor rotsen met teekeningen en inschriften. Terwijl ten Kate de uitleggingen der inschriften op de Temere-rots in de Marowijne door de Penards gegeven minstens twijfelachtig noemt, acht hij het niet onwaarschijnlijk, dat zij in verband staan met de door hen medegedeelde en in dezen bundel overgenomen overlevering van Letterhoutstomp.
[90] De stichting van Suriname’s hoofdstad dateert van den aanvang der zeventienden eeuw.
[91] De Arowakken zijn met den stam der Warraus de eerste bewoners van Suriname geweest. Eerst later drongen de strijdlustige Caraïben binnen, die spoedig een overwicht over de andere stammen verkregen.
[92] Volgens Pater van Coll kan deze door hem opgeteekende legende aan de vele gissingen omtrent den naam Paramaribo een nieuwe toevoegen.
[93] Sommigen beweren, dat het een levende raaf (met dezen vogel worden de groote Ara- of papegaaiensoorten bedoeld, in de kolonie raven genoemd) is geweest. De Ara is bij den Indiaan het zinnebeeld der waakzaamheid.
[94] Linker zijstroom van de Surinamerivier.
[95] De legenden der Maskoki-stammen, waartoe ook de z.g. Creek-Indianen behooren, die het zuidelijk deel van Noord-Amerika (Alabama en Georgia) bewonen, maken herhaaldelijk van holen gewag, die zij als plaatsen van oorsprong hunner voorvaderen beschouwen. Deze holen bevonden zich o.a. langs de Roode-rivier, en bezochten zij nog nu en dan, omdat zij geloofden, dat zij vandaar afkomstig waren. Dit geloof, dat hunne voorvaderen uit onderaardsche holen zijn voortgekomen (zie blz. 18), is bij hen zóó vast geworteld, dat zij iedere streek, die rijk is aan zulke holen, als de oorspronkelijke woonplaats van hun stam beschouwen. Daar nu deze zuidelijke stammen van Noord-Amerika het verband vormen tusschen de Indianenstammen van Noord- en Zuid-Amerika, is het feit, dat wij van dit geloof ook nog in legenden van Surinaamsche Indianen sporen aantreffen, de aandacht waard.
[96] Zie onder „vloed” in het verklarend register.
[97] Volgens de Penards, die deze legende in hun geschrift verkort overnemen, hebben we hier met beeldspraak te doen.
[98] Bedoeld wordt een der twee Indianen in het zegel der West-Indische compagnie.
[99] Jorobodie beteekent, volgens de Penards, Geweldige Worstelaar en Omklemmer.
[100] Het is niet bekend of met blanken, Spanjaarden, Engelschen, Franschen of Nederlanders bedoeld werden. De Penards meenen, dat het Engelschen zijn geweest, die in het jaar 1626 uit de Commewijne- en de Suriname-rivier verdreven werden.
[101] Zie blz. 37.
[102] Evenals Simson, die door de list van Dalila zijn kracht verloor en in handen der Philistijnen viel.
[103] De strijd met de blanken, zegt de geschiedenis, eindigde, toen deze een Arowaksch meisje gevangen hadden genomen en naar Europa hadden gezonden. Het kind werd daar opgevoed en had daardoor gelegenheid, zich andere denkbeelden omtrent de bedoelingen der blanken eigen te maken, zoodat zij, weder bij hare stamgenooten teruggekeerd, haar gewijzigd oordeel op hen deed overgaan en op deze wijze den vrede voorbereidde.
Volgens de Gebr. Penard krioelt de legende van Jorobodie, die wij hier met die van Arimoribo vereenigd hebben, evenals deze van zinnebeeldige voorstellingen, van welke de juiste oplossing vrij wel onmogelijk is.
Toch hebben de schrijvers zich aan eene verklaring gewaagd. Zoo, meenen zij, was de raaf of Ara, die alarm maakte, misschien een werkelijke schildwacht, terwijl Vleermuizen de Bloedgeesten voorstelden, die den door de piaimannen opgeroepen Slangegeest tot den terugtocht noodzaakten. Het geheel vormt dus een zinnebeeldig gevecht tusschen bloeddrinkende Vleermuizen en Slangen. En wat kan de slang uitrichten tegen de Vleermuis, die zij niet kan omkronkelen?
Ook de koude, die over de Wereld kwam, mag, volgens de schrijvers, een zinnebeeldige voorstelling zijn van de vrees, die de voorvaderen der Arowakken beving voor vijanden, die geregeld ieder jaar tegen het droge seizoen kwamen opzetten.
Dat Jorobodie een dracht van slechts drie weken was, bedoelt vermoedelijk, dat hij zich in dien tijd van een gewonen, onbekenden Indiaan door zijn moed tot opperhoofd had opgewerkt, terwijl de tijger de woede of de strijdlust was, waarmede hij de blanken bevocht, zooals geen Indiaan te voren had gedaan. De voorstelling van Jorobodie in een vat is het Indiaansche zinnebeeld voor een moeilijke positie, waaruit de tijgergeest of moed hem redde, door gebruik te maken van de geringste kans.
De Boa constrictor als ankertouw en loopplank zou de zinnebeeldige voorstelling van den Slangegeest zijn, terwijl het aannemen van een spin vermoedelijk verraad beteekent, want zoowel bij negers als bij Indianen is de spin het zinnebeeld van list en streken.
[104] Zie blz. 36.
[105] W. E. Roth deelt in zijn hoofdstuk over Kenaima (R. blz. 354 enz.) ook op gezag van Coudreau, mede, dat er in den omtrek van de Rio Branco, het gebied ten Noorden grenzend aan Engelsch Guyana, wilde stammen zijn, die van geslacht tot geslacht de gewoonte hebben, moordend rond te trekken, uit de scheenbeenderen der slachtoffers fluiten maken en de tanden tot halskettingen rijgen. Hij meent, dat het zeer goed mogelijk is, dat deze stammen, bekend onder den naam Kenaima-stammen, hunne rooftochten ook tot Engelsch Guyana hebben uitgestrekt, en acht het niet onmogelijk, dat het Kenaima-geloof der Indianen aan deze stammen den naam ontleend heeft.
[106] In de litteratuur zijn deze Kenaima-stammen noch uit het Orinocogebied, noch uit Suriname en Fransch Guyana bekend, zegt W. E. Roth.
[107] Deze overlevering komt geheel met de geschiedenis overeen. Immers, in 1650 rustte graaf Parham een schip uit met bestemming naar de kust van Guyana. Dit schip bereikte Suriname en de bemanning, vriendelijk ontvangen door de Indianen, vestigde zich aldaar. Later, in 1652 kwam Lord Parham zelf in Suriname.
De naam Paramoelo beduidt, volgens de Penards, letterlijk „oorsprong of plaats van afstamming van Parham. Paramaribo beteekent, hier is de oorsprong van Parham.”
Voor een andere afleiding van den naam Paramaribo zie de noot 3 in No. 39.
[108] Zie blz. 41.
[109] Hij, die met de noodige ervaring omtrent het maatschappelijk leven in het „beschaafde” Europa toegerust, het voorrecht heeft gehad, eenigen tijd te midden der Indianen te verblijven, zal met dit oordeel hartgrondig instemmen.
[110] Waarover de geschiedenis zwijgt. Volgens de Caraïben zeggen de Penards, zijn de Arowakken alleen door zich bij de blanken te voegen, aan een geheelen ondergang ontsnapt.
[111] Zie: Vampier*.
[112] Volgens de Penards zijn de Indiaansche jongetjes reeds op zeer jeugdigen leeftijd min of meer vreemdelingen voor de moeder. Zij verrichten geen huisarbeid, maar loopen overal in het omliggende woud rond, om met pijl en boog vogeltjes en ander klein wild te schieten.
[113] Evenals bij andere wilde stammen (o.a. bij de Dajaks van Borneo) worden touwtjes, meest gemaakt van rotan of andere boschprodukten, met knoopen gebruikt, om aan afspraken en overeenkomsten te herinneren. Het aantal knoopen, er in gelegd, is aan het aantal dagen gelijk, dat tot den voor de afspraak bepaalden dag verloopen moet, en iederen dag wordt door beide partijen een knoop losgemaakt.
[114] De Penards zijn van oordeel, dat deze overlevering in verband moet worden gebracht met berichten van Al. v. Humboldt omtrent Zuid-Amerikaansche Indianen-stammen. Deze groote natuuronderzoeker en wetenschappelijke reiziger houdt de Cabres of Cabeires met eenige andere stammen uit Guyana en Brazilië (zie de noot op blz. 43) voor de grootste menscheneters. Omstreeks het begin van de achttiende eeuw vereenigden de Caraïben zich onder het opperhoofd, Tip genoemd, om een aanval op dezen Kannibalenstam te doen. Zij werden echter verslagen. De overwinnaars plaatsten een gevangen Caraïb in een boom, van waar hij het afschuwelijk schouwspel van het braden en opeten zijner makkers kon gadeslaan. De jongeman werd daarna vrijgelaten, om de tijding der nederlaag aan zijn stamgenooten over te brengen.
De Caraïben riepen toen hunne strijders tot een algemeenen aanval op en doodden alle menscheneters.
Von Humboldt zag de honderden geraamten dezer verslagen Kannibalen.
[115] Zie blz. 17. De plaats, waar de Kasi’hta stam, evenals de stammen der Kawita- en Chicasaw-stammen van daan kwamen, wordt aangegeven door het punt van samenvloeiing van de Washita en de Roode Rivier.
[116] De hayoyálgi, die van de vier kanten van de wereld komen om het heilige vuur, het symbool van de zon, aan te blazen, zijn de vier winden, die het tot een grooter hoogte doen opvlammen.
[117] Het heilige getal vier dezer Indianen is vermoedelijk afkomstig van de vier winden, die het heilige vuur aanblazen, het symbool van hun Weldoener.
[118] Daar een rat bij de Indianen het zinnebeeld van teeltkracht en slimheid is, moet deze roode rat de vermeerdering van het Roode Ras symboliseeren.
[119] Met leeuw wordt bedoeld de Poema of Amerikaansche leeuw (Felis concolor). Hoewel dit roofdier zelden menschen aanvalt, zal dit dier in deze legende vermoedelijk menschenetende Indianenstammen moeten symboliseeren.
[120] Is dit een christelijk element, dat aan de legende is toegevoegd?
[121] In verhalen, van de Warraus in Engelsch Guyana afkomstig en door W. Roth medegedeeld, vinden wij nu en dan eveneens van geluiden gewag gemaakt, die uit den bodem voortkomen en het volk angstig maken.
[122] Hondenkoning (Dog king) der Euchitaws. Deze was ook tegenwoordig bij het vertellen dezer legende.
[123] De oude woonplaatsen der Creek-Indianen in Alabama en Georgia bestonden uit niet minder dan 102 steden en dorpen, allen met namen genoemd in het zoo leerrijke boek van den taalvorscher Albert S. Gatschet. Sommige dezer plaatsen bestaan nog onder den zelfden naam in beide Staten. Afgevaardigden der Creeks brengen ieder jaar een bezoek aan Washington.
Onder steden en dorpen, hier bedoeld (tafóla), zijn kleinere of grootere verzamelingen van woningen te verstaan. Elke stad of dorp wordt bestuurd door een Mîko, het Opperhoofd, door de blanken eertijds Koning genoemd.
[124] Anansi in de Neger-Engelsche taal der negers.
[125] Min, kindermeid.
[126] Sterfhuis.
[127] Deze was nog de ouderwetsche met wasrollen.
[128] D.i. „Ondank is ’s werelds loon”. (Zie No. 29).
[129] Henry M. Stanley. My dark Companions and their strange stories. Londen. Sampson Low, Marston and Comp. 1893. Een Nederlandsche vertaling, door mevrouw Joh. Dyserinck, verscheen bij de Erven Loosjes, Haarlem 1894.
[130] Daar de neger de bedoelingen van den verteller onmiddellijk begrijpt, onthoudt deze zich steeds van verklaringen en uitweidingen. Voor den Europeeschen lezer zou veel van de vertelling verloren gaan, wanneer zij letterlijk vertaald werd weêrgegeven.
[131] Sedert de kerken de overhand hebben genomen. (Zie voor de Neger-Engelsche taal der Surinaamsche negers blz. 211).
[132] Ik, iemand, die als lidmaat in de kerk ben, moet sprookjes vertellen?
[133] De vertellingen werden door Nahar in het jaar 1901 opgeteekend, en verschenen in haar geheel in 1916 (C. e.). Het „Verhaal uit het leven van Vriend Spin”, zond de heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij een jaar of acht later toe, terwijl ik de vertellingen „De Boa in de gedaante van een schoonen jongeling” en „De geschiedenis van Fini foetoe, Bigi bere en Bigi hede” van den overleden oud-Surinamer, den heer Nunes omstreeks den zelfden tijd ontving.
[134] Onlangs heeft A. P. Penard een nieuwe verzameling (20 Anansitoris) doen verschijnen (P.c.) waaruit ik, onder No. 23, een in dezen bundel heb opgenomen.
[135] Zie het Hoofdstuk: De Anansi-tori en het Bijgeloof.
[136] Oorspronkelijk bezaten de Hollanders de kust van Guinea alleen met het oog op den handel, meer bepaaldelijk den slavenhandel.
[137] In 1730 bedroeg het aantal plantages (voor het meerendeel suikerplantages) 400 en reeds in 1688 was de suikerproductie, die in 1684 nog slechts 3 millioen Amsterdamsche ponden bedroeg, tot 7 millioen gestegen.
[138] Uitgesproken: joenánsi.
[139] De afwijkingen, die in beide opgaven de schrijfwijze der namen vertoont, moeten aan dialectverschillen worden toegeschreven. A. Werner schrijft in zijn Inleiding van Walter Jekyll’s boek (Je.) de namen weêr anders.
[140] Ook de taal der Boschnegers vertoont door de vele Portugeesche en Afrikaansche woorden een grootere verwantschap met de taal der oudste negerslaven—met het deel, dat Neger-Portugeesch sprak.
[141] De Surinaamsche negers noemen den Geest der rivier watramama (zie de legende van de Watramama) en het geloof aan deze mama is vooral bij oude negers nog zóó diep geworteld, dat aan haar het spreekwoord is ontleend: Te wátra falla, joe sa si wátramama na sjóro, d.i.: Als het water gevallen is, zult gij de watermama op het droge vinden. (Zie ook het Bijvoegsel: Avond op het water in Sierra Leone).
[142] De krokodil wordt door alle de Ewe-taal sprekende stammen aan de slavenkust, elo, lo, adopra, te Porto novo Jalodeh genoemd.
[143] Bliksemgod.
[144] Een der Goden, die den Negers vaak onheil brengen.
[145] Ik kan het niet helpen, het is mijn geest.
[146] Afschuwelijke voorbeelden van deze mishandelingen geeft o.a. Dr. W. R. van Hoëvell, een sympathieke strijder voor de belangen van den armen negerslaaf, in „Slaven en vrijen onder de Nederlandsche Wet 1854”.
[147] „Mooi Afrika, hoe heb ik je lief”. Hier treffen wij het Nederlandsche „mooi” en het Engelsche „love” met de Portugeesche uitgang i in de taal der negers aan.
[148] Bosch-goeverneur of Boschmama.
[149] De vertaling luidt: O, Nickerie! Hoe bemin ik jou. Maar de bergen zijn er zoo hoog. Kaperka kiri mi (= een hoogte, gedoopt: Cappelle maakt me dood—de l door hem als r uitgesproken), om een vracht te dragen naar Kilometer (voor het eerst in de negertaal opgenomen) zes. Maar de bergen zijn er zoo hoog. Refrein: Werken voor je geld, Werken voor je geld, Als wij op de Fallawatra (zijrivier der Nickerie) zijn, moeten wij werken voor ons geld.
[150] Getijden.
[151] Overgenomen uit het Neger-Engelsche woordenboek van Mr H. C. Focke Leiden, P. H. v. d. Heuvel, 1855.
[152] Land der blanken = Nederland.
[153] De kolonie Suriname is als een paardenstaart: heden waait hij her-, morgen derwaarts.
[154] Men zegt, dat dit geloof te danken is aan een Opperhoofd, die Spin werd genoemd, en die door hunne voorvaderen als een held vereerd werd.
[155] Oorspronkelijk woonden de Yoruba’s meer het land in, doch in het begin der 19de eeuw trokken zij naar het Zuiden en koloniseerden zij Lagos en de naburige kust. Ook de Tshi-taal sprekende stammen woonden eertijds, d.w.z. vóór de 15de eeuw meer landwaarts in een vlakke, met gras bedekte landstreek, en zij werden door de invasie der Mohammedanen genoodzaakt, naar het boschgebied langs de kust te verhuizen, waar zij later met de eerste blanken, de Portugeezen, in aanraking kwamen.
[156] Ook hier wordt steeds een landschildpad bedoeld.
[157] De groote landschildpad van Suriname is zeer verlekkerd op de vruchten van de Mopè*.
[158] Als zeer treffend voorbeeld van de nauwkeurigheid, waarmede de Neger de natuurverschijnselen waarneemt en op zijne wijsgeerige wijze tracht te verklaren, heb ik niet kunnen nalaten in Bijvoegsel No. III een dierenfabel op te nemen, die door den schrijver R. H. Nassau (N.) uit den mond van een Bantoe-neger is opgeteekend.
Aan velen der in Nassau’s merkwaardigen bundel opgenomen vertellingen is, evenals in sommige naar West-Indië overgebrachte Neger-verhalen de Arabische invloed niet vreemd. Menig lezer zal vermoedelijk onwillekeurig denken aan de vertellingen van Duizend-en-één Nacht. Zulks is begrijpelijk, wanneer ik hier herinner aan de meening van Ethnologen, o.a. aan die van Sir Harry H. Johnston (Joh.), die de oorsprong der Bantoe-negers terugvoert tot den N.O.-kust van Afrika en die den Bantoe-stroom—om een ethnologischen term te gebruiken—Zuidwaarts naar de Kaap de Goede Hoop laat gaan, om van hier langs de West-kust tot den Aequator om te buigen (N.). Het kan dus niet vreemd zijn, dat door de aanraking der Bantoe-negers met negerstammen der Slavenkust het Arabische element in de Folklore zich verder Noordwaarts en Westwaarts heeft verspreid en, ten slotte met de slaven naar West-Indië is overgebracht.
[159] Van „cunning”, dat slim beteekent.
[160] Het dialect der negers van Sierra Leone is een wanhopend ratjetoe van Engelsche en Afrikaansche woorden.
[161] In de Yoruba-taal wordt de schildpad Awon genoemd. Deze mythische held der Yoruba’s is herhaaldelijk het onderwerp van een Alo (vertelling), waarbij het rythmische geluid van den trom, die de tusschenpoozen van de Alo aanvult, een groote rol speelt.
Evenals in de vertellingen van de Negers van Sierra Leone en van de Goudkust niet van de Spin gesproken mag worden, maar deze steeds als Spin of als Heer, Vriend enz. Spin optreedt, wordt ook door de Yoruba’s nooit van de Schildpad gesproken. Het Yoruba spreekwoord: Eji Awon ko kom ni li owo mag bijv. niet letterlijk vertaald worden met: „Het bloed van een schildpad vult een hand niet”, maar men behoort te zeggen: „Het bloed van Awon vult de hand niet”, waarvan de zin is: Een onderwerp, dat op het eerste gezicht weinig belangrijk lijkt, blijkt dikwijls van groot gewicht te zijn.
[162] Daar roept een vogel!
[163] Wanneer een vogel roept, kan geen waar woord meer gesproken worden.
[164] De verteller bedoelt hiermede: wij moeten nu weder tot de werkelijkheid terugkeeren.
[165] Daar in de negervertellingen de spin steeds mannelijk gedacht is, mag in deze bladzijden de vrijheid genomen worden het geslacht te veranderen.
[166] No. 1–22 en No. 25–32 zijn afkomstig van M. H. Nahar en gedeeltelijk (C. d.) of geheel (C. e.) reeds gepubliceerd; No. 23 is overgenomen uit den bundel van A. P. Penard (P.); No. 24 is afkomstig van Anonymus en No. 33 heb ik te danken aan mijn tochtgenoot C. van Drimmelen.
[167] De Boschneger-Anansitori is overgenomen uit een kleine verzameling van F. Stähelin (S.).
[168] De vertellingen van Curaçaosche negers zijn overgenomen uit een kleine verzameling, door J. H. J. Hamelberg in het licht gegeven.
[169] De in dezen bundel opgenomen negervertellingen van Jamaica zijn bewerkt uit bet boek van Walter Jekyll (Je.).
[170] Hoe groote plaats de Spin in bet leven der Surinaamsche negers inneemt, moge blijken uit de volgende spreekwijzen, aan de Spin ontleend:
1e. Als een kind met vuur speelt, wordt het gewaarschuwd met: „no play nanga faja noso anansi de go kori joe”, d.i. speel niet met vuur, anders gaat de Spin je bedriegen, m.a.w. zal je vannacht in bed wateren.
2e. Als een kind in bed gewaterd heeft, zegt het: „Anansi kori mi”, d.i. de Spin heeft mij gefopt.
3e. Wanneer iemands been slaapt zegt men: „mi foetoe kisi anansi”, d.i. Spin heeft mijn been gekust.
4e. Dunne dijen worden in Suriname „Anansi-bouten” genoemd, enz.
[171] Mr. Spider in de Neger-vertellingen van Sierra Leone.
[172] Brer in de Spinvertellingen van Jamaica (zie verder).
[173] Mijn Kapitein.
[174] Kapitein Spin.
[175] Opvallend zijn in de door Nahar bijeengebrachte vertellingen de vele in het Surinaamsche Neger-Engelsch niet voorkomende onvertaalbare woorden, die ongetwijfeld van Afrikaanschen oorsprong zijn. Vele dieren worden er nl. niet met den Neger-engelschen, doch met den vermoedelijken Afrikaanschen naam aangeduid, zooals: Timekoe, voor konijn, Kitmawle voor vleermuis, Okekre voor schildpad, Akajoe voor kat.
[176] Dr. H. D. Benjamins deelt mij mede, dat, toen jaren geleden een circus voorstellingen te Paramaribo gaf, de negerbevolking de grootste vreugde toonde, toen zij Asaw in levenden lijve mocht aanschouwen. De marktvrouwen kwamen met bananen voor het dier aandragen, ja, het kwam bij de negers tot een ware vereering voor het dier, die den circuseigenaar geen windeieren gaf; want de voeding van zijn olifant heeft hem al dien tijd niets gekost.
[177] Van „cunning” = geslepen.
[178] Zie blz. 230.
[179] De Surinaamsche Negers schijnen een buitengewone vereering te hebben voor Napoleon. In een met mij gevoerd gesprek sleepte een Creool* er telkens Napoleon bij, terwijl bij gelegenheid van een dansfeest, door de Boschnegers ter mijner eere gehouden, een voorwerp van aardewerk, voorstellende Napoleon, rustende tegen een schelp, met zichtbaren trots vóór mij werd neêrgezet (C.a.).
[180] Daar deze verzameling in Paramaribo is bijeengebracht, vlucht Anansi, als hij in het nauw gebracht wordt, steeds in zg. beslagruimten.
[181] Het gebruik, om bij sterfgevallen anansi-tori’s te vertellen, wordt ook bij de Boschnegers aangetroffen, C. v. Coll (Co. a.) deelt mede, dat het in het Boschnegerkamp van Broos aan de Surnau kreek de gewoonte was (begin 19e eeuw) om bij een sterfgeval, als het een man gold, drie, voor een vrouw twee achtereenvolgende Zaterdagen bij elkander te komen, om anansi-tori’s te hooren vertellen.