Mythen en sagen uit West-Indië

Part 27

Chapter 273,821 wordsPublic domain

Laat in den namiddag, kort voordat de vloed voor eb plaats maakte en de stroom meê werd, stak de boot van wal en namen de zes sterke bootslieden de riemen op, om, den ganschen nacht doorroeiende, de riviermonding te bereiken. Spoedig bewogen zij hunne riemen in regelmatigen slag en door de eentonige melodie van het roeilied schenen de boot, de stroom, de voor- en achterwaartsche bewegingen der lichamen, en de slag der riemen tot een onafscheidelijke harmonie van geluid en beweging samen te smelten.

Wanneer deze eenvoudige zielen evenzoo op de schoone en verheven natuurtafereelen konden reageeren [369], als zij het doen op de rythmische bewegingen en de melodieën van het bootgezang, zouden zij zeker door het panorama zijn aangegrepen, dat bij een plotselinge rivierbocht in het gezicht kwam.

Groote mangrove-boomen*, die aan beide oevers naar de rivierzijde heenbogen, strengelden hunne stammen, gedragen door hunne op stelten gelijkende luchtwortels, hier en daar tot een hoog gewelf boven den stroom. Laag kreupelhout vulde overal de tusschenruimten op. Op touwen gelijkende lianen kropen door alles heen, boomen en struiken in rijken overdaad verstrikkend of in sierlijke guirlandes uit het groen van de takken der boomen omlaag hangend.

Waterlelies vormden langs den oever een dichte massa, landwaarts in een verrukkelijke varen-vegetatie overgaande. Uit de donkergroene massa op de zandbanken in de rivier verhief zich het schitterende karmozijnrood van het jonge gebladerte, dat op bloemen geleek, die de takuiteinden kroonden. Elders ontplooide zich een wereld van bladeren, eindeloos verschillend in vorm en tint, die soms aan bloemen deden denken.

Vogels, met de schitterendste kleuren getooid, zweefden hier en daar tusschen de boomen; apen snapten en kijfden, terwijl hunne slanke lichamen zich op hooge rietstengels in evenwicht hielden of uitgestrekt lagen op een bed van mos. Krokodillen koesterden zich vadzig in de avondzon.

Van de kromming de rivier benedenwaarts beschouwende, geleek de stroom wel een onafgebroken laan van groen, waartusschen zich hier en daar slechts een tikje kleur vertoonde. Wanneer de onheilspellende gedachte aan de tegenwoordigheid van slangen en krokodillen niet onaangenaam had gestemd, zou deze plek een stukje tooverland kunnen geweest zijn, zóó stil en zóó eenzaam, alsof geen menschelijk wezen ooit deze heiligheid had betreden. Het was voor den ontwikkelden sterveling een plek, om in stille vereering te blijven wijlen bij den Geest der Oneindigheid.

Maar onze zwarte roeiers in hunne primitieve kleeding hadden nu geen oog voor al de schoonheid, die zich hier ten toon spreidde, geen ziel om in trilling te geraken tegenover dit geheiligde natuurtafereel. Hun gemoed was te veel vervuld van vrees en bijgeloovigen angst. Voor hun verduisterden geest scheen het een plek te zijn, waar onzichtbare, booze geesten bij voorkeur ronddolen.

Een krokodil schoot met een zachten plons in het water, en verdween uit het gezicht. De zon daalde in het Westen neêr en wierp onheilspellende schaduwen in het dichte gebladerte. De bootslieden werden van een naamlooze vrees vervuld; hun gezang [370], zoo lang volgehouden, stierf eindelijk geheel weg, en terwijl zij een zilverstuk in het water wierpen, om den Geest van de rivier gunstig te stemmen [371], lichtten zij de riemen uit het water, opdat het geluid, dat deze maakten, den Geest van deze plek niet zou verontrusten. Daarop lieten zij zich te midden eener ademlooze stilte door den stroom meêvoeren, totdat de boot verderop breeder water had bereikt. Toen weêr vrijer ademend, gingen zij met roeien voort, eerst langzaam, doch daarna met steeds toenemende kracht, totdat het geluid der riemen met de echo van het bootgezang volkomen harmonieerde.

Terwijl bij de eerste teekenen van den aanbrekenden dag de zandbanken aan de riviermonding bereikt waren, maakte een sterke zeebries het onmogelijk vooruit te komen, zoodat het gezelschap zich genoodzaakt zag, voor onbepaalden tijd te stoppen.

Vermoeid van het roeien, den langen nacht door, bereidden zij zich twee aan twee in minder gemakkelijke houding tot den slaap voor, waaruit zij eerst na vele uren ontwaakten. Op de met steenen bedekte plaats vóór in de boot werd nu een vuur aangelegd, en daarop een overvloedige hoeveelheid rijst en visch gereed gemaakt. Nadat zij zich nu allen om den grooten rijstpot hadden neêrgezet, begonnen zij het eten in zulke groote hoeveelheden naar binnen te werken, als slechts een negermaag kan bevatten.

Gedurende het geheele verdere deel van den dag bleef de zeebries met slechts een kleine vermindering voortduren, zoodat het hun duidelijk werd, dat ook de nacht rustend zou moeten worden doorgebracht, alvorens de reis kon worden hervat. Het avondeten was een herhaling van den morgen, de hoeveelheid niet uitgezonderd, en toen zij daarmede gereed waren, hielden zij zich op hunne eigene bijzondere wijze bezig.

De volle maag bracht een beminnelijke gemoedsstemming te weeg, en de toenemende schaduwen van den avond wekten bij het volk een gevoel van saamhoorigheid en gezelligheid op, die de tongen losmaakt. Het uur was nu gunstig voor vertellingen: het lichaam was in rust, men verzuimde niets en de nachtelijke duisternis dreef den geest daar vanzelf heen.

In zulke omstandigheden waren vertellingen onvermijdelijk, en er was slechts een ingeving voor noodig, om er meê te beginnen.

De buitengewone ruimte, die Dogbah tot zijn beschikking had, om zooveel rijst te kunnen bergen, waarvan hij kort tevoren bij het avondeten blijk had gegeven, was een ongezochte aanleiding, om een korte grap te maken, waarover allen, het slachtoffer inbegrepen, hartelijk moesten lachen.

Onwillekeurig bracht dit Sobah den ontzettenden eetlust van Heer Spin in de gedachte, de personificatie van de deugden van den Neger, maar ook van zijn ondeugden. Met een guitige flikkering in zijn oog en met een veelzeggende schokschoudering nam Sobah een meer bevelende houding aan, om zich voor zijn vertelling voor te bereiden.

De mannen, gewoon, om de helft hunner gesprekken door meer of minder geheime teekens te voeren, begrepen dadelijk, wat er komen ging, en zetten zich in luisterende houdingen neêr.

De vertelling was vol leven en beweging, en bracht spoedig zoowel den verteller als de luisteraars in de stemming, die de vertelavonden, nog beter vertelnachten bij de negers kenmerkten.

Nadat Sobah een tweetal vertellingen had gedaan, waarnaar de mannen met aandacht geluisterd hadden, en die hen herhaaldelijk in onbedaarlijke lachbuien hadden doen uitbarsten, begon hij in zijn geheugen naar een of anderen daad van vriend Spin te zoeken, waardoor de weinig eervolle rol, die deze kleine held in de beide vertellingen had gespeeld, eenigzins zou kunnen worden goedgemaakt.

Met een „Wel! Spin, sterke kerel!” beantwoordde hij eenigzins vinnig een minachtende opmerking van Dogbah, en als protest tegen diens uitdagende bewering, begon hij het wonderbaarlijke heldenfeit van Heer Spin te vertellen bij een wedstrijd in sterkte tusschen Olifant en Hippopotamus [372]:

SPIN, OLIFANT EN HIPPOPOTAMUS.

„In Afrika heerschte er hongersnood. Ook de dieren konden geen voedsel vinden, want tengevolge van langdurige droogte was het gras verschroeid, waren de planten verdord.

In die troostelooze wereld ontmoette Spin op zekeren dag Olifant. „Wel! Hoe gaat het?” vroeg Spin. „Niet best”, antwoordde Olifant. „Maar, wat ik zeggen wil, hoe kom jij aan den kost? Ik heb al in dagen niets gegeten”.

Spin, die niets bezat en van den honger rammelde, wilde dit echter niet laten blijken en zei dus: „Het is waar, alles ziet er dor en dood uit, maar ik zal spoedig wel een gelegenheid vinden, om mij en mijn gezin rijkelijk van voedsel te voorzien”. „Als je dus een plaats vind”—liet Olifant er op volgen, „verzuim dan niet, mij dadelijk te roepen”.

Spin beloofde dit op zijn woord van waarachtig. „Het gaat mij aan het hart, je zoo mager te zien” zei Spin, „je wordt met den dag kleiner. Vroeger was je zoo reusachtig groot en dik en nu ben je haast van mijn postuur. Je ziet er uit, of je te veel drinkt. Ik geloof stellig, dat ik in staat ben, je van den wal in de rivier te trekken”.

Olifant begreep niet, dat Spin hem een poets wilde bakken en het op zijn leven gemunt had; de goede slungel ging daarom gaarne op de uitdaging van Spin in en riep uit: „Ik zal je toonen, wie sterker is; kom maar op!”

„Goed”, zei Spin, „we zullen touwtrekken en ik zal voor een mooi, dik touw zorgen”.

Hij ging nu naar het bosch op zoek naar een liaan*, een boschtouw, en vond er al spoedig een, zoo dik als een krokodillenkop. Hij sneed dit af en bracht het naar den rivieroever. Daar keek hij uit naar vriend Hippopotamus*, en toen hij dezen zwemmende ontdekte, riep hij hem toe: „Wedden, dat ik sterker ben dan jij en je uit het water trek?”

Hippopotamus begon te lachen en antwoordde: „Wat een bluffer ben je toch; je bent immers veel te klein voor zoo iets. Met mijn kleinen teen [373] trek ik jou met gemak van den kant in de rivier”.

„Best”, zei Spin. „We zullen zien. Wanneer zullen we de proef nemen?”

„Morgen ochtend”, riep Hippopotamus terug.

„Afgesproken”, riep Spin, „ik zal het trektouw wel meêbrengen”.

Spin liep daarop het bosch in naar Olifant en maakte met hem dezelfde afspraak voor den volgenden morgen.

De beide groote dieren hadden in het minst geen vermoeden, dat zij tegen elkaar zouden moeten trekken.

Spin stond op de afgesproken plaats en was met het boschtouw gereed, bond het eene einde daarvan om Olifant, het andere om Hippopotamus, en zorgde dat zij elkander niet konden zien. Toen hij nu zoover gereed was, riep hij de dieren, die met de koppen van elkander afgewend stonden, toe: „houd je gereed; ik begin nu te trekken!”

Spin plaatste zich nu in het midden van het touw, deed er een ruk aan en kroop toen achter een boom weg.

De twee reusachtig sterke dieren begonnen nu met alle macht te trekken. Zij trokken en rukten, tot zij bijna niet meer konden. Spin vuurde hen voortdurend aan met zijn geschreeuw. Geen van beiden wilde het opgeven en zij trokken zóó lang, tot zij buiten adem waren. Hun ijdelheid belette hen te erkennen, dat Spin de sterkere was.

Maar de ijdelheid werd hen noodlottig, want na lang worstelen, vielen zij beiden dood neêr”.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Woorden alleen kunnen geen juisten indruk geven van de werkelijkheid. Sobah wist dezen ook niet bij zijn schildering van den wonderlijken strijd teweeg te brengen, want, geheel medelevend met de toenemende spanning van het verhaal, was hij overeind gaan staan, en ging hij nu zóó geheel op in den strijd, dien hij schilderde, dat hij door toon, blik en gebaar op ieder moment van den verschrikkelijken strijd reageerde, totdat hij bij het van vermoeienis dood neêrvallen der beide strijders eveneens op zijn zitbank uitgeput neêrzonk.

Het was een zeldzaam stukje ongeoefende welsprekendheid. De lange pauze, die de verteller op den dood der beide groote dieren liet volgen, was noodig om de gespannen aandacht weder te vestigen op het slot van het verhaal. Daarna ging hij tot een zachter stemming over, toen hij aldus vervolgde:

„Spin was in zijn nopjes, toen hij de dieren zag bezwijken, en hij riep uit: „Jullie heeten sterker dan ik, maar dat is mis hoor! Ik ben sterker, omdat ik meer verstand heb”. [374] Toen nam hij de dieren op en bracht ze een voor een naar een veilige plaats”.

Dit was een wonderbaarlijk heldenfeit, zelfs voor Heer Spin zelf, en Sobah wierp een blik uit een zijner ooghoeken, om te zien, hoe dit feit door zijn toehoorders ontvangen was geworden. Op hun gelaat stond duidelijk te lezen: „hoe kan dat? Zoo’n kleine spin kan toch geen olifant dragen!” De verteller had echter zijn antwoord dadelijk gereed en zei:

„Toch is het zoo! Spin is te lui om te werken; de lichtste taak valt hem zwaar, maar geroofd voedsel kan hij altijd tillen. Spin droeg dus de dieren naar een plaats, waar hij ze kon villen en in stukken hakken. Hij liet nu dieren aanrukken, om hem bij te staan en het vleesch naar huis te brengen. Zijn helpers beloonde hij op keurige wijze met afval van Olifant en Spin en zijn gezin leefden nu rijkelijk van het door list verkregen voedsel, totdat de hongersnood langzamerhand uit het land verdwenen was”.

„Vóór dien tijd”, moeten jelui weten, „leefden er nog geen visschen in het water. Toen Spin zijn gedoode dieren had afgehakt en het vleesch had weggedragen, wierp hij de rest van den afval in de rivier en ziet, toen kwamen er visschen te voorschijn. Zoo is dus Spin eigenlijk de schepper der visschen geworden, en zoo heeft alles wat visch eet, veel aan hem te danken”. [375]

Deze geheel nieuwe verklaring van den oorsprong der in het water zoo overvloedig voorkomende dieren, scheen voor het kinderlijke brein der zwarte bootslieden niet zoo heel ongeloofelijk. Het water rondom hun boot wemelde op dat oogenblik van visschen, [376] en als Spin ze niet had voortgebracht, wie had het dan gedaan?

Hobahky, voor wiens neus de geur van een dampenden vischpot een heerlijkheid was, uitte dadelijk zijn gevoelens met: „Spin, goed man is; hij gemaakt heeft visch, en wij kan eet die!”

Oleemah was geneigd, geloof te schenken aan het verhaal van Spin, en vereerde in stilte zijn Held, die door zijn behendigheid en list voor zich en zijn familie gedurende den hongersnood aan eten had weten te komen.

In dien tusschentijd was de wind verminderd, en naar een gunstiger kant gedraaid. De wolken, die de maan in den vroegen avond verduisterd hadden, waren opgetrokken. De volle maan verspreidde zijn zilveren glans over het water en Sobah, die met zijn geoefend oog den toestand van weêr en water had geïnspecteerd, besliste, dat het oogenblik nu gunstig was, om de reis voort te zetten.

De kleine mast werd nu omhoog gezet, het zeil geheschen en onmiddellijk daarop joegen de mannen voort in de richting van Freetown, hunne gedachten aan Spin voor minder inspannende uren bewarende.

III. DIEREN-FABEL [377],

verteld door een Bantoe-neger van den Mpongwe-stam in Libreville, hoofdplaats aan de Gaboon-rivier, naar den Engelschen tekst van Robert H. Nassau (N.).

WIE ZIJN KROKODIL’S VERWANTEN?

Personen:

Ngando (Krokodil). Sinyani (Vogels). Sinyama (Beesten). [378]

Krokodil was oud. Ten slotte stierf hij. Snel verspreidde zich het nieuws van zijn dood onder de Beesten. Zijn verwanten en vrienden begaven zich naar de Droefheid. Nadat een daartoe vastgesteld aantal dagen was verstreken, werd de vraag omtrent de verdeeling van zijn eigendommen besproken. Dadelijk reeds ontstond er oneenigheid over de vraag, wie zijn naaste verwanten waren.

De stam der Vogels zei: „Hij behoort tot den onzen en wij zijn dus de eenigen, die op de eigendommen aanspraak maken”.

Hun eisch werd besproken, waarna de anderen vroegen:

„Waarop gronden jullie de verwantschap? Jullie dragen veêren, en geen beschermende platen, zooals hij”.

De vogels antwoordden: „Het is waar, hij droeg onze veêren niet, maar jullie moeten niet kijken naar wat hij bij zijn leven droeg. Oordeel naar wat hij was, toen zijn leven begon. Kijk! Hij begon immers net als wij. Wij gelooven in eieren. Zijn moeder bracht hem als ei ter wereld. Hij is onze naaste verwante, en wij zijn dus zijne erfgenamen”.

Maar de Beesten zeiden: „Niet waar! Wij zijn zijn verwanten, en zijn eigendommen moeten onder ons verdeeld worden”.

Toen kwam de groote Dierenraad bijeen, en deze vroeg aan de Beesten, op welken grond zij dan hunne verwantschap wilden aantoonen en welk antwoord zij konden geven op het argument der vogels met betrekking tot den oorsprong van den Krokodil uit een ei.

De Beesten zeiden: „Wij verklaren, dat het stamkenteeken in het begin moet gezocht worden, niet in een ei. Want alle wezens vangen als eieren aan. Leven is het oorspronkelijke begin. Kijk? Wanneer het leven werkelijk in het ei begint, dan is het stamkenteeken duidelijk. Toen Ngando’s leven begon, had hij vier pooten, evenals wij. Wij oordeelen naar pooten, niet naar eieren. Alzoo is hij onze verwante. En wij zullen zijne eigendommen nemen”.

Maar de Vogels antwoordden: „Jullie beweren, dat wij zijn verwanten niet zijn, omdat wij veêren hebben en geen Ngando-platen. Maar, jullie, kijk naar je zelf! Oordeel naar je eigen woorden. Ook jullie dragen geen Ngando-platen, jullie met jelui haar en dik vel! Jelui woorden zijn niet juist. Het begin van zijn leven was niet, zooals jelui zeggen, het oogenblik, toen de ledematen van de kleine Ngando ontsproten. Reeds daarvóór was er al leven in het ei. En zijn ei was geheel als ons ei, niet wat jullie eieren gelieven te noemen. Jullie zijn dus zijn verwanten niet. Hij behoort bij ons”.

Maar de Beesten bleven redetwisten; het gekrakeel bleef heen en weêr gaan en kwam nooit tot een einde [379].

VERKLAREND REGISTER [380].

N.B. In dit register zijn de volgende afkortingen gebruikt:

A = Arowakken of Arowaksch. B = Boschnegers. C = Caraïben of Caraïbisch. G = Guyana. I = Indianen of Indiaansch. N = Negers. N.E. = Neger-Engelsch. S = Suriname en Surinaamsch. Z = Zie. a = aldaar.

De tusschen haakjes geplaatste letters hebben ook hier betrekking op de geschriften, in het litteratuuroverzicht genoemd.

A.

Aardeten of geophagie is een ziekteverschijnsel, dat zich uit in het eten van aarde, stukken griffels, krijt enz. In S. komt het veel voor bij lijders aan mijnwormziekte (Anchylostomiasis). In den slaventijd kregen de „grondvreters” maskers voor den mond. Dit grondeten is vermoedelijk een verschijnsel der bedoelde mijnwormziekte, veroorzaakt door een parasitischen rondworm (Anchylostoma duodenalis). De lijders aan deze ziekte, die ook veel bij immigranten voorkomt, en waaraan kinderen veelal sterven, worden bleek en voelen zich zeer vermoeid. De hartwerking is verhoogd en de eetlust gestoord.

Aars. Uitmonding van het darmkanaal, waardoor de faeces verwijderd worden.

Aboma. N.E. naam voor Anaconda (Z. a.).

Abonjera. N.E. naam voor een plant (Sesamum indicum L.) uit de fam. der Pedaliaceën, waarvan het zaad, in koekjes gebakken, gegeten wordt. Ook olie wordt uit het zaad geperst (Sesam-olie).

Acouri, ook wel Agoeti (in het N.E. Koni-Koni) genoemd, is een knaagdier (Dasyprocta agoeti), dat in holle boomen huist en van wortels en vruchten leeft. Het vleesch is smakelijk.

Agoeti. Zie Acouri.

Alligator. In G. komen drie soorten van dit Krokodillengeslacht voor. De soorten van dit geslacht, ook Kaaiman (Kaikoetji der A.) genoemd, worden 1.20 M. tot 2.60 M. lang en zijn voor den mensch niet gevaarlijk.

Amalivaca. Mythische Held, die door de C., meer in het bijzonder door de Tamanaca’s, een oorspronkelijken stam der C., vereerd wordt.

Anaconda. De grootste slang van G., ook wel Waterboa genoemd. De A. (Eunectes murinus) wordt 6–8 M., soms 10 M. lang en leeft in de nabijheid van het water. Zie Aboma en Camoedi.

Ananas. Schijnvrucht van Ananas sativus, bevat geen zetmeel, doch veel suiker. De I. Ananas heeft wit vleesch, is ronder en minder geurig.

Animisme is de bij primitieve volken heerschende voorstelling, dat alle natuurverschijnselen uitingen zijn van persoonlijke, denkende, willende wezens. Alle bewerktuigde en onbewerktuigde wezens hebben volgens hen een eigen ziel (anima) of geest. De zielen of geesten hebben volgens dit geloof het vermogen, het dier, de plant of het voorwerp, waarin zij huizen, te verlaten en vrij rond te dolen.

Anjoemara. Groote vischsoort (Hoplias macrophthalmus = Macrodon aimara), die in de Midden- en Boven-rivieren en hare zijstroompjes van G. veel voorkomt, en wier vleesch zeer smakelijk is. Behalve met den hengel en met springlijnen, wordt de A. meestal met zg. springmanden (Z. a.) gevangen.

Anona. Plantengeslacht der Anonaceën, waartoe de zuurzak (A. muricata L.) behoort, die van stekelige wratten voorziene, zeer saprijke vruchten heeft, en de schopappel (A. squamosa L.), wier gladde vruchten, van de grootte van een appel, eveneens gegeten worden.

Apoetoe. Knots, strijdbijl der I., gemaakt uit het zware en harde ijzerhout en het fraaie letterhout. De Apoetoe wordt tegenwoordig nog slechts bij feesten en dansen gebruikt.

Arend. De zg. Harpi (Thrasaëtus harpyia L.) is een der zeldzaamste roofvogels van Guyana’s binnenland, en tevens de grootste. Hij voedt zich hoofdzakelijk met brulapen en luiaards. De I. houden hem tam, ten einde zich op gemakkelijke manier de veeren voor hunne pijlen en hoofdtooi te verschaffen. Twee maal p. jaar worden de veeren, die een belangrijk ruilartikel zijn, aan het tamme dier ontnomen. De vrouwen zorgen voor de voedering en dragen het dier met zich meê, als de I. hetzij tijdelijk, hetzij voor altijd een verblijf verlaten. De bezitter van een levenden Harpi is bij de I. zeer in aanzien.

Armadil. Naam voor het gordeldier, meer in het bijzonder van een groote soort (Priodontes giganteus). Het schild van de gewone soort, die als alle Gordeldieren in eigengegraven holen, meest op zandterreinen huist, wordt in de I.-hutten vaak gezien. In S. heet het gordeldier schildvarken, in het N.E. kapasì.

Awari. Buidelrat. Verschillende soorten van het tot de Roofbuideldieren behoorend geslacht Didelphis, dat tot Amerika beperkt is, komen in G. voor, en zijn gevreesde kippendieven. Zie ook: Boschrat. Onder Awari verstaat men ook een spel, dat groote overeenkomst heeft met het Dakonspel op Java. Dit spel, dat met het Awari-bord (Awari-bángi) gespeeld wordt en een groot verspreidingsgebied heeft, moet door de negerslaven uit Afrika naar W.-I. zijn overgebracht. Zelfs de B. spelen het. (C.a.)

Azéman. Heks, die volgens het geloof der negers des nachts in lichtenden gloed rondwaart, om menschen bloed uit te zuigen. Het volk gelooft, dat de vampier (Z. a.) een doode is, die ’s nachts zijn graf verlaat, om den levenden bloed uit te zuigen. De Azéman kan allerlei vormen aannemen en door kleine openingen binnendringen.

B.

Baboen. N.E. voor Brulaap (Mycetes seniculus). De C. noemen deze schreeuwer der wouden van G. Aloeatta, de A. Atoeli. Het vervaarlijk gebrul, dat de baboen, vooral in het vroege morgenuur, laat hooren, wordt teweeggebracht door een zakvormige holte aan het strottenhoofd, die gesteund wordt door een balonvormige uitbreiding van het tongbeen. Het oude mannetje, dat het gebrul inleidt en aanvoert, noemen de N. de dominee. (Zie C. b., waar een afb. van deze klankbodem voorkomt).

Baboenland. De voorstelling, die in No. 11 van de I.-serie door deze voortreffelijke natuurwaarnemers van het Baboenland hoog in de boomen van het oerwoud, gegeven wordt, is begrijpelijk voor wien het familieleven van een troep brulapen op een hoogen boom aan den oever van een der Surinaamsche rivieren heeft mogen gadeslaan (C. b.).

Bacove. Zie bij Banaan.

Bactris. Geslacht van Palmen, waarvan de stam met lange, gemakkelijk loslatende stekels bedekt is. B. minax, Miq., de Kiskissi makà der N., heeft blauwzwarte vruchten, die gegeten worden.

Bajadoe. A. naam voor duizendpoot (Z. a.).

Bakkeljauw. Amerikaansche gedroogde visch.

Bakróe. Soort geest, die gezegd wordt in een dwerg te huizen. Deze kan ook den vorm van dieren aannemen en tijdelijk in levenlooze voorwerpen zijn verblijf opslaan. De bakróe, waaraan ziekten en allerlei ongemakken toegeschreven worden, kan, zoo gelooft men, alleen door de Wisiman (Z. a.) uitgedreven worden. De Bakróe neemt in het neger-bijgeloof een belangrijke plaats in. (Zie verder: Encyclopedie v. W. I. en P. b.).

Banab. Tijdelijke hut, die de I. bouwen tot bescherming gedurende den nacht.

Banaan of Pisang, is een var. v. Musa paradisiaca. De vrucht heeft een hoog zetmeelgehalte en vertoont vele variaties, die met bepaalde namen worden aangeduid. De I. planten op hunne kostgronden bananen aan; hun gerecht, dat tom-tom heet, wordt uit bananen bereid.