Mythen en sagen uit West-Indië
Part 26
In 1673 waren ongeveer 1905 negers op Jamaica werkzaam, de marrones niet meegerekend, een getal dat in 1690 reeds tot 40,000 gestegen was. De behoefte aan zwarte arbeidskrachten deed zich nog meer gevoelen, toen in 1721 de koffie werd ingevoerd, zoodat in 1807, toen de slavernij er werd opgeheven, zich reeds 323,827 negers op Jamaica bevonden.
Deze waren bijna uitsluitend uit West-Afrika aangevoerd. De marrones („marroons” in het Engelsch) kwamen van Guinea tusschen de Gambia-rivier en Sierra Leone en van de Goudkust; de Koromantijnen, eveneens van de Goudkust, terwijl er ook van het Niger-delta, van Lagos en Dahomey en van de Congo en Angola zijn aangevoerd.
Evenals wij dit voor Suriname hebben trachten aan te toonen, is het wel zeker dat verreweg het grootste deel der negerslaven van Jamaica van de Goudkust afkomstig is, waar de Engelschen tusschen 1680 en 1807 slavendepôts hadden, en dat ook uit de meer oostwaarts gelegen deelen van de kust van Guinea negers naar het eiland kwamen.
Deze afkomst vinden wij nu ook hier weder bevestigd door het feit, dat het grootste deel van de Neger-folk-lore van Jamaica tot de Goudkust met het achterland moet worden teruggevoerd en ook door de overblijfselen van de Afrikaansche taal, die nog in het Neger-Engelsch van Jamaica worden aangetroffen en die afgeleid moeten worden van de Tshitaal der Ashantijnen en Fantijnen (Joh. blz. 276). [354] Het Afrikaansche element is in de taal der Jamaica-negers veel meer door het Europeesche, hier het Engelsche element, verdrongen, dan in Suriname, zoodat hun taal een verafrikaansd Engelsch mag genoemd worden.
Kan het nu verwonderen, dat ook in het leven der Jamaicaansche Negers de Spinvertellingen (hier „Nancy-Stories” genoemd) een belangrijke rol spelen?
Hetgeen Uncle Remus voor Georgia gedaan heeft (Ha.), deed Jekyll voor Jamaica (Je.), en uit hun arbeid is ten duidelijkste gebleken, dat op Jamaica het Afrikaansche element veel meer door het Europeesche verdrongen is, dan in Georgia. Want van de 50 vertellingen, door Jekyll medegedeeld, zijn zeker 11 uit Europa ingevoerd, en, hetgeen eigenaardig is, eenigen schijnen hun weg naar het eiland gevonden te hebben uit Portugal over Afrika.
Een groot deel der Jamaicaansche vertellingen zijn, hetzij zij tot de echte Anansi-vertellingen behooren of niet, dezelfde dierenfabels of sprookjes, den lezer reeds uit Suriname bekend, en behooren tot dezelfde type als de Uncle Remus-serie (Ha.) en de talrijke vertellingen van de West-kust van Afrika (Ba en Cr.). Alle dieren, die er in voorkomen, stellen menschelijk denkende wezens voor, en zijn ook hier gepersonifieerd door vóór den naam van het dier een voorvoegsel te plaatsen, uit de Europeesche talen afkomstig, hetzij dit Mr., Brer (van Brother) enz. luidt.
De naam „Annancy”, zooals op Jamaica de spin heet, zegt voor de afkomst der vertellingen genoeg. Ook hier vinden wij de zelfde anansi der Neger-vertellingen uit Suriname en de Goudkust terug, met zijn formidabelen eetlust en zijn vele streken om aan voedsel te komen, met zijn vrees voor den dood, waaraan hij op allerlei manieren tracht te ontkomen, met zijn voortdurend streven, om oneenigheid onder de dieren te stichten enz., om van vele andere overeenkomstige eigenschappen niet te spreken, die een zelfden oorsprong der vertellingen verraden.
Opvallend is het, dat de schildpad, die elders zoo dikwijls in de Neger-vertellingen optreedt, op Jamaica gemist wordt, doch hier vervangen wordt door de pad—hetgeen begrijpelijk is, want de schildpad (steeds wordt aan de Goudkust en de Slavenkust, wanneer dit dier in de vertellingen optreedt, een landschildpad bedoeld) komt op Jamaica niet voor. Enkele malen treedt ook hier „Brer Rabbit” op, die echter weinig meer herinnert aan het traditioneele karakter, uit de vertellingen van de Goudkust en Sierra Leone bekend.
Het luipaard, dat zoo dikwijls in de West-Afrikaansche negervertellingen optreedt, is evenals in Suriname op Jamaica vervangen door den tijger, hoewel de jagoear er, evenals vele andere voor de Zuid-Amerikaansche fauna karakteristieke zoogdieren, ontbreekt.
Jekyll herinnert er aan, dat de spin in de vertellingen steeds in zulk een slecht daglicht wordt gesteld, hetgeen wellicht hieraan moet worden toegeschreven dat de verhalen meestal een moraliseerend karakter hebben, en het laten uitkomen der slechte eigenschappen de bedoeling zal hebben, het luisterende volk beter te maken.
Evenals voor mij tijdens ons verblijf in de Surinaamsche oerwouden een plotseling uit het achter onze kampplaats gelegen negerkampement tot mij komende schaterlach het teeken was, dat een onzer arbeiders een anansi-tori aan het vertellen was en een geestigheid debiteerde, zoo is ook voor de negers op Jamaica het luisteren naar „Nancy-stories” de geliefkoosde tijdpasseering na volbrachten dagtaak; en wanneer plotseling uit een groepje negers op het veld een schaterlach opstijgt, kan men er zeker van zijn, dat een „Story-teller” bezig is „Bro’er” of „Mr. Annancy” een of andere geestigheid te laten zeggen of doen.
Opmerking verdient het nog, dat meerdere vertellingen uit Jekyll’s bundel leeren, waarom de spin te midden van een bananentros leeft (en niet zooals in Suriname in „beslagruimten”), hetgeen niet vreemd is, omdat zijne „Nancy-stories” op de cultuurondernemingen van het groote eiland werden bijeengebracht, waar sedert jaren een uitgebreide bananencultuur wordt uitgeoefend,
Het drietal „Nancy-stories”, die ik voor dezen bundel uit Jekyll’s boek heb uitgekozen, zullen den lezer daarom zeker welkom zijn, omdat de schrijver ook de melodieën heeft tusschengevoegd, waarmede de verteller zijne verhalen steeds laat afwisselen.
Op Jamaica schijnt de moraliseerende bedoeling der negervertellingen geheel op den achtergrond te zijn geraakt. Zij worden hier bijna uitsluitend tot ontspanning verteld, en de beleefdheid schijnt daar mede te brengen, dat de verteller zijn verhaal eindigt met: „Jack Mantora me no choose any”, waarmeê hij wil zeggen: „Deze vertelling is noch gericht tot jou, Jack (d.i. een willekeurige toehoorder) noch tot een der anderen”.
1. ANNANCY IN KRABBENLAND.
Op een goeden dag stelde Anansi zichzelf tot predikant aan en begon al preekende het land door te trekken. Op deze wijze bereikte hij eindelijk Krabbenland. [355] Doch zijn woord vond daar geen gehoor: de Krabben wilden niet naar hem luisteren.
„Wie niet sterk is, moet slim zijn”, dacht Anansi, „vriend Krab zal zich door mij wel laten bekeeren. Daar kan hij donder op zeggen”. Hij keerde nu naar huis terug, tooide er zich met toga en baret, schilderde zijn neus rood—alles om een meer betrouwbaren indruk te maken—en haalde eenige zijner vrienden over, om gezamenlijk zendingswerk te gaan verrichten. De vrienden waren de Heeren Pad, Rat en Kraai*.
Al spoedig gingen zij met hun vieren op stap, en toen zij Krabbenland bereikt hadden, begon Anansi ijverig en vurig te preeken, echter met geen beter gevolg dan voorheen: bij vriend Krab vond zijn woord geen ingang.
Anansi huurde toen van vriend Krab een huis, en trok daar in. Inziende, dat Krab zich niet met preeken zou laten vangen, besloot Anansi, die altijd veel snaren op zijn boog heeft, een anderen weg in te slaan. Hij vervaardigde een trom en een viool, liet Kraai viool spelen, en vriend Rat den trom roeren. Maar de muziek bevredigde hem nog niet; zij maakte te weinig lawaai; er moest meer bij. Hij voegde daarom nog een fluit aan zijn orkest toe en liet deze door vriend Pad bespelen.
Toen hij dit nu alles voor elkaar had, begon hij uitvoeringen te geven en volgde nauwkeurig de levenswijze van de Krabben. En ziet! Deze kwamen nu telkens bij hem en geraakten geheel onder zijn invloed. Wat Anansi echter in zijn schild voerde, dat vermocht vriend Krab niet te doorzien.
Toen Anansi nu in Krabbenland niet langer gewantrouwd werd, besloot hij verder te gaan. Openlijk liet zijn Eerwaarde nu aankondigen, [356] dat er in zijn woning een plechtig doopfeest zou plaats hebben, en dat de plechtigheid door de uitvoering van hemelsche muziek zou worden opgeluisterd. De gasten zouden met muziek ontvangen worden en met muziek voorop naar huis teruggebracht worden. Onder de tonen der muziek zou het loopen voor Krab een genot zijn.
Nu begon de groote repetitie. Vriend Rat sloeg op den trom, dat het donderde; Kraai speelde op de viool, zoodat de vonken er afvlogen, en Pad speelde op de fluit, zoodat de aderen op zijn hoofd opzwollen. Anansi zou hen voorzingen, wat er gespeeld moest worden, en het eerste nummer luidde:
[Muzieknotatie]
The bands a roll, [357] The bands a roll, the bands a roll, a go to Mount Si-ney [358] Sa - lem is Zak - kilow, [359] Some a we da go to Mount Si - ney. [360]
Verder sprak Anansi met zijn vrienden af, dat zij zich voor den schijn door hem moesten laten doopen, en wel met zooveel vertoon, dat vriend Krab verlangen zou, die plechtigheid ook te ondergaan.
Het doopfeest vond nu plaats en toen het was afgeloopen, waren de Krabben daarover zóó in de wolken, dat zij niet konden nalaten te verzoeken, hen op dezelfde wijze te begenadigen als Anansi’s vrienden.
Anansi antwoordde hen, dat hij vriend Krab de genade en den doop niet wilde onthouden, maar dat hij er nog meê wilde wachten tot den volgenden morgen, omdat hij zich door vasten er op moest voorbereiden. Vriend Krab was met dit antwoord zeer in zijn schik.
Anansi legde nu zijn vrienden uit, wat hij van plan was te doen. Hij zou vriend Krab doopen, maar niet met koud, maar met kokend water. Hij liet een diep vat aanrukken, stelde dit als doopvont op, en verzocht zijn vriend Krab, in het vat te kruipen en op den bodem daarvan plaats te nemen. Toen het zoover was, vroeg Anansi zijn vrienden, den gereed gemaakten ketel over te reiken, en hij goot dien over vriend Krab uit, wiens lichaam daardoor geheel rood werd.
Toen Anansi dit zag, riep hij uit: „De Hemel zij dank, nu kan de slimme rakkert mij niet langer weêrstreven, en zal Anansi hem rustig bij zijn ontbijt kunnen verorberen”.
Sedert dien tijd bedriegt Anansi al zijn vrienden.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack.
2. REIGER.
Er was eens een Indiaansche vrouw, die een dochter had, geboren met een gouden ring om den vinger. Iedereen had van het geval gehoord, maar niemand had het merkwaardige meisje gezien.
Toen Anansi deze geschiedenis vernam, wekte ze zijn eerzucht op, en hij besloot het meisje tot zijn vrouw te nemen. Hij overlegde nu, hoe hij het aan zou leggen, bij haar te worden toegelaten.
Aan het hoofd zijner muziekanten trok hij naar de woning van het meisje en op zijn beleefd verzoek werd hij op het omheinde erf toegelaten. Hij liet de muziekanten hun mooiste stukken spelen, maar deze konden het meisje niet bekooren; haar gelaat bleef strak. Zij bleef droevig voor zich uitstaren; zij glimlachte niet eens. Anansi, die zag, dat hij niet vorderde, zei haar nu goeden dag en ging weêr naar huis terug.
Onderweg ontmoette hij zijn boezemvriend, heer Konijn. „Zeg, broêr Anansi”, vroeg Konijn, „waar kom jij zoo vandaan?”, waarop Anansi vertelde wat er gebeurd was. Toen Konijn alles had gehoord, gaf hij Anansi te kennen, dat hij eveneens zijn geluk bij het meisje wilde gaan beproeven. „Doe dat”, zei Anansi, „jij bent een heerlijke blanke meneer; ik heb zoo’n idee, dat je slagen zult. Maar als het in orde komt, deel het me in het teruggaan meê, en, wat ik zeggen wil, in dat geval moet je mij als kamerheer te werk stellen”.
Konijn begreep niet, wat Anansi bedoelde, die stellig van plan was, hem het meisje afhandig te maken.
Konijn begaf zich nu naar de woning van het meisje. De moeder deed hem open en vroeg wat hij wilde. „Ik ben op zoek naar een verloofde”, zei Konijn, „en denk haar hier te zullen vinden”. „Het spijt me, Heer Konijn”, zei de moeder, „want ge zijt slechts een wouddier en aan een dier wensch ik mijn dochter niet uit te huwen.”
Na eenig dralen begreep Konijn, dat hij maar moest heengaan [361].
Intusschen was Anansi buiten op Konijn blijven wachten, nieuwsgierig om te vernemen, hoe het was afgeloopen. Toen hij nu van Konijn vernam, dat ook deze een blauwtje had geloopen en zij samen het geval bleven bespreken, voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.
Naar huis gaande, overlegde Reiger of ook hij niet een kans behoorde te wagen, en hoe hij het zou aanleggen. Hij kleedde zich als een fijne meneer, huurde een omnibus en reed naar het huis van het meisje, waar hij hartelijk werd ontvangen en zóó in den smaak viel, dat reeds dadelijk alles geregeld kon worden voor het aanstaand huwelijk.
Nu was er in het huis van het meisje een jongen, die toovenaar was, en toen deze Reiger goed had bekeken, zei hij: „dat is geen fijne meneer; dat is niemand anders dan Reiger, die zich verkleed heeft”.
„Je liegt”, zei het meisje, „het is mijn beminde, en geen verkleede bedrieger”. „Heb geduld”, antwoordde de jonge man, „ik vind dat wel uit”.
Hij volgde Reiger, eerst naar diens huis, en daarna naar den oever der rivier, waar Reiger ging visschen. De toovenaar klom daar ongemerkt in een boom, en terwijl Reiger zich daar met zijn arbeid bezig hield, begon de jongen te zingen:
[Muzieknotatie]
Moderato.
My id dy, my id dy, Pyang [362], ha - lee, [363] Come go da ri - - ver go, Pyang me.
Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - - wah - - lee [364], Pyang, me. Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - wah - lee, Pyang.
Reiger had geen flauw vermoeden, dat iemand hem van een boom uit zat te begluren.
Toen nu de toovenaar voor den eersten keer het lied had aangeheven, richtte Reiger zich op en daardoor viel de hoed van zijn hoofd.
Toen nu de jongen het lied herhaalde, viel als vanzelf eerst de jas en daarna het hemd van zijn lichaam en nadat de jongen het lied voor de derde maal had gezongen, viel Reigers broek naar beneden.
De toovenaar had zich nu overtuigd, dat zijn vermoeden gegrond was, en dat de vrijer van het Indiaansche meisje niemand anders dan Reiger was, die zich onkenbaar had trachten te maken.
Reiger was nu, bevrijd van zijn kleeren, ijverig begonnen te visschen en daarvan maakte de jongen gebruik, om zich ongemerkt uit de voeten te maken.
Toen nu den daaropvolgenden dag de bruiloft zou plaats hebben [365] en allen zich om den feestdisch geschaard hadden, stond de jonge toovenaar op en zei: „Dames en heeren, als ge een aardig liedje wilt hooren, ik weet er een”. Allen riepen als uit één mond: „Graag, steek van wal”!
De jonge man greep nu zijn viool, stemde die en begon te zingen:
(volgt hetzelfde lied).
Reiger schrok en riep uit: „Neen, broêr, houd op met dat lied, ik kan het niet aanhooren. Dit lied doodde mijn grootvader en als ik het hoor zingen, word ik bedroefd”. Maar de toovenaar ging door met spelen en zingen en ziet, achtereenvolgens vielen weêr al de kleeren van Reiger’s lijf.
Toen Reiger zich nu ontmaskerd zag, vloog hij door de open deur naar buiten en verhief zich hoog in de lucht.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack.
3. ANNANCY, POES EN RAT. [366]
Eens op een dag deden Anansi en Poes een dansje en noodigden Rat tot het bal uit. Anansi nam de viool en zong:
[Muzieknotatie]
Presto.
Ying de Ying de Ying, Ying de Ying de Ying, take care you go talk, Oh! min’ you tatt-ler tongue, Ying de Ying, Min’ you tatt - - ler tongue, Ying de Ying Min’ you tatt - - ler tongue, Ying de Ying.
waarop hij liet volgen:
[Muzieknotatie]
Allegro vivace.
Ban - dy—wi - chy wich, Ban - dy—wi - chy wich, Ban - dy wi - chy wich, Tim - ber hang an’ fall la la, fall la la, fall la.
Toen Rat steeds sneller danste, viel zijn broek naar beneden, die hem achteraan sleepte, en waarvoor hij zich zóó schaamde, dat hij in een hol de vlucht nam.
Hierdoor komt het, dat de rat tot op den huidigen dag in een hol verblijf houdt.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack!
BIJVOEGSELS.
I. NEGER-SPREEKWOORDEN.
A. SURINAME.
NEGER-ENGELSCH. NEDERLANDSCHE VERTALING.
1. So lánga Joe no kóti 1. De zin is: Men moet den duivel ábra, Joe no moe kósi te vriend houden. káiman. 2. A no so léki bákka, a no 2. De zin is: Blaffende honden so a de fádon. bijten niet. 3. Táki réti a no asránti. 3. Waarheid spreken is nog geen oneerbiedigheid. 4. Joe séri wísiman, Joe 4. Gij verkoopt een vergever en bai azéman. koopt een heks terug. De zin is: Gij geraakt van den wal in de sloot. 5. Te joe nákki káppa lási, 5. Als ge onder aan den suikerketel joe jeri boliman tongo. klopt, zult gij des kokers stem vernemen. De zin is: Wie bij het onderzoek naar de waarheid den rechten man treft, zal het ware van de zaak vernemen. 6. Te brafoe fájà, joe de 6. Als de soep heet is, gebruikt téki spoen de driéngi men een lepel, maar als zij koud hem, ma te a kóuroe, han is, steekt men er de hand in. De sa wakka na ini. zin is: Den zachtzinnige durft men aan, den driftige ontziet men. 7. Joe sa kìbri óuwroe 7. Ge zult een oude bes (vrouw) mamá, ma joe no sa kìbri verbergen, maar haren hoest kunt hém froekóutoe. ge niet verbergen; d.i. de aap komt altijd uit de mouw. 8. Grabóe njanjám, ma no 8. Grabbel naar spijs, maar niet grabóe taki. naar praatjes. 9. Tángi foe boen da kódja. 9. Stank voor dank. 10. Tóngo tjári hem mássra 10. De tong voert haren meester tot na boen, atjári hem geluk, maar brengt hem ook mássra na ógri toe. dikwerf in het ongeluk. 11. Tódo táki, iffi joe de 11. De kikvorsch zegt: zoo er van táki foe gogó, mi no kan billen gesproken wordt, kan ik piki, mára iffi joe de niet meespreken, maar als ge taki foe hai, mi kon over oogen handelt, zal ik U te piki. woord staan. 12. Sáni móro keeskési, a 12. Als de aap in de benauwdheid brasà makà. zit, omvat hij den doornstruik. 13. Joe ha’ prasénsi, joe sa 13. Als ge geduld hebt, kunt ge de si míra bére. ingewanden van een mier zien. De zin is: geduld overwint alles. 14. Bósi swíti, ma a tjári 14. Kussen is zoet, maar baart wel sábiso. eens berouw. 15. Hattí-bron no de méki 15. Gramschap brengt geen goed wan boen pikíen. kroost voort. 16. Nanái de háli tetéi, 16. De naald trekt de draad en de tetéi de háli nanái. draad trekt de naald. De zin is: Wij hebben elkander onderling noodig. 17. Móni kabà, kómpe kabà. 17. Als het geld op is, is ’t met de vrienden gedaan. 18. Te joe tráppoe na míra 18. Wanneer ge in een mierennest hóso, joe sabi ho disi trapt, weet ge dan, welke mier u béti joe. gebeten heeft? 19. Bégi móro bétre léki 19. Bedelen is beter dan stelen, foefóeroe, ma wróko da maar werken is de baas! bási. 20. Joe lóbi okró*, joe moe 20. Houdt ge van de okra*, dan moet lóbi hem síri toe. ge ook van de pitten houden. De zin is: Zoo ge van mij houdt, houdt ge ook van mijn kinderen.
B. WEST-AFRIKA.
a. De Ewe-taal sprekende Negerstammen van de Goudkust.
1. Hij, die geen zitbankje vindt, moet op den grond zitten.
2. Als een mensch geen kleine mat tot zijn beschikking heeft, moet hij staande slapen.
NB. Beide spreekwoorden worden gebruikt, om uit te drukken, dat men zich naar de omstandigheden behoort te voegen.
3. Hoewel men twee oogen heeft, ziet men toch geen twee dingen tegelijk.
4. Men kan niet op twee vogels tegelijk jacht maken.
NB. Deze beide spreekwoorden behooren tot een groep, die moet leeren, dat men nooit twee dingen tegelijk kan doen.
5. Rijken kunnen slaven koopen, doch niet hun leven.
6. Wanneer een jongen beweert, dat hij water met een touw wil ophalen, vraag hem dan, of hij het water
NB. Dit spreekwoord wil zooveel zeggen als: Antwoord een dwaas in overeenstemming met zijn dwaasheden.
7. De vogel in het hok is onbekend met den dag van zijn dood.
8. Geen menschenkind weet, wanneer hij sterven zal.
NB. Beide spreekwoorden werden eertijds gebruikt, om het volk er aan te herinneren, dat zij er ieder oogenblik aan blootstonden, als slaven verkocht te worden.
9. Kauris* maken den mensch.
10. De zoon van den vreemdeling maakt het volk toornig.
NB. Dit spreekwoord heeft betrekking op vreemdelingen, die lachen om de gebruiken van den inboorling. De zoon doelt op de ervaring, dat jongeren hiertoe eerder geneigd zijn dan menschen van meer ondervinding.
11. Door babbelpraatjes in de woning blinkt de mensch niet uit.
NB. De zin is: Daden, geen woorden.
12. Hij, die voor zich zelf werkt, kan doen wat hem bevalt.
13. De mond zegt een menigte dingen, die het hart niet uitbrengen kan.
14. Steenen zijn zwaar, doch de steenen stamper is nog zwaarder.
NB. Daar de steen, waarmede het koren wordt gestampt, in verhouding tot zijn grootte zeer zwaar is, beduidt dit spreekwoord: Oordeel niet naar den schijn.
b. De Yoruba-taal sprekende stammen der slavenkust.
1. Hij die vergeeft, maakt een einde aan den twist.
2. Een scherp woord is even taai als een boogpees.
NB. De zin is: Een scherp woord kan niet geheeld worden, een wond wel.
3. Begin niets, wat ge niet tot een goed einde kunt brengen.
4. Hij die een schoonheid huwt, trouwt verdriet en ellende. [367]
5. Met fortuin kan men geboren worden, doch wijsheid komt eerst later.
6. Waar de mensch ook heen trekt, altijd neemt hij zijn karakter meê.
7. Goud moest alleen verkocht kunnen worden aan hem, die de waarde er van kent.
8. Wanneer ge niemand naar de markt zendt, zal de markt niemand naar U zenden.
9. Datgene, waarvan een kind houdt, zal zijn maag geen kwaad doen.
10. Wanneer ge te gauw een vrouw lief hebt, zult ge haar spoedig niet meer beminnen.
II. AVOND OP HET WATER
in Sierra Leone
naar Florence M. Cronise en Henry W. Ward.
Sobah was een geboren handelsman en als zoodanig het type van zijn stamgenooten, wier meest op den voorgrond tredende eigenschappen koopmansgeest was.
Dikwijls had hij ver het land in tochten gemaakt, om waren te verhandelen en hij had ook nu en dan een bootlading met produkten naar de markt van Freetown [368] gebracht. Heden kwam de handelsman weêr bij hem te voorschijn. Nadat hij zich van een zestal mannen voor den boottocht had verzekerd, besteedde hij den dag om zijn waren bijeen te brengen en in de boot te laden.
De lading bestond uit manden met rijst, palmolie, peper, kolanoten*, kleedingstukken van het land, rubber en ivoor. Een witte vogel werd voor in de boot geplaatst, in de vaste overtuiging, dat diens tegenwoordigheid een voorspoedige reis zou kunnen verzekeren.