Mythen & Legenden van Japan

Chapter 9

Chapter 93,812 wordsPublic domain

Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat, verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en verschrikkelijken Emma-O, den Heer en Rechter der dooden, en hoe dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had gedood. Emma-O was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizo naast haar staan, en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Jizo vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-O, en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-O vervulde den wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan.

HOOFDSTUK VII. DE LEGENDE IN DE JAPANSCHE KUNST.

De Beteekenis der Japansche Kunst.

Sir Alfred East beschreef in zijn voordrachten over Japansche kunst die kunst als "groot in kleine zaken, maar klein in groote zaken", en dit is, in het algemeen gesproken, zeer juist. De Japansche kunstenaar munt uit in het schilderen van bloemen, insecten en vogels. Hij slaagt er voortreffelijk in, de kronkeling van een golf te schilderen, of een tak met kersebloesems in het licht der volle maan, de vlucht van een reiger, een groep pijnboomen, of een karper, die in een rivier zwemt; maar die uitnemende gave van nauwkeurige en haarfijne detailleering schijnt hem te hebben verhinderd, datgene te teekenen, wat wij een groot genrestuk noemen, een historische tafereel met een groot aantal figuren. Dat ernstige verlangen, om verschillende fragmenten naar de Natuur te schilderen, was geen kleingeestig of academisch begrip. De kunst was niet uitsluitend bestemd voor den _kakemono_, of hangende rol, om in een nis van een Japansch huis te worden opgehangen, ten einde een korten tijd te worden bewonderd, om dan weer door een ander te worden vervangen. De kunst in Japan was universeel, zooals dit in geen ander land ter wereld het geval is geweest; een goedkoope handdoek had een behagelijk patroon, en zelfs speelkaarten waren, in afwijking van de onze, kunstwerken.

Men heeft dikwijls beweerd, dat de vrouw in de Japansche kunst houterig is. Dit is inderdaad niet het geval, indien wij door houterig verstaan: geheel zonder uitdrukking; maar het is noodzakelijk, dat wij eerst iets weten omtrent de Japansche vrouw in het leven zelf, voordat wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de wijze, waarop zij in de kunst wordt voorgesteld. Er is een schat van traditie achter dat schijnbaar onbewegelijke gelaat. Het is een merkwaardig feit, dat elk gelaat, zoolang wij nog niet gewend zijn aan de verschillende Japansche typen, zóózeer op de andere gelijkt, dat er geen sprake is, ze van elkander te kunnen onderscheiden, en wij zouden er toe kunnen komen, te meenen, dat de natuur in Japan er mede tevreden is geweest, dezelfde gelaatstrekken telkens te herhalen, doch zouden dan vergeten, dat ook wij aan de Japanners op het eerste gezicht geen verschil in type vertoonen. Het Japansche gelaat is in de kunst niet zonder uitdrukking, maar het is een uitdrukking, die tamelijk afwijkt van die, waarmede wij vertrouwd zijn, en dit is in het bijzonder het geval bij het schilderen van Japansche vrouwen. De meesten van ons hebben een aantal gekleurde prenten gezien, aan dit onderwerp gewijd, en die niet de minste schaduw op het gelaat vertoonen. Wij zouden geneigd zijn te beweren, dat dit weglaten van schaduw een bijzonder vlakke uitdrukking aan het gelaat geeft, en daarom de opmerking te maken, dat het ons voorgelegde werk van weinig kunst getuigt. Maar het is inderdaad geen gebrek aan kunst, want het Japansche gelaat _is_ vlak, en de kunstenaars uit dat land vergeten nooit dit karakteristieke weer te geven. Gekleurde prenten, die Japansche vrouwen voorstellen, drukken geen gemoedsbeweging uit--een glimlach, een gebaar van smachtend verlangen ontbreekt; maar het zou verkeerd zijn, uit het feit, dat wij zooveel negatieve eigenschappen vinden, te besluiten, dat een gekleurde prent van dien aard geen gevoel uitdrukt, en dat de algemeene indruk popperig en weinig belangrijk is. Wij moeten er om denken, hoe lang de periode geduurd heeft, dat de Japansche vrouw is onderdrukt geworden. Een slechts oppervlakkige studie van die belangrijke verhandeling van Kaibaira, die bekend staat onder den naam van _Onna Daigaku_, of "Meerdere Kennis voor Vrouwen", zal ons leeren inzien, dat het de plicht van iedere Japansche vrouw is, lieftallig, vriendelijk en deugdzaam te zijn; zonder morren te gehoorzamen aan hen, die gezag over haar hebben, en bovenal haar gevoelens te onderdrukken. Als wij dit alles in aanmerking nemen, zullen wij geleidelijk tot de ontdekking komen, dat er kracht en geen zwakheid is in een portret van een Japansche vrouw; een rustige en waardige schoonheid, waarin elke opwelling in bedwang wordt gehouden, als het ware gehuld in een wolk van strenge overlevering. Toch heeft de Japansche vrouw, hoewel voortdurend omringd door de strengste tucht, ons een type van vrouwelijkheid gegeven, dat voortreffelijk is in haar ware innemendheid van karakter, en de Japansche kunstenaar heeft de toovermacht van hare bekoring weten te vatten. In de buiging harer lijnen geeft hij ons een beeld van de sierlijkheid van een door den wind bewogen wilg, in de patronen op haar kleed de belofte van de lente, en achter den kleinen, rooden mond een rijkdom van onbegrensde mogelijkheden.

Japan had haar kunst te danken aan het Buddhisme, en deze werd ontwikkeld en onderhouden onder Chineeschen invloed. Het Buddhisme gaf Nippon haar schilderkunst, haar wandversieringen en haar uitnemend beeldhouwwerk. De Shinto-tempels waren streng en eenvoudig, die der Buddhisten gevuld met alles, wat de kunst hun kon geven; en ten slotte, en dit was niet de minst belangrijke factor, door het Buddhisme werd in Japan de tuinbouwkunst ingevoerd, met al haar uitgewerkt en schoon symbolisme.

Een Japansch kunstcriticus heeft eens geschreven: "Indien te midden van een penseelstreek een houw van een zwaard het penseel had doorgehakt, zou deze gebloed hebben". Hieruit mogen wij afleiden, dat de Japansche kunstenaar zijn geheele hart en zijn geheele ziel in zijn werk legde; het was een deel van hem zelf, iets wat zijn leven beheerschte, iets wat innig aan godsdienst verwant was. Het is dan ook niet te verwonderen, dat hij, met die groote kracht achter zijn penseel, in staat was die buitengewone levendigheid en beweeglijkheid aan zijn werk te geven, die zoo treffend is weergegeven in portretten van tooneelspelers.

Hoewel wij tot nu toe den Japanschen kunstenaar alleen hebben doorzien als een meester in kleine zaken, toch heeft hij met groote trouw en met uitnemend gevolg de Goden en Godinnen van zijn land voorgesteld, en een aantal van de mythen en legenden, die met dezen samenhangen. Terwijl hij uitmuntte in het weergeven van het schoone, niet minder muntte hij uit in de beschrijving van het afgrijselijke, immers geen kunstenaar ter wereld, met uitzondering van die uit China, is er in geslaagd, het bovennatuurlijke met beteren uitslag weer te geven. Wat een verschil is er tusschen een uitnemende afbeelding van Jizo of Buddha of Kwannon en de afbeelding van een Japanschen boozen geest! Buitengewone schoonheid en leelijkheid kan men in de Japansche kunst te vinden, en zij, die genot vinden in de talrijke afbeeldingen van den berg Fuji en de kleuren der afbeeldingen van de vrouwen van Utamaru, zal zich vol afschuw afwenden van de spookachtige voorstellingen van bovennatuurlijke wezens.

De Goden van Geluk.

Een aantal van de legendarische verhalen, die in dit boek worden medegedeeld, zijn in beeld gebracht door Japansche kunstenaars, en in dit hoofdstuk stellen wij ons voor, de legenden in de Japansche kunst te behandelen, die tot nu toe nog niet zijn vermeld. Een geliefkoosd onderwerp van den Japanschen kunstenaar is ongetwijfeld dat van de Zeven Goden van het Geluk, welk onderwerp bijna altijd wordt behandeld met dartele goede luim. Men vond daar Fukurokuju, met een bijzonder groot hoofd, en vergezeld van een kraanvogel, een hert of een schildpad; Daikoku, die op rijstbalen stond en door een rat werd vergezeld; Ebisu, die een visch droeg; Hotei, den vroolijken God van het Lachen, de personificatie van de uitdrukking: "Lach en je zult dik worden". Dan was er Bishamon, die schitterde in zijn wapenrusting, en die een speer en een afgodstempeltje droeg; Benten, de Godin van Schoonheid, Rijkdom, Vruchtbaarheid en Nakomelingschap; terwijl Jurojin zeer veel overeenkomst had met Fukurokuju. Die Zeven Goden van het Geluk, of nauwkeuriger uitgedrukt, Zes Goden en één Godin, schijnen hun oorsprong ontleend te hebben aan het Shintoisme, Taoïsme, Buddhisme en het Brahmanisme, en zijn blijkbaar afkomstig uit de zeventiende eeuw.

Het Schip met Wonderschatten.

De Japansche kunstenaar houdt er van, om in verband met dit onderwerp de Goden van het Geluk te schilderen als vroolijke en gezellige passagiers aan boord van de _Takarabuna_, of het schip met wonderschatten, waarvan wordt verhaald, dat het ieder jaar op oudejaarsavond de haven binnenzeilt met geen mindere lading dan den Hoed der Onzichtbaarheid, de Voorspoedbrengende Regenjas, den Heiligen Sleutel, de Onuitputtelijke beurs, en andere merkwaardige wonderschatten. Tegen dien tijd van het jaar worden afbeeldingen van het Schip met Wonderschatten onder de houten peluwen der kinderen geplaatst, en men zegt, dat dit gebruik de kinderen gelukkige droomen brengt.

"Slaap, lieveling, totdat de bel der duisternis De sterren brengt, beladen met een droom. Want met dien droom zult gij ontwaken, Tusschen lachen en gezang".

_Yone Noguchi_.

Het Wonderdadige in de Japansche Kunst.

Onder andere legenden is ook bekend die van Hidari Jingoro, den beroemden beeldhouwer, wiens meesterstuk, toen het voltooid was, levend werd, welke legende ons sterk herinnert aan de geschiedenis van Pygmalion. Er zijn andere legenden verbonden aan het tot leven wekken van Japansche kunstwerken. Het gebeurde eens, dat een aantal boeren veel last ondervonden van de verwoesting in hunne tuinen, welke verwoesting het gevolg was van een wild dier. Toevallig ontdekten zij, dat de indringer een groot zwart paard was, en toen zij er jacht op maakten, verdween het plotseling in een tempel. Toen zij het gebouw binnentraden, zagen zij, dat de schilderij van Kanasoka, die een zwarten hengst voorstelde, door de groote inspanning van even te voren, dampte! De groote kunstenaar teekende er onmiddellijk een touw op, dat het paard aan een paal vastbond, en van dat oogenblik af bleven de tuinen der boeren ongedeerd.

Het verhaal loopt, dat de groote kunstenaar Sesshiu, toen hij nog een kleine jongen was, voor straf stevig werd vastgebonden in een Buddhistischen tempel. Hij gebruikte toen zijn overvloedige tranen als inkt, en zijn teen als penseel, en schetste op die wijze enkele ratten op den vloer. Onmiddellijk werden die ratten levend en knaagden het touw door, dat hun jeugdigen ontwerper had vastgebonden.

Hokusai.

Er is iets meer dan enkel legende in die verhalen, als wij geloof mogen hechten aan de woorden van den beroemden kunstenaar Hokusai, wiens "Honderd Gezichten op Fuji" beschouwd worden als de schoonste landschapschilderingen der Japansche kunstenaars. Hij schreef in de inleiding van zijn werk: "Als ik negentig jaar oud ben, zal ik het mysterie der dingen doorgronden; als ik honderd jaar ben, zal ik een wonderbaarlijke hoogte hebben bereikt; en als ik honderd tien jaar oud ben, zal alles, wat ik schilder, tot zelfs stipjes en lijnen, levend zijn". Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat Hokusai den leeftijd van honderd tien jaar niet heeft bereikt. In de laatste uren van zijn leven schreef hij de volgende regels, die later op zijn graftombe geschreven zijn:

"Mijn ziel, veranderd in een Dwaallicht, Kan rustig komen en verdwijnen over zomervelden".

Met dat krachtige dichterlijke gevoel, dat voor de Japanners zoo kenschetsend is, beteekende de Eeuwigheid voor Hokusai een onbeperkten tijd, waarin hij zijn geliefkoosd werk kon voortzetten--en hij al de bewonderingswaardige streken van zijn penseel kon volmaken en daaraan leven kon schenken. Evenals in het oude Egypte, zoo kan ook in het Oude Japan, het leven hier namaals niet anders beteekenen dan waar geluk, met periodiek herhaalde bezoeken op aarde, en in die opvatting ligt een fijne en bijna pathetische paradox, die het als het ware voorstelt, alsof de Eeuwigheid voortdurend beladen wordt met versche, aardsche herinneringen. In beide landen zien wij, hoe de geest terug verlangt naar zijn oude menschelijke verblijfplaatsen. In Egypte keerde de ziel terug door middel van het lichaam, waarin zij vroeger gehuisd had, en in Japan schonk het doodenfeest, elders door ons beschreven, de gelegenheid, opgewekt van geest de wereld in Emma-O te verlaten en gedurende drie dagen in het midden van Juli Japan te bezoeken, een land, dat schooner en de zielen blijkbaar dierbaarder is dan eenige voorstelling, die zich een Japanner van een leven na den dood kan maken. Maar het blijkt, dat Hokusai het doet voorkomen, alsof zijn bezoeken niet altijd in den zomer zullen plaats hebben, maar dat hij veeleer herhaaldelijk in alle jaargetijden zal komen en verdwijnen.

Een Japansch dichter heeft geschreven:

"'t Is vreeslijk, als men, sluipend, zacht Een geest ziet zwerven onverwacht, In 't holle van den nacht, Den killen duistren nacht; Een groenig-grijzen geest, Een schim, eens mensch geweest, Nu zonder kracht Dwalende eenzaam in Duisteren nacht.

Naar _Clara A. Walsh_.

Geesten en Spoken.

Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken en andere bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een duivelsch en ontzettend genot. De _ghoul_, die in de Japansche kunst wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar, en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend, dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren nacht. [25]

Een Tuin met Doodshoofden.

De voorstelling, die de Japansche kunstenaar van een tuin geeft, met zijn pijnboomen en steenen lantarens, en meren, waarvan de oevers met azalea's zijn beplant, is meestal bijzonder schoon. Hiroshige heeft, zooals zooveel Japansche kunstenaars, een tuin geschilderd, waarop sneeuw is gevallen; maar in één van zijn schilderijen schildert hij de sneeuw, terwijl zij in een aantal doodshoofden verandert; hij heeft die fantastische voorstelling ontleend aan de _Heike Monogatari_.

Men moet zich niet voorstellen, dat de Japansche kunstenaar, als hij het ééne of andere bovennatuurlijke wezen schildert of een tafereel uit de ééne of andere mythe weergeeft, uitsluitend het afzichtelijke en afgrijselijke aanpakt. Het afzichtelijke en afgrijselijke wordt zeker met groote levendigheid en dramatische kracht geschilderd, maar een aantal Japansche kunstenaars schilderen ook de Goden en Godinnen van het Oude Japan met veel aanminnigheid en bekoorlijkheid.

De Droom van Rosei [26].

De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij zien somtijds op een _tsuba_ (gevest van een degen) een pijnboom met menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars, en van hen, die de _No_, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen.

Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen, immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant, die zeide: "Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad dragen."

Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord, nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het best in het volgende gedicht is beschreven:

Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen, Zich badend in den glans, dien 't maanlicht uit deed stralen, Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge, Was er zoo groote wellust voor de oogen! Met zilver en met goud was overdekt de grond. Vier poorten in de hoeken van de zalen Vertoonden, als men d' oogen rond liet dwalen, Juweelen schoon als men nooit ergens vond, En drommen in kleedij, die fonkelde van licht, Vertoonden overal een schitterend gezicht. Zóó schoon was 't al te zien, Dat 't sterflijk oog misschien Zich waande vóór de poort van 't schittrend hemelrijk. Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk, Door 't bieden van de schoonste en edelste geschenken, Zoo kostbaar als men zich 't gemunte goud kan denken. En ginds de minderen, die deelden in het wonder, Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed, Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp'ren doet, Dat 't gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed, Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder.

Naar _B.H. Chamberlain_.

Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de maan haar zilveren licht uitgoot.

De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid, En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg, Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien.

Naar _B.H. Chamberlain_.

Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd, maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte.

Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd, kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig zou leven.

De vorst dronk het Elixir, "te midden van de schitterendste pracht en het grootste vreugdebetoon, ooit over een sterveling uitgegoten". Rosei meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten, die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord.

Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon, toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en ontdekte hij, dat hij op "Kantans" peluw rustte. De zedenmeester komt op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht:

"Maar wie dit goed bedenkt, Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt; Komt eenmaal toch de dood--een eeuw van zaligheid Zinkt als een schoone droom terug in d' eeuwigheid.

Naar _B.H. Chamberlain_.

Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat "het leven een droom" is, dat ook de eerzucht een droom is; en na die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde hij naar zijn eigen huis terug.

Een Kakemono Geestverschijning. [27]

Sawara was een leerling in de woning van den kunstenaar Tenko, die een vriendelijk en bekwaam onderwijzer was, terwijl Sawara, zelfs reeds toen hij zijn kunstenaarsloopbaan aanving, veel voor de toekomst beloofde. Kimi, de nicht van Tenko, wijdde haar geheelen tijd aan haar oom en aan het bestuur van diens huishouding. Kimi was een schoone maagd, en het duurde niet lang, of zij werd smoorlijk verliefd op Sawara. De jonge leerling vond haar buitengewoon bekoorlijk, zelfs zóó, dat hij, als het noodig was, voor haar wilde sterven, en in zijn hart was hij heimelijk op haar verliefd. Hij deed in tegenstelling met Kimi, van zijn liefde echter weinig naar buiten blijken, daar hij zijn volle aandacht moest wijden aan zijn werk; wel was dit ook bij Kimi het geval, maar terwijl bij Sawara zijn werk boven zijn liefde ging, was voor Kimi alleen de liefde van beteekenis.

Terwijl Tenko op zekeren dag een bezoek bracht, kwam Kimi naar Sawara toe, en daar zij niet langer haar liefde kon bedwingen, deelde zij hem mede, hoezeer zij hem liefhad, en vroeg, of hij haar wilde huwen. Nadat zij dit verzoek had gedaan, zette zij thee voor haar minnaar neer, en wachtte zijn antwoord af.

Sawara deelde haar liefde, en zeide, dat het hem innig zou verheugen, met haar te huwen, maar hij voegde er aan toe, dat het huwelijk niet binnen de eerste twee of drie jaar kon plaats hebben, daar hij zich eerst een zelfstandigen werkkring moest hebben verworven en een beroemd kunstenaar moest geworden zijn.

Sawara, die zijn kunstkennis wilde vermeerderen, besloot te gaan studeeren onder een beroemd schilder, Myokei genaamd, en nadat hij alles had geregeld, nam hij afscheid van zijn meester en van Kimi, terwijl hij beloofde, dat hij dadelijk zou terugkeeren, als hij zich een naam had verworven en een groot kunstenaar was geworden.

Twee jaren gingen voorbij zonder dat Tenko of Kimi eenig nieuws van Sawara vernamen. Een aantal aanbidders van Kimi kwamen telkens bij haar oom met huwelijksaanzoeken, en Tenko overlegde bij zich zelf, wat hij onder die omstandigheden zou doen, toen hij een brief ontving van Myokei, waarin deze mededeelde, dat Sawara uitnemend werk leverde, en dat hij wenschte, dat zijn voortreffelijke leerling met zijn dochter zou huwen.

Tenko meende, misschien wel niet ten onrechte, dat Sawara Kimi geheel had vergeten, en dat hij niets beter kon doen dan haar ten huwelijk te geven aan Yorozuya, een vermogend koopman, en zoo ook den wensch te vervullen van Myokei, dat Sawara zou huwen met de dochter van den grooten schilder. Met dat doel voor oogen besloot Tenko een list te gebruiken, en riep hij Kimi bij zich en sprak:

"Kimi, ik heb een brief ontvangen van Myokei, en ik vrees, dat het treurige nieuws, dat die brief bevat, u zeer veel verdriet zal doen. Myokei wenscht, dat Sawara met zijn dochter huwt, en ik heb hem geantwoord, dat ik mijn volle toestemming geef voor die verbintenis. Ik ben er zeker van, dat Sawara u heeft veronachtzaamd, en daarom ben ik er op gesteld, dat gij met Yorozuya huwt, die, naar mijn innige overtuiging, een voortreffelijk echtgenoot voor u zal zijn."

Toen Kimi die woorden hoorden, weende zij bitter, en ging zonder een woord te spreken naar haar kamer.