Chapter 8
Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij: "Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante hebt aangenomen?"
Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest weder onder den uitroep:
"In steenen zijn geesten, Een stem klinkt in 't water; De winden, zij loeien door 't hemelgewelf!"
Naar _B.H. Chamberlain_.
Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde.
De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: "Ik ben het, die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Prins Hazoku eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hoji, de echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba."
De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. "Reeds", zoo sprak de geest, "maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen".
De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu berouwvollen geest:
"Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien 'k zweer, Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert, Den eed, dien 'k houden zal, wat ook mijn hart beroert, Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer. Ik zweer, dat 'k voortaan leef als kind der deugd alleen! Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in 't moeras verdween."
Naar _B.H. Chamberlain_
Hoe Tokutaro door Vossen werd misleid.
Tokutaro was absoluut ongeloovig op het gebied van de toovermacht van vossen. Zijn ongeloovigheid ergerde een aantal van zijn makkers, die hem uitdaagden, naar het moeras Maki te gaan. Als hem niets overkwam, zou Tokutaro vijf maten wijn en een waarde aan visch van duizend koperen cash [17] krijgen. Indien daarentegen Tokutaro door de macht der vossen schade zou lijden, moest hij een even groot geschenk aan zijn makkers geven. Tokutaro nam spottend de weddingschap aan, en toen de nacht was aangebroken, vertrok hij naar het moeras Maki.
Tokutaro had besloten, zeer slim en voorzichtig te zijn. Toen hij zijn bestemming bereikt had, ontmoette hij een vos, die door een bamboeboschje liep. Onmiddellijk daarna ontdekte hij de dochter van den hoofdman van Boven-Horikané. Toen hij de vrouw vertelde, dat hij voornemens was naar dat dorp te gaan, zeide zij, dat zij hetzelfde voornemen had, en dat zij dus wel samen konden reizen.
Daardoor was de achterdocht van Tokutaro opgewekt. Hij liep achter de vrouw, terwijl hij te vergeefs naar een vossestaart zocht. Toen zij Boven-Horikané hadden bereikt, kwamen de ouders van het meisje naar buiten, die uiterst verbaasd waren, toen zij haar dochter zagen, die gehuwd was en in een ander dorp woonde.
Tokutaro zeide hun, met een hoogmoedig lachje van ingebeelde wijsheid, dat het meisje vóór hem in werkelijkheid niet hun dochter was, maar een vermomde vos. De ouders waren eerst verontwaardigd, en weigerden te gelooven, wat Tokutaro hen had verhaald. Ten slotte overreedde hij hen, het meisje in zijn handen te laten, terwijl zij in de voorraadkamer zouden wachten op het resultaat.
Tokutaro greep toen het meisje aan, en wierp haar ruw op den grond, terwijl hij haar voortdurend beschimpte. Hij trapte op haar en pijnigde haar op alle mogelijke wijzen, terwijl hij ieder oogenblik verwachtte, dat het meisje in een vos zou veranderen. Maar zij deed niets dan ween en, en riep erbarmelijk om haar ouders, teneinde haar te verlossen.
Toen die onverbeterlijke ongeloovige zag, dat zijn pogingen tot nu toe vruchteloos waren geweest, stapelde hij op den grond hout op, en doodde hij haar op den brandstapel. Op dat oogenblik kwamen haar ouders aanhollen en bonden hem aan een pilaar, terwijl zij hem woedend van moord beschuldigden.
Juist kwam een priester dien weg langs, en toen hij dat leven hoorde, drong hij op een verklaring aan. Toen de ouders van het meisje hem alles hadden verhaald, en nadat hij de verdediging van Tokutaro had aangehoord, verzocht hij het echtpaar, het leven van den man te sparen, opdat hij mettertijd een goed en vroom priester zou worden. Na eenig tegenstreven werd dit eigenaardige verzoek toegestaan, en Tokutaro knielde neer, om zijn hoofd te doen kaalscheren, uiterst gelukkig, dat hij zoo gemakkelijk uit zijn ellendigen toestand werd bevrijd.
Nauwelijks was het goddelooze hoofd van Tokutaro geschoren, of hij hoorde een schaterend gelach, en werd hij wakker, terwijl hij aan een uitgestrekt moeras gezeten was. Instinctmatig hief hij zijn hand op, en ontdekte, dat vossen hem hadden kaalgeschoren, en hij dus zijn weddenschap had verloren.
De dankbaarheid van een Vos.
Na de hier besproken ijzige legende, waarin de slechte eigenschappen van den vos worden beschreven, is het een opluchting een vos te mogen ontmoeten, die tot groote zelfopoffering in staat was.
Het geschiedde toch, dat op zekeren lentedag twee kleine jongens betrapt werden op het vangen van een jonggeboren vosje. De man, die getuige was van dit feit, had een vriendelijk gemoed, en toen hij hoorde, dat de jongens het jonge dier gaarne wilden verkoopen, gaf hij hun een halve _bu_ [18].
Toen de kinderen hoogst verheugd met het geld vertrokken waren, ontdekte de man, dat het kleine diertje aan den voet gewond was. Hij legde er onmiddellijk een zeker kruid op, waardoor de pijn spoedig bedaarde. Toen hij op korten afstand een troep oude vossen zag, die hem in het oog hielden liet hij edelmoedig het diertje loopen, dat in snelle vaart naar zijn ouders sprong en hen voortdurend likte.
Die goedhartige man nu had een zoon, die aan een vreemde ziekte leed. Eindelijk schreef een beroemd geneesheer de lever van een levenden vos voor als middel, dat nog tot genezing zou kunnen leiden. Toen de ouders van den knaap dit hoorden, waren zij zeer bedroefd, en wilden zij alleen de lever van een vos aannemen, geleverd door iemand, die er zijn beroep van maakte op vossen te jagen. Eindelijk droegen zij een buurman op, hun de lever te verschaffen, terwijl zij beloofden, daarvoor ruim te betalen.
Den volgenden avond werd de lever van een vos gebracht door een vreemdeling, die geheel onbekend was bij de brave bewoners van het huis. De bezoeker verklaarde, dat hij een bode was, gezonden door den buurman, wien zij de boodschap hadden opgedragen. Toen echter de buurman zelf kwam, bekende hij, dat hij, hoewel hij alle moeite had gedaan om een vosselever te krijgen, daarin niet was geslaagd, en daarom gekomen was, om zijn verontschuldigingen te maken. Hij was stom verbaasd, toen hij het verhaal hoorde, dat hem door de ouders van den lijdenden knaap werd gedaan.
Den volgenden dag werd de vosselever tot geneesmiddel toebereid door den genoemden geneesheer, waarop de jeugdige knaap onmiddellijk zijn vroegere gezondheid terugkreeg.
Des avonds verscheen een schoone jonge vrouw voor het bed der gelukkige ouders. Zij vertelde, dat zij de moeder was van het vosje, dat door den man was vrijgelaten, en dat zij uit dankbaarheid voor zijn goedheid het vosje had gedood, terwijl haar echtgenoot, onder de vermomming van den geheimzinnige bode, de verlangde lever had gebracht [19].
Inari verhoort het gebed van een Vrouw.
Zooals wij reeds vroeger hebben gezien, is Inari dikwijls bijzonder goedgunstig. Er is een legende, dat een vrouw, die reeds een aantal jaren gehuwd was en niet met een kind gezegend was, aan het altaar van Inari haar gebeden opzond. Bij het eindigen van haar gebed schudden de steenen vossen hun staarten, en begon er sneeuw te vallen. Zij beschouwde die verschijnselen als gunstige voorteekenen.
Toen de vrouw haar huis bereikte, sprak haar _yeta_ (bedelaar) aan, en vroeg haar iets te eten. De vrouw gaf met groote goedhartigheid dien ongelukkigen reiziger wat meel van roode boonen, het eenige voedsel dat zij in huis had, en bood hem dat in een schotel aan.
Den volgenden dag zag de echtgenoot dien schotel voor het altaar liggen, waar zijn vrouw had gebeden. De bedelaar was niemand anders dan Inari zelf, en de edelmoedigheid der vrouw werd ter rechter tijd beloond door de geboorte van een kind.
De Gierigheid van Raiko.
Raiko was een vermogend man, die in een zeker dorp woonde. In weerwil van zijn ontzaglijke rijkdommen, die hij in zijn _obi_ (gordel) bij zich droeg, was hij ontzettend gierig. Naarmate hij ouder werd, nam zijn gierigheid toe, totdat hij er ten slotte over dacht, zijn trouwe bedienden te ontslaan, die hem steeds zoo goed hadden gediend.
Op zekeren dag werd Raiko zeer ziek, zelfs zóó, dat hij bijna wegteerde ten gevolge van een vreeselijke koorts. Den tienden nacht van zijn ziekte verscheen een arm gekleede _bozu_ (priester) aan zijn sponde, die hem vroeg, hoe hij het maakte, en er aan toevoegde, dat hij reeds lang gedacht had, dat de _oni_ hem zou wegvoeren.
Door dit laatste gezegde, dat bovendien niet al te kiesch was uitgedrukt, werd Raiko woedend, en hij eischte verontwaardigd, dat de priester zou vertrekken. Maar de _bozu_ zeide hem in plaats van te vertrekken, dat er maar één geneesmiddel was tegen zijn ziekte. Het geneesmiddel was, dat Raiko zijn _obi_ zou losmaken en zijn geld onder de armen zou verdeelen. Raiko werd nog driftiger over wat hij als een groote onbeschoftheid van den priester beschouwde. Hij trok een dolk van onder zijn kleed te voorschijn en trachtte den goedigen _bozu_ te dooden. De priester vertelde Raiko zonder de minste vrees, dat hij gehoord had van zijn gemeen voornemen, zijn brave dienaren te ontslaan, en dat hij des nachts was gekomen, om den ouden man zijn hartebloed af te tappen. "Nu is", zoo sprak de priester, "mijn doel bereikt!" en na het uitspreken van die woorden blies hij het licht uit.
De door en door verschrikte Raiko voelde nu, hoe een spookachtig schepsel hem naderde. De oude man stak met zijn dolk in het wilde, en veroorzaakte zulk een opschudding, dat zijn trouwe bedienden met lantarens de kamer binnenstormden; toen zagen zij den vreeselijken klauw van een monster naast de vloermat van den ouden man liggen.
Toen de dienaren van Raiko met groote nauwgezetheid de kleine bloedvlekken volgden, kwamen zij aan een kleinen berg aan het uiteinde van den tuin, en in dien berg was een wijde opening, waaruit het boveneinde van een ontzaglijke spin stak. Dit wezen vroeg de dienaren, pogingen aan te wenden, om hun meester te overreden, de goden niet aan te vallen en zich in de toekomst van inhaligheid te onthouden.
Toen Raiko die woorden uit den mond zijner dienaren hoorde, berouwde hem zijn vroeger leven en gaf hij groote geldsommen aan de armen. Inari had de gedaante van een spin en van een priester aangenomen, om den vroeger zoo gierigen man een goede les te geven.
HOOFDSTUK VI. JIZO, DE GOD VAN KINDEREN.
De beteekenis van Jizo.
Jizo, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden, hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen bezitten. Hoewel Jizo van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood, een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizo inderdaad is, een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen, dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en de karakteristieke eigenschappen van Jizo zal ons het beste doen kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig medelijden. Jizo heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil dat Jizo Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen, die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord, dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw, die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig wachtende en eeuwig vriendelijke Jizo is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden.
Aan het altaar van Jizo.
"Tegenover Jizo's altaar Bloeien nu de kerseboomen, Aan de wiegelende takken Rijke bloesems zijn gekomen.
"Tegen 't mos de rose scheemring, Takjes door den wind bewogen, Toonen 't beeld in al zijn kalmte, Als de zon verlicht de oogen.
"'k Pluk een tak in de ochtendscheemring, En een stroom van rose blaâdren In welriekend frissche luchten Zich op 't wieglend gras vergaadren".
"En in warme middaguren Doe ik traag mijn vingers spelen, Tusschen geurig zoete bloesems, Die zich onder 't spel verdeelen."
"Daalt de zon ter westerkimme, Dan laat ik de hand weer zinken, Jizo, bloesems, zijn verdwenen, Aan de lucht geen sterren blinken".
Naar _Clara A. Walsh_.
Jizo en Lafcadio Hearn.
Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven [20]: "Er is een vreemd gebruik in Izumo, dat u misschien wel belang inboezemt. Als er een bruiloft gevierd wordt in de woning van een impopulair man op het platte land, dragen de jonge mannen van het dorp een beeld van Jizo, dat op den weg staat, naar de Zashiki, en kondigen de komst van den God aan. (Dit geschiedt voornamelijk met een hebzuchtigen boer, of een gierig gezin). Door den God wordt voedsel en wijn geëischt. De leden van het gezin moeten binnenkomen, de godheid begroeten en al de _saké_ en al het voedsel geven, dat geëischt wordt, zoolang er nog wat in huis overblijft. Het is gevaarlijk, dit te weigeren; de jonge boeren zouden waarschijnlijk het huis plunderen. Daarna wordt het standbeeld weer op zijn plaats gezet. Het bezoek van Jizo wordt zeer geducht. Het wordt nooit gebracht aan personen, die bemind zijn".
Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken beeld van Jizo te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem, en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld: "_Gomen, gomen!_ (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te schenken, naar ik hoopte. De Jizo, over wien ik u schreef, is niet die, welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizo, die de zeeën wil bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme Jizosama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem: 'Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok, en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizo weent zelfs nu nog.'"
"De Droge Bedding van de Rivier der Zielen".
Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of "de Droge Bedding van de Rivier der Zielen". Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan, en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen de kleinen met den kleinen Jizo, en hier bouwen zij kleine torens van steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer veel steenen. De moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens steenen op rondom de beelden van Jizo, immers die kleine torens stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de _oni_, of slechte geesten. Somtijds behalen de _oni_ in de Droge Bedding van de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning, en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt, houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizo om bescherming te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn heiligen staf de _oni_ met roode oogen weg.
De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen verschrikken, dan is Jizo er steeds, die hun tranen droogt, en is er altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt.
Het volgende loflied op Jizo, bekend als "De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawari", geeft ons een prachtige en levendige voorstelling van Jizo en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen:
De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawara.
"Niet van deez' aarde is 't verhaal van de smarte, 't Verhaal van de Sai-no-Kawara Aan den voet van de sombere heuvels;-- Niet van deez' aarde is 't verhaal; toch is het zoo droevig te hooren. Want in de Sai-no-Kawara verzameld Zijn kind'ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,-- Kind'ren slechts twee of drie jaar, Kind'ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien. In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd. En de stem van verlangen om beide hun ouders, De stem, die weent om hun moeders en vaders-- Is niet zooals die van 't geween van de kind'ren op aarde, Maar een weenen zóó droevig te hooren, Dat, als het gehoord werd, 't zou dringen door vleesch en door beend're En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,-- De steenen van 't bed der rivier te verzaam'len. Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen. De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van hun vaders; De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor 't heil van hun moeders; De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters en allen te huis, die zij minden. Dit is overdag droeve ontspanning. Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen, Dan komen tot hen de demonen van de hel, de _Oni_, En zeggen hun: "Wat is die arbeid hier door u verricht? Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld, Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van 's morgens vroeg tot laat des avonds, Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig! Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden, Is niets dan het klagen, 't gezucht uwer ouders." En tevens zeggen zij ach, "laak ons niet!" De geesten werpen neer de opgehoopte torens, En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen. Maar zie! daar komt de leeraar Jizo, Zoo vriend'lijk nadert hij de kind'ren in hun droefheid: Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig! Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was! Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido, Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden! Vertrouwt mij! 'k Ben uw Vader en Moeder in de Meido, De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!" En om hen slaat hij teeder den schoot van 't schittrend kleed: Zoo vriendlijk voelt hij mede met 't droevig lot der jeugd. En hen, die nog niet loopen, biedt hij den steun van zijn _shakujo_ [21], Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem, Zoover gaat 't medelijden en mint hij de arme kleinen. _Namu Amida Butsu!_ [22]
Naar _Lafcadio Hearn_.
Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal land. Het is Jizo, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan, als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld is, dan staat Jizo liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo zacht bewegen.
Het Hol van de Geesten der Kinderen.
Er was in Japan een hol, bekend onder den naam van Kyu-Kukedo-San, of Oud Hol, en diep daarin kan men een beeld van Jizo vinden, met zijn mystieken juweel en zijn heiligen staf. Vóór Jizo staat een kleine _torii_ [23] en een paar _gohei_ [24], beide symbolen van het Shinto-geloof; maar, zooals Lafcadio Hearn opmerkt, "die vriendelijke godheid heeft geen vijanden; aan den voet van den vriend van de geesten der kinderen vereenigen zich beide geloofsopvattingen in teedere eerbewijzen". Hier ontmoeten elkander de geesten van kleine kinderen, die zachtkens samen fluisteren, terwijl zij zich telkens buigen, om hun torens van steenen te bouwen. Des nachts kruipen zij over de zee uit hun Droog Bed van de Rivier der Zielen, en bedekken het zand in het hol met hun spookachtige voetstappen, terwijl zij voortdurend die gebeden van steen opbouwen, onder het vriendelijk lachen van Jizo over hun liefderijk werk. Zij vertrekken vóór de opkomst van de zon, immers men zegt, dat de dooden er te beangst voor zijn, te staren op de Godin der Zon, en voornamelijk zijn die kinderen bevreesd voor haar heldere gouden oogen.
De Fontein van Jizo.
Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizo. Het is een fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die fontein en bidden tot Jizo, en moeders, die meer melk hebben dan hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizo hun gebeden verhoort.
Hoe Jizo zich een goede daad herinnerde.
Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizo er koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizo, terwijl zij zeide: "Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken geest te worden aangenomen."
Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven, haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij, tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren, weer in het leven terug.