Chapter 7
De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje, na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha.
De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij die taak had volbracht, bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het voetstuk van den Bronzen Buddha.
De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar al te waar waren. "Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak", is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen, nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan.
De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen: "Kom binnen!"
"Dat is onmogelijk", antwoordde de walvisch, "omdat ik te groot ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te spreken?"
Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen.
Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester, toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet meer droeg. Daar hij een vreemd gesprek hoorde buiten den tempel, ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch; hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens grooter van omtrek was.
De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug, terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten, en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af, dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen--en het verschil bedroeg vijf centimeters.
Het kristal van Buddha. [10]
In oude dagen leefde in Japan een beroemd Minister van Staat, Kamatari genaamd. Kamatari nu had een eenige dochter, Kohaku Jo, die bijzonder schoon was, en daarbij even goed als schoon. Zij was de vreugde van het hart haars vaders, en hij besloot, dat, als zij huwde, niemand minder in rang dan een Koning haar echtgenoot zou worden. Met dit denkbeeld voortdurend voor den geest, weigerde hij standvastig de aanzoeken om haar hand.
Op zekeren dag was er een groote oploop op het binnenplein van het paleis. Door de open poorten stroomden een groot aantal mannen binnen, die een vaandel droegen, waarop een zijden draak op een gelen achtergrond was gewerkt. Kamatari vernam, dat die mannen van het hof te China gekomen waren, met een boodschap van Keizer Koso. De Keizer had gehoord van de buitengewone schoonheid en de bijzondere lieftalligheid van Kohaku Jo, en verlangde haar te huwen. Zooals dit in het Oosten bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, was het aanzoek van den Keizer vergezeld van de belofte, dat indien Kohaku Jo zijn bruid zou worden, hij haar zou toestaan datgene te kiezen uit zijn schatkamer, wat zij naar haar eigen land zou willen zenden.
Nadat Kamatari de afgevaardigden met behoorlijken luister en met de vereischte plechtigheid had ontvangen en een geheele vleugel van zijn paleis ter hunner beschikking had gesteld, keerde hij naar zijn eigen vertrek terug en beval zijn dienaar, zijn dochter vóór hem te geleiden.
Toen Kohaku het vertrek van haar vader was binnengetreden, boog zij voor hem en bleef geduldig op de witte matten zitten, in afwachting van het oogenblik, dat haar verheven vader het woord tot haar zou richten.
Kamatari deelde haar mede, dat hij den Keizer van China als haar echtgenoot had uitgekozen en het meisje weende, toen zij die tijding hoorde. Zij was zoo gelukkig geweest in haar eigen huis, en China scheen zoo ver verwijderd te zijn. Toen haar vader haar echter voorspelde, dat zij in de toekomst nog meer geluk zou hebben dan zij ooit in het verledene had gehad, droogde zij haar tranen en luisterde naar de woorden van haar vader, misschien wel verbaasd over de mededeeling, dat alle schatten van China aan haar eigen kleine voetjes zouden worden gelegd. Zij was verheugd, toen haar vader haar zeide, dat zij in staat zou gesteld worden, drie van die schatten naar den tempel van Kofukuji te zenden, waar zij als klein kind gezegend was.
Zoo dan gehoorzaamde Kohaku haar vader, met niet weinig bezorgdheid, en niet weinig hartzeer. Haar gezellinnen weenden, toen zij het nieuws hoorden, maar zij werden getroost, toen de moeder van Kohaku haar vertelde, dat enkelen van haar zouden worden uitgekozen om haar meesteres te vergezellen.
Voordat Kohaku naar China wegzeilde, richtte zij haar schreden naar den tempel van Kofukuji, en toen zij het heilige altaar genaderd was, bad zij om bescherming op haar reis, en beloofde zij, dat zij, als haar gebeden werden verhoord, China zou doen doorzoeken, om de drie kostbaarste schatten van dat rijk te verkrijgen, en dat zij die als een dankoffer naar den tempel zou zenden.
Kohaku bereikte veilig China en werd door Keizer Koso met groote pracht ontvangen. Haar kinderlijke vrees werd spoedig verdreven door de groote vriendelijkheid van den Keizer. Immers hij betoonde haar heel wat meer dan vriendelijkheid. Hij sprak haar toe in de taal van een minnaar: "Na lange, lange dagen van treurig wachten heb ik de azalea van het verwijderde gebergte verworven, en nu plant ik die in mijn tuin, en groot is de vreugde van mijn hart!" [11]
Keizer Koso leidde haar van het ééne paleis naar het andere, en zij wist niet, welk paleis het schoonst was, maar haar Keizerlijke echtgenoot wist, dat zij veel schooner was dan één van deze. Omhaar bijzondere lieftalligheid wenschte hij, dat de herinnering daaraan ten eeuwige dagen over de geheele lengte en breedte van China zou blijven voortduren, ja zelfs tot buiten de grenzen van zijn rijk. "Daarom riep hij zijn goudsmeden en tuiniers te zamen", zooals Madame Ozaki verhaalt bij de beschrijving van dit sprookje, "en beval hen, voor de Keizerin een weg te maken, zooals nog nooit in de geheele wijde wereld bestaan had. De treden van dien weg moesten lotus-bloemen zijn, gesneden uit goud en zilver, opdat zij daarover kon loopen, zoo dikwijls zij rondzwierf onder de boomen of langs het meer, zoodat men zou kunnen zeggen, dat haar schoone voetjes nooit werden bezoedeld, door de aarde aan te raken; en sedert dien tijd hebben dichterlijke minnaars en liefdedichters in China en Japan in gezangen en sonnetten en in zoete gesprekken de voeten der vrouwen, die zij liefhebben, 'lotusvoeten' genoemd."
Maar in weerwil van al de pracht, die Kohaku omringde, vergat zij haar geboorteland niet en evenmin de gelofte, die zij in den tempel van Kofukuji had afgelegd. Op zekeren dag deelde zij beschroomd den Keizer haar gelofte mede, en daar hij maar al te zeer verheugd was, een nieuwe gelegenheid te hebben, haar genoegen te doen, plaatste hij zulk een schat van schoone en kostbare zaken vóór haar, dat het wel scheen, alsof een uitgelezen sprookjeswereld van vroolijke kleuren en volmaakte vormen plotseling voor haar voeten was ontstaan. Er was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer moeilijk vond, een keuze te doen. Eindelijk vestigde zij haar keuze op de volgende tooverschatten, een muziekinstrument, dat, als men er op sloeg, eeuwig bleef doorspelen, een doos met inktsteen, die, als het deksel werd opgetild, een onuitputtelijken voorraad Oost-Indischen inkt bleek te bevatten, en ten slotte "een prachtig kristal, in welks heldere diepte men, van welken kant men ook er in staarde, een beeld zag van Buddha, rijdend op een witten olifant. Het kristal was van bovennatuurlijken glans en schitterend als een ster, en ieder, die in zijn heldere diepten staarde en de gezegende verschijning van Buddha zag, had voor altijd gemoedsrust." [12]
Nadat Kohaku eenigen tijd die schatten had bekeken, ontbood zij Admiraal Banko en verzocht hem, ze veilig naar den tempel van Kofukuji over te brengen.
Alles ging voorspoedig met Admiraal Banko en zijn schip, totdat zij in de Japansche wateren waren, op weg naar de baai van Shido-no-ura, toen een heftige storm het schip heen en weer slingerde. De golven rolden omhoog met de woestheid van wilde dieren, en voortdurend flikkerde de bliksem aan den hemel, om een oogenblik het rollende schip te verlichten, dat nu eens hoog opgeheven werd op een waterberg, dan weer neergedompeld werd in een groene vallei, waaruit het nooit meer scheen te kunnen verrijzen.
Plotseling ging de storm liggen, even onverwachts als hij was opgestoken. De ééne of andere fee had met haar hand al de wolken weggevaagd, en een blauw en fonkelend tapijt over de zee uitgespreid. De eerste gedachte van den admiraal was, hoe het stond met de veiligheid der schatten, die hem waren toevertrouwd, en toen hij naar beneden ging, vond hij het muziekinstrument en den inktsteen volmaakt in den toestand, waarin hij die had achtergelaten, maar bleek het, dat de kostbaarste der schatten, het Kristal van Buddha, niet te vinden was. Hij dacht er over, zich het leven te benemen, zoozeer was hij onder den indruk van het verlies; maar bij nader inzien zag hij, dat het verstandiger zou zijn, in het leven te blijven, zoolang hij nog iets kon doen, om het kristal te vinden. Daarom haastte hij zich te landen, en deelde Kamatari zijn ijselijk ongeluk mede.
Nauwelijks had Kamatari het bericht omtrent het Kristal van Buddha vernomen, of die verstandige minister begreep, dat de Koning der Draken van de Zee het gestolen had, en met dit doel de storm had veroorzaakt, die hem in staat had gesteld, ongemerkt den schat te stelen.
Kamatari bood aan een aantal visschers, die hij op het strand van Shido-no-ura zag, een ruime belooning aan, als eenigen van hen zich in zee zouden willen wagen, om het kristal terug te brengen. Alle visschers boden daarop zich vrijwillig aan, maar na een aantal vruchtelooze pogingen bleef het kostbare kleinood voortdurend onder de hoede van den Zeekoning.
Kamatari zag in zijn groote droefheid plotseling een arme vrouw, die een kind in de armen droeg. Zij vroeg den grooten minister, of zij in zee mocht afdalen om naar het kristal te zoeken, en in weerwil van haar zwakheid sprak zij met overtuiging. Haar moederhart scheen haar moed in te boezemen. Zij deed haar verzoek, omdat zij wenschte, dat Kamatari, als het haar gelukte het kristal terug te brengen, ter belooning haar zoontje zou opvoeden als _samurai_ [13], opdat hij in zijn verder leven iets anders kon worden dan een eenvoudige visscher.
Men zal zich herinneren, dat Kamatari in vroeger dagen eerzuchtig was geweest ter wille van zijn dochter. Hij begreep dan ook volkomen het verzoek der arme vrouw, en beloofde plechtig, dat hij, als zij getrouw haar taak ten uitvoer bracht, gaarne haar wensch zou vervullen.
De vrouw ging heen, en na haar bovenkleeren te hebben uitgetrokken, en een touw om haar middel te hebben gebonden, waarin zij een mes stak, was zij voor haar gevaarlijke reis gereed. Na het uiteinde van het touw aan een aantal visschers te hebben gegeven, ging zij te water.
Het eerste oogenblik zag de vrouw de vage omtrekken van rotsen, en een wegvliegenden verschrikten visch, en het matte goud van het zand onder haar voeten. Daarna zag zij plotseling de daken van het paleis van den Zeekoning, een groot en schitterend gebouw van koraal, hier en daar ondersteund door bossen veelkleurig zeegras. Het paleis geleek op een kolossale pagode, met een aantal verdiepingen. De vrouw zwom nader, om het meer van nabij te aanschouwen en zij bemerkte toen een helder licht, schitterender dan het licht van verschillende manen en zóó helder, dat het haar oogen verblindde. Het was het licht van het kristal van Buddha, dat geplaatst was op de tinne van dat uitgestrekte gebouw, en aan iederen kant van het schitterende kleinood waren drakenwachters, diep in slaap, die zelfs in hun slaap schenen te waken!
De vrouw zwom er heen, terwijl zij in haar dapper hart bad, dat de draken zouden doorslapen, totdat zij buiten gevaar zou zijn en den schat in haar bezit had. Nauwelijks had zij het kristal van zijn rustplaats gerukt, of de wachters ontwaakten; zij strekten hun groote klauwen uit en hun staarten zweepten woedend het water, en in een oogenblik vervolgden zij haar met woede. De vrouw, die alles liever wilde dan het kristal te verliezen, dat zij ten koste van zooveel gevaren had gewonnen, sneed een wond in haar linker borst, en duwde het kristal in de bloedende holte, terwijl zij haar hand tegen het arme gewonde vleesch drukte, zonder dat zij een kreet van smart deed hooren. Toen de draken bemerkten, dat het water donker gekleurd was door het bloed der vrouw, keerden zij om, immers zeedraken zijn bang voor het gezicht van bloed.
De vrouw trok nu heftig aan het touw, en de visschers, die hoog daarboven op de rotsen zaten, trokken haar met den grootsten spoed aan land. Zij legden haar zacht neder op het strand, en zagen, dat haar oogen gesloten waren, en dat haar borst vreeselijk bloedde. Kamatari dacht eerst, dat de vrouw haar leven te vergeefs had gewaagd; maar toen hij zich over haar heen boog, ontdekte hij de wond in haar borst. Op dat oogenblik opende zij de oogen, en na het kleinood uit de plaats genomen te hebben, waar zij het had verborgen, fluisterde zij nog een paar woorden over de belofte van Kamatari, en viel toen dood neder met een vredigen glimlach op het gelaat.
Kamatari nam het kind dier vrouw mede naar huis en lette op zijn opvoeding met al de liefdevolle zorg van een vader. Na verloop van tijd werd hij, op volwassen leeftijd, een dappere _samurai_, en werd bij den dood van Kamatari ook zelfs Rijksminister. Toen hij in latere jaren de geschiedenis vernam van de zelfopofferende daad van zijn moeder, liet hij een tempel bouwen in de baai van Shido-no-ura, ter herinnering aan haar, die zoo dapper en trouw was geweest. Die tempel heet Shidoj, hij wordt bezocht door vele bedevaartgangers, die zich nog tot op onzen tijd den zieleadel van een arme schelpenverzamelaarster herinneren.
HOOFDSTUK V. LEGENDEN OVER VOSSEN.
Inari, de Vossengod.
De vos neemt een belangrijke plaats in onder de Japansche legenden, en het onderwerp is van ver reikenden en ingewikkelden aard. [14] Inari was oorspronkelijk de God van de Rijst, maar in de elfde eeuw werd hij in verband gebracht met den Vossengod, en werden hem goede en kwade eigenschappen, meestal de laatste, toegekend, en wel zóó overvloedig en veelzijdig in haar toepassing, dat zij den westerschen lezer niet weinig moeilijkheid veroorzaken. Alle vossen bezitten bovennatuurlijke macht in bijna onbeperkte mate. Zij hebben het vermogen, oneindig ver te zien; zij kunnen alles hooren en de geheime gedachten verstaan van de menschheid in het algemeen, en bovendien bezitten zij het vermogen van gedaante te verwisselen. Het voornaamste kenmerk van den slechten vos is het vermogen menschelijke wezens te misleiden, en met dit doel neemt hij de gedaante aan van een schoone vrouw; groot is dan ook het aantal legenden, in dit verband verhaald. [15] Indien de schaduw van een in een vrouw veranderde vos bij toeval op het water valt, dan komt alleen de vos, en niet de schoone vrouw, voor den dag. Men verhaalt, dat als een hond een dergelijke vrouw ziet, de vrouwelijke gedaante onmiddellijk verdwijnt, en alleen de vos overblijft.
Hoewel de legenden, die in Japan met den vos in betrekking staan, meestal met booze eigenschappen samenhangen, treedt Inari somtijds op als een weldoend wezen, een wezen, dat hoest en verkoudheid geneest, dat den behoeftige rijkdom schenkt en het gebed eener vrouw ten behoeve van haar kind verhoort. Een andere vriendelijke daad van Inari, die wij ook wel hadden kunnen toeschrijven aan Jizo, is, dat hij de kleine jongens en meisjes in staat stelt met moed de beproeving te dragen, om met een niet al te goed scheermes te worden geschoren, en eveneens de kleinen de bezwaren van een heet bad hielp trotseeren, waarvan in Japan de temperatuur nooit lager is dan ruim 43° Celsius!
Inari beloont niet zelden menschelijke wezens voor iedere vriendelijke daad jegens een vos. Slechts een deel van zijn belooning kan echter voor goede munt worden opgenomen. Het enkele goede, dat door Inari wordt verricht--en wij hebben getracht, hem recht te doen wedervaren--weegt geheel op tegen zijn ontelbare slechte daden, die dikwijls van een vreeselijk wreeden aard zijn, zooals later zal blijken. Het hier behandelde onderwerp: de vos in Japan is zeer juist door Lafcadio Hearn beschreven als "spoken-dierkunde", en dit sluwe en boosaardige dier is veel meer geraffineerd spookachtig dan onze officieele en gebruikelijke geestverschijning met een lichtend gewaad en rammelende ketens.
Door den Duivel bezeten.
Het door den duivel bezeten zijn moet volgens de dikwijls verkondigde opvatting toegeschreven worden aan den slechten invloed van vossen. Die vorm van bezetenheid is bekend als _kitsune-tsuki_. Het slachtoffer is gewoonlijk een vrouw der mindere klasse, iemand, die zeer teergevoelig is en vatbaar is voor alle mogelijke bijgeloof. Het vraagstuk der bezetenheid is nog steeds een onopgelost vraagstuk, en de onderzoekingen van Dr. Baelz, die verbonden is aan de Keizerlijke Universiteit van Japan, schijnen te wijzen op het feit, dat het bezeten zijn van menschelijke wezens door dieren, een wezenlijke en verschrikkelijke waarheid is. Hij maakt de opmerking, dat een vos gewoonlijk een vrouw binnentreedt òf door de borst, òf onder de nagels der vingers, en dat de vos daar een zelfstandig, afzonderlijk leven leidt, en meestal spreekt met een stem, die geheel afwijkt van die van een mensch.
De Steen des doods. [16]
"De Steen des Doods staat in 't moeras Bij wintersneeuw en zomergloed; Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs, Toch zwerft de demon daar nog rond."
"Kil waait de wind, en boven het moeras Klinkt in het woud der uilen heesch gekras. En onder de chrysanthemums, beneden, Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag, Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag."
Naar _B.H. Chamberlain_.
De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn kwam, en sprak: "Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem aan te raken!"
Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen.
De geest begon toen aldus: "Lang geleden was er een schoone maagd, die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius, de wetenschap en de poëzie van China."
"Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân, Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan."
Naar _B.H. Chamberlain_.
"Op zekeren nacht," zoo vervolgde de geest, "gaf de Mikado een groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft, de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken, onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep één der aanwezigen: 'Een licht, een licht!'"
Er straalt van 's meisjes schoon gezicht Een tooverachtig, schitt'rend licht! 't Groeit aan en vult de keizerlijke zalen; Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.-- Het vroeger somber duister van den nacht Straalt als de volle maan in al haar pracht.
Naar _B.H. Chamberlain_.
"Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend", zoo vervolgde de geest. "Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd, en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en een duivelin was, die met listige kunsten 's Keizers hart gevangen nam, om den staat te gronde te richten.
"De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras van Nasu."
De priester aanschouwde den geest met critischen blik. "Wie zijt gij?" sprak hij eindelijk.
"Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods".
De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde, zeide hij: "Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap, en laat mij u in den vorm van een vos zien."
Daarop riep de booze geest op smartelijken toon:
"In het schitt'rend zonnelicht Houd ik schuil mijn aangezicht, Als Asama's bleeke gloed: Met den nacht zal 'k hier weer zijn, Schuld bekennend, 't hart vol pijn, Reine wenschen in 't gemoed."
Naar _B.H. Chamberlain_.
Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling.
Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook, en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande.