Chapter 6
"Zonder dat een spoor zelfs restte, Dat het Bontkleed zóó verbrandde, Had ik nimmer durven droomen. Jammer voor het schoone voorwerp! 'k Had het nimmer zoo behandeld."
De Juweel in den Drakenkop.
De Chiunagon Otomo no Miyuki riep zijn huisgenooten bijeen en deelde zijn volgelingen mede, dat hij wenschte, dat zij hem den Juweel in den Drakenkop zouden brengen.
Na eenige aarzeling deden zij het voorkomen, alsof zij uitgingen om dien te zoeken. In dien tusschentijd was de Chiunagon er zóó zeker van, dat zijn bedienden zouden slagen, dat hij zijn geheele huis overdadig versierde met uitgelezen lakwerk in goud en zilver. Iedere kamer werd met brokaat behangen, aan de paneelen werden schilderijen gehangen, en over de zolder werden zijden kleeren gespannen.
Het wachten moede, reisde de Chiunagon na eenigen tijd naar Naniwa en ondervroeg de bewoners, of eenigen van zijn dienaren scheep gegaan waren om den Draak te zoeken. De Chiunagon vernam, dat geen enkele van zijn manschappen in Naniwa was gekomen, en zeer ontstemd over die tijding ging hij zelf scheep met een stuurman.
Toevallig was de Dondergod boos, en stond de zee hoog. Na enkele dagen werd de storm zóó hevig en was de boot zóózeer het zinken nabij, dat de stuurman het waagde de opmerking te maken: "Het huilen van den wind en het bulderen der baren en het vreeselijk loeien van den donder zijn teekenen van de woede van den God, die door mijn Heer beleedigd wordt, daar hij den Draak uit de diepte wil dooden, want door den Draak is de storm opgestoken; het zou dus goed zijn, als mijn Heer een gebed opzond."
Daar de Chiunagon door "een vreeselijke ziekte" was overvallen, is het niet te verwonderen, dat hij gretig den raad van den stuurman opvolgde. Hij bad niet minder dan duizend keer, waarbij hij uitweidde over zijn dwaasheid, pogingen te willen aanwenden, den Draak te dooden, en deed de plechtige belofte, dat hij den Heerscher der diepte met rust zou laten.
De donder hield op en de wolken verspreidden zich, maar de wind blies nog even hevig als ooit. De stuurman deelde echter zijn meester mede, dat het een gunstige wind was, die naar hun eigen land blies.
Ten slotte bereikten zij het strand van Akashi, in Harima. Maar de Chiunagon, die nog steeds ziek was en ontzettend beangst, hield vol, dat zij op een woeste kust gedreven waren, en lag lang uit in de boot, hevig sidderend, terwijl hij weigerde op te staan, toen de gouverneur van het district zich deed aankondigen.
Toen de Chiunagon eindelijk overtuigd was, dat zij niet op een vreemde, woeste kust gedreven waren, stemde hij er in toe, aan land te gaan. Geen wonder dat de gouverneur glimlachte, toen hij het deerniswaardige uiterlijk zag van den uit het veld geslagen Heer, geheel verkleumd, met gezwollen buik en oogen, zonder eenigen glans.
Eindelijk werd de Chiunagon in een draagstoel naar zijn eigen huis gedragen. Toen hij was aangekomen, vertelden hem zijn listige dienaren ootmoedig, dat zij in hun nasporingen niet waren geslaagd. Daarop begroette hen de Chiunagon: "Gij hebt goed gehandeld om met leege handen terug te keeren. Gindsche Draak is zeker verwant met den Dondergod, en iedereen die de hand aan hem slaat, om den juweel te nemen, die in zijn kop schittert, zal zich in gevaar bevinden. Ik zelf ben vreeselijk afgemat van inspanning en ontberingen, en ik heb geen belooning gekregen. Kaguya belaagt de zielen en verwoest de lichamen der menschen, en nooit meer zal ik haar woning opzoeken, en evenmin zal ik u gelasten, uw schreden daarheen te richten."
Men verhaalt, dat toen de vrouwen uit zijn gezin van het avontuur van haar meester hoorden, "zij lachten totdat zij pijn in de zijde hadden, terwijl de zijden kleederen, die hij voor de zoldering van zijn woning had doen spannen, draad na draad door de kraaien werden weggevoerd, om daar nesten mede te dekken."
De Keizerlijke Jachtpartij. [7]
De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames, Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen.
Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood, zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien, en voegde er aan toe: "Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader tot belooning in den adelstand wordt opgenomen."
De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten.
Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe: "De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn kind zijn."
De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn dochter bekend maakte.
De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren.
Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied, of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht, en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya.
Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan, waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij, dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit: "Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek, dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens moge worden aanschouwd."
Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het volgende gedicht:
"Droevig is de thuiskomst Der Vorstlijke Jacht, Vol van droefheid is het Peinzende hart; Want zij biedt weerstand en blijft terug, De Edele Kaguya!"
De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende:
"Onder het dak begroeid met Hoprank Toefde zij vreedzame Jaren. Hoe kan zij wagen te staren Op 't Paleis met zijn kostbaar gesteente?"
Het Hemelsche Kleed van Vederen.
In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd, staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: "Langen tijd heeft de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven, en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar te spreken."
Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak, verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken over de goddeloosheid der wereld.
In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning moest terugkeeren.
Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen, toen hij van het voorgenomen vertrek der Edele Kaguya bericht kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot, zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder, gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen.
De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder denkbeelden te geven, en zeide: "Gij kunt nooit de overwinning behalen over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen, noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn." Die opmerkingen maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande, dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen--in één woord, dat hij zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen.
Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder, op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat [8] scheen er een groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen zag, werd iedere soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af.
Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk een krachtige stem, die sprak: "Kom hier, Miyakko Maro!"
De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen, en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: "Gij dwaas," en die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig vertoef zou worden uitgeleverd.
De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen riep dezelfde krachtige stem: "Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?"
Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard.
De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen, waarop de volgende woorden waren geschreven: "Als ik in dit land geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht, laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen."
Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed van Vederen medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: "Proef, wat ik u bidden mag, van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid van deze bezoedelde wereld."
De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele Kaguya uitriep: "Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat ik vertrek." Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado:
"Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld, dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht, dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken, en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen."
Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen, en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan verdwenen.
Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht verdwenen was.
De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden antwoordde: "In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den hemel uitsteekt." Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende gedicht:
"Haar nooit meer terug te zien! Tranen van smart overstelpen mij, En wat mij betreft, Wat moet ik doen Met het Levenselixir?"
Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden.
Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen berg de naam gegeven van de Fuji (_Fuji-yama_, Nooit Stervend), en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels.
HOOFDSTUK IV. LEGENDEN OMTRENT BUDDHA.
De Legende van den Gouden Lotus.
De volgende legende is klaarblijkelijk niet van Japanschen oorsprong. De Buddhistische priesters in Japan wisten, dat de groote kracht van hun godsdienst niet lag in het uitroeien der oude Shintogoden, maar in het met ontzaglijke scherpzinnigheid aanpassen der goden aan de behoeften van hun eigen onderwijs. In het hier gegeven geval heeft Japan van Indië en in minderen graad van China geleend, indien wij ten minste den draak mogen beschouwen als oorspronkelijk te behooren tot het Hemelsche Rijk. Wij hebben de bewerking van Edward Greey op den voet gevolgd, en geven die hier, omdat zij dikwijls voorkomt in de preeken van priesters uit Nippon, en een bepaald Japansche kleur draagt. Wij zouden legenden van dien aard gemakkelijk in twee lezingen kunnen geven, maar voor ons doel is ééne voldoende. De twee overige legenden in dit hoofdstuk zijn uitdrukkelijk Japansch.
Toen Buddha zijn heilige overpeinzingen op den berg Dan-doku had voleindigd, wandelde hij op weg naar de stad langzaam voort langs een rotsachtig voetpad. De donkere schaduwen van den nacht kropen over het land voort en er was overal diepe stilte.
Toen de Buddha zijn bestemming naderde, hoorde hij dat iemand riep: "_Shio-giyo mu-jiyo_" ("De uitwendige wijze van doen is niet altijd een aanwijzing voor de natuurlijke geaardheid.")
Buddha was over die woorden uiterst verheugd, en begeerde te vernemen, wie zoo verstandig had gesproken. Telkens weer hoorde hij diezelfde woorden, en na voortgegaan te zijn naar den rand van een afgrond, keek hij neer in de vallei beneden hem, waar hij een vreeselijk leelijken draak zag, die hem met woedende oogen aanstaarde.
De Heilige Man ging toen op een rots zitten, en vroeg den draak, hoe hij één van de diepste mysteriën van het Buddhisme had geleerd. Een zoo diepzinnige wijsheid deed vermoeden, dat nog een groote overvloed van geestelijke waarheden kon worden geopenbaard, en Buddha vroeg daarom, dat de draak nog uiting zou geven aan andere wijze gezegden.
Daarna riep de draak, na zich om de rots te hebben gekronkeld, met luider stem: "_Ze-shio metsu-po!_" ("Alle levende dingen zijn tegenstrijdig aan de wet van Buddha!").
Na die woorden te hebben geuit, was de draak eenigen tijd stil. Daarna verzocht Buddha, nog een andere spreuk te mogen hooren.
"_Shio-metsu metsu-i!_" ("Alle levende dingen moeten sterven!"), schreeuwde de draak.
Bij die woorden zag de draak op naar Buddha, en op zijn ijselijk gelaat was een uitdrukking van ontzettenden honger.
De draak zeide daarop tot Buddha, dat de volgende waarheid de laatste was, en van zóó groote waarde, dat hij die niet kon openbaren, zoolang zijn honger nog niet was gestild.
Daarop merkte de Heilige Man op, dat hij den draak niets zou weigeren, als hem slechts de vierde waarheid werd geopenbaard, en vroeg den draak, wat hij verlangde. Toen Buddha hoorde, dat menschenvleesch door den draak verlangd werd in ruil voor zijn laatste kostbare, wijze spreuk, deelde de Meester den draak mede, dat zijn godsdienst verbood, dat levende wezens gedood werden, maar dat hij ten behoeve van het welzijn van zijn volk zijn eigen lichaam zou opofferen.
De draak opende zijn grooten bek en zeide: "_Jaku-metsu I-raku!_" ("Het grootste geluk wordt ondervonden, nadat de ziel het lichaam heeft verlaten!").
Buddha boog, en sprong toen in den gapenden bek van den draak.
Nauwelijks had de Heilige Man de kaken van het monster aangeraakt, of deze scheidden zich in acht deelen, en in één oogenblik veranderden zij in de acht bloemblaadjes van den Gouden Lotus.
De Bronzen Buddha van Kamakura en de Walvisch. [9]
"Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart, Waaronder Dood de godenbeelden en 't geboomte hult in nevelen van zuchten, (Waar is de tijd van Kamakura's vroeg'ren bloei gebleven?) Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd." _Yone Noguchi_.
De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shoguns en de Regenten uit het geslacht der Hojo's gedurende den veelbewogen tijd der Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha, die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest, totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat, met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige stormen der wereld.
Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden, zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt niet in overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen, die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten Leeraar naar beneden te halen--al is het slechts, om hem een paar armzalige centimeters kleiner voor te stellen.
Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte, buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit oppervlakkig zoo vreemde verschil.
De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder, en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste voorwerp op de geheele wereld was.
Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet bekoren. Hij achtte het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting.
Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch, en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim, en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai.
De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan, om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid aan zijn geschokten vriend mede te deelen.