Chapter 5
Op zekeren dag zag een oude vrouw, die aan den oever der rivier bezig was haar kleeren te wasschen, toevallig een reusachtige perzik, die op het water dreef. Het was verreweg de grootste perzik, die zij ooit had gezien, en daar die oude vrouw en haar man bijzonder arm waren, dacht zij er onmiddellijk aan, wat een uitnemend maal die buitengewonen perzik zou opleveren. Toen zij geen stok kon vinden, om daarmede de vrucht naar den oever te trekken, herinnerde zij zich plotseling het volgende versje:
"Het verwijderde water is bitter, Het nabijgelegen water is zoet; Ga voorbij het verwijderde water, En kom in het water zoo zoet."
Dit kleine liedje had het gewenschte gevolg. De perzik kwam hoe langer hoe naderbij, totdat zij stil bleef liggen aan de voeten der oude vrouw. Zij bukte en raapte haar op. Zij was zóó verheugd over haar ontdekking, dat zij het niet kon uithouden, daar langer te blijven wasschen, maar zich zoo spoedig mogelijk naar huis begaf.
Toen haar echtgenoot 's avonds terugkeerde, met een bundel gras op zijn rug, haalde de oude vrouw opgewonden de perzik uit de kast en liet hem die zien.
De oude man, die vermoeid en hongerig was, was evenals zijn vrouw verheugd bij de gedachte aan een zoo heerlijk maal. Hij droeg spoedig een mes aan, en was juist op het punt de perzik door te snijden, toen die plotseling van zelf openging, en het schoonste kind, dat men zich kan voorstellen, er met een vroolijken lach uitrolde.
"Weest niet bevreesd," zeide de kleine knaap. "De Goden hebben gehoord, hoezeer gij naar een kind hebt verlangd, en hebben mij gezonden, om een troost en een verkwikking voor u te zijn in uw oude dagen."
Het oude paar was zóó overstelpt van vreugde, dat zij nauwelijks wisten, hoe zij zich moesten gedragen. Ieder van hen op de beurt koesterde en liefkoosde het kind, en mompelde lieve en hartelijke woordjes. Zij noemden hem Momotaro of "Zoon van een Perzik".
Toen Momotaro vijftien jaar oud was, was hij veel langer en sterker dan andere jongens van zijn leeftijd. In zijn aderen brandde de lust, een dappere held te worden, en de ridderlijke heldenmoed, dier er naar verlangde, onrecht te herstellen.
Op zekeren dag kwam Momotaro bij zijn pleegvader en vroeg hem, of hij hem wilde toestaan, een groote reis te ondernemen naar een zeker eiland in de Noord-Oostelijke Zee, waar een aantal duivels woonden, die een groote menigte onschuldige menschen hadden gevangen genomen, van wie zij er velen verslonden. Hun boosaardigheid was boven beschrijving, en Momotaro wenschte hen te dooden, de ongelukkige gevangenen te bevrijden, en een grooten buit van het eiland mede te brengen, ten einde dien met zijn pleegouders te deelen.
De oude man was niet weinig verbaasd, toen hij dit onversaagde plan vernam. Hij wist, dat Momotaro geen gewoon kind was. Hij was uit den hemel gezonden, en hij was van oordeel, dat geen duivels ter wereld hem kwaad konden doen. Op dien grond gaf de oude man eindelijk zijn toestemming en zeide: "Ga, Momotaro, dood de duivels en breng vrede aan het land."
Toen de oude vrouw Momotaro een aantal rijstkoeken had gegeven, nam de jongeling afscheid van zijn pleegouders, en trok hij uit, om zijn tocht te beginnen.
De Zege van Momotaro.
Terwijl Momotaro onder een haag rustte en één der rijstkoeken at, kwam een groote hond op hem af, die gromde en zijn tanden liet zien. Bovendien kon de hond spreken, en vroeg Momotaro dreigend, hem een rijstkoek te geven. "Ge moet mij òf een koek geven," zoo sprak hij, "òf ik zal u dooden."
Toen de hond echter hoorde, dat de beroemde Momotaro vóór hem stond, nam hij zijn staart tusschen de pooten, en boog met den kop naar den grond, terwijl hij verzocht den "Zoon van een Perzik" te mogen volgen en hem alle diensten te mogen bewijzen, die in zijn macht lagen.
Momotaro nam volgaarne dit aanbod aan, en nadat hij den hond een halven koek had toegeworpen, gingen zij samen op weg.
Zij hadden nog geen grooten afstand afgelegd, toen zij een aap ontmoetten, die eveneens vroeg, in den dienst van Momotaro te worden opgenomen. Dit werd toegestaan, maar het duurde eenigen tijd, voordat de hond en de aap in vrede samen konden omgaan, zonder elkander te willen bijten.
Toen zij hun weg vervolgden, kwamen zij een fazant tegen. Nu ontwaakte weer de ingeboren afgunst van den hond, en hij liep naar voren en trachtte den schoon gevederden vogel te dooden. Momotaro scheidde de vechtenden, en ten slotte werd ook de fazant opgenomen in den kleinen stoet, terwijl hij keurig in de achterhoede marcheerde.
Eindelijk bereikten Momotaro en zijn volgelingen de kust der Noord-Oostelijke Zee. Hier vond onze held een boot, en na eenig tegenspartelen van hond, aap en fazant, gingen zij allen aan boord, en spoedig gleed het scheepje over de blauwe zee.
Na dagen lang op den oceaan te hebben gevaren, zagen zij in de verte een eiland. Momotaro beval den vogel weg te vliegen, als een gevleugelde bode, om zijn komst aan te kondigen, en de duivels te bevelen zich over te geven.
De fazant vloog over de zee, en zette zich na de landing neer op het dak van een groot kasteel, waar hij zijn schrikwekkende boodschap toeschreeuwde, waaraan hij toevoegde, dat de duivels als teeken van onderwerping hun horens moesten afbreken.
De duivels lachten slechts om dat bevel en schudden hun horens en hun ruig, rood haar. Daarna droegen zij ijzeren staven aan, die zij woedend naar den vogel slingerden. De fazant ontweek verstandig de werptuigen, en vloog naar het hoofd van een aantal duivels.
Intusschen was Momotaro met zijn beide makkers geland. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij zag twee schoone meisjes aan den oever van een rivier weenen, terwijl zij met bloed gedrenkte kleeren uitwrongen.
"Ach!" zoo spraken zij treurig, "wij zijn dochters van _daimyos_, en zijn thans de gevangenen van den Boozen Geest, die Koning is over dit vreeselijke eiland. Hij zal ons spoedig dooden, en er is, helaas, niemand, om ons te hulp te komen." Na die opmerking te hebben gemaakt, weenden de vrouwen op nieuw.
"Dames", zeide Momotaro, "ik ben hier gekomen, met het doel uw booze vijanden te verslaan. Wijst mij een weg, om gindsch kasteel binnen te dringen."
Aldus kwamen Momotaro, de hond en de aap door een smalle deur het paleis binnen. Toen zij eenmaal de vesting waren binnengedrongen, vochten zij hardnekkig. Een groot aantal duivels waren zóó verschrikt, dat zij van de borstweringen afvielen, en te pletter vielen, terwijl andere onmiddellijk gedood werden door Momotaro en zijn makkers. Allen werden gedood behalve de Koning, doch deze besloot verstandig, zich over te geven, en smeekte, dat zijn leven mocht gespaard worden.
"Neen", zeide Momotaro woedend. "Ik wil uw laaghartig leven niet sparen. Gij hebt een aantal onschuldige menschen gepijnigd en het land jaren lang geplunderd."
Na die woorden te hebben gesproken, stelde hij den Koning onder de bewaking van den aap, en ging daarna door al de vertrekken van het kasteel, terwijl hij de talrijke gevangenen, die hij daar vond, bevrijdde.
De terugreis was een vroolijke tocht. De hond en de fazant droegen samen den schat, terwijl Momotaro den Koning medevoerde.
Momotaro liet de twee dochters der _daimyos_ naar haar huis vertrekken, benevens een aantal anderen, die op het eiland gevangen genomen waren. Het geheele land verheugde zich in die overwinning, maar niemand meer dan de pleegouders van Momotaro, die hun dagen verder doorbrachten in vrede en overvloed, dank zij den grooten schat der duivels, die Momotaro hun had geschonken.
"Mijn Heer Zak met Rijst".
Op zekeren dag kwam de groote Hidesato bij een brug, die over het schoone meer Biwa was gespannen. Hij was op het punt, de brug over te trekken, toen hij een slangendraak in diepen slaap zag, die hem in den weg lag. Hidesato klom zonder een oogenblik aarzelens over het monster heen en vervolgde zijn weg.
Hij was nog niet ver voortgeschreden, toen hij hoorde, dat iemand hem riep. Hij zag om, en zag, dat op de plaats van den draak een man stond, die met veel plichtplegingen voor hem boog. Het was een man met een vreemd uiterlijk, op wiens rood haar een kroon geplaatst was in den vorm van een draak.
"Ik ben de Drakenkoning van het meer Biwa", zoo sprak de roodharige man. "Een oogenblik geleden nam ik den vorm aan van een vreeselijk monster, in de hoop, een sterveling te vinden, die niet bang voor mij was. Gij, o Heer, hebt geen vrees getoond, en ik ben daarover zeer verheugd. Een groote honderdpoot komt telkens van gindsche berg af, komt mijn paleis binnen en dood mijn kinderen en kleinkinderen. Één voor één zijn zij voedsel geworden voor dit ontzaglijke monster, en ik vrees, dat, als er niets gedaan kan worden, om dat dier te dooden, ik spoedig zelf het slachtoffer zal worden. Lang heb ik reeds op een dapper sterveling gewacht. Alle mannen, die mij tot nu toe in mijn drakengestalte hebben gezien, zijn weggeloopen. Gij zijt een dapper man, en ik smeek u, mijn bitteren vijand te dooden."
Hidesato, wien een avontuur altijd welkom was, te meer als er gevaar aan verbonden was, stemde er onmiddellijk in toe, te probeeren, wat hij voor den Drakenkoning kon doen.
Toen Hidesato het paleis van den Drakenkoning bereikte, bleek het een prachtig gebouw te zijn, nauwelijks minder schoon dan het paleis van den Zeekoning zelf. Hij werd onthaald op gekristalliseerde lotusbladeren en bloemen en at de lekkernijen, die te kust en te keur hem werden voorgezet. Terwijl hij smulde, dansten tien kleine goudvischjes, en vlak achter de goudvischjes maakten tien karpers liefelijke muziek op de _koto_ en de _samisen_. Juist dacht Hidesato er over na, hoe voortreffelijk hij onthaald was, en hoe bijzonder lekker de wijn was, toen zij allen een vreeselijk leven hoorden, als een dozijn donderslagen, die te gelijk losbraken.
Hidesato en de Drakenkoning stonden haastig op en liepen naar het balkon. Zij zagen, dat de berg Mikami nauwelijks te herkennen was, daar hij van den top tot den voet bedekt was door den ontzaglijken honderdpoot. In zijn kop gloeiden twee vuurballen en zijn honderd pooten waren als een lange, kronkelende ketens lantarens.
Hidesato deed een pijl op zijn boog en trok toen de pees met alle kracht aan. De pijl vloog door de lucht en trof den honderdpoot in het midden van den kop, maar sprong terug zonder een wond te hebben veroorzaakt. Weer liet Hidesato een pijl voortsuizen, weer trof die pijl het monster, maar weer viel hij op den grond, zonder schade te hebben berokkend. Hidesato had nog slechts één pijl over. Plotseling herinnerde hij zich de tooverwerking van menschelijk speeksel, en daarom stak hij de punt van den laatst overgebleven pijl een oogenblik in zijn mond, waarna hij dien haastig op den boog legde en nauwkeurig mikte.
De laatste pijl trof doel en doorboorde de hersenen van het monster. Het bewoog zich niet langer; het licht in zijn oogen en pooten verzwakte en ging eindelijk uit, en het meer Biwa, met zijn onderzeesch paleis, werd in diepe duisternis gehuld. De donder raasde, de bliksem flitste, en een oogenblik scheen het, alsof het paleis van den Drakenkoning op den grond zou vallen.
Den volgenden dag was ieder teeken van den storm verdwenen. De lucht was helder. De zon scheen schitterend aan den hemel. En in het fonkelende blauwe meer lag het lijk van den grooten honderdpoot.
De Drakenkoning en zijn omgeving waren bijzonder verheugd, toen zij zagen, dat hun gevreesde vijand gedood was. Hidesato werd weer feestelijk onthaald, zelfs nog vorstelijker dan te voren. Toen hij eindelijk vertrok, deed hij dit met een stoet van visschen, die plotseling in mannen veranderden. De Drakenkoning schonk onze held vijf kostbare gaven: twee klokken, een zak met rijst, een rol zijde en een kookpan.
De Drakenkoning vergezelde Hidesato tot aan de brug, en toen liet hij schoorvoetend toe, dat onze held met den grooten stoet van dienaren, die de geschenken droegen, wegtrok.
Toen Hidesato zijn huis bereikte, legden de dienaren de geschenken van den Drakenkoning neer en verdwenen plotseling.
De geschenken waren geen gewone gaven. De zak met rijst was onuitputtelijk, er was evenmin een einde aan de rol zijde, en in de kookpan kon gekookt worden zonder vuur. Alleen de klokken hadden geen magische eigenschappen; deze werden aan een naburigen tempel aangeboden. Hidesato werd rijk, en zijn roem verspreidde zich wijd en zijd. Het volk noemde hem nu niet langer Hidesato, maar Tawara Toda, of "Mijn Heer Zak met Rijst".
HOOFDSTUK III. DE BAMBOESNIJDER EN HET MAANMEISJE.
De komst van de Edele Vrouwe Kaguya.
Lang geleden leefde er een oude bamboesnijder, die den naam droeg van Sanugi no Miyakko. Toen hij op zekeren dag met zijn hakmes bezig was in een bamboeboschje, zag hij plotseling een wonderbaarlijk licht, en bij nadere beschouwing ontdekte hij binnen in een riet een klein schepseltje van buitengewone schoonheid. Hij nam voorzichtig het tengere meisje op, dat slechts tien centimeter groot was, en droeg het naar huis naar zijn vrouw. Het kleine meisje was zóó fijn, dat het in een mandje moest worden opgekweekt.
Het geschiedde nu, dat de bamboesnijder zijn gewone werkzaamheden voortzette, maar dag en nacht vond hij, als hij het riet afsneed, goud, en terwijl hij oorspronkelijk arm was geweest, verzamelde hij nu een aanzienlijk vermogen.
Nadat het meisje nog slechts drie maanden bij dat eenvoudige landvolk had doorgebracht, groeide zij plotseling in lengte op tot een volwassen maagd; en opdat zij in haar optreden en uiterlijk met dit heugelijke en verwonderlijke feit in harmonie zou zijn, werden haar nu de haren, die tot nu toe in lange vlechten over haar schouders lagen, op het hoofd opgestoken. De bamboesnijder noemde het meisje later de Edele Kaguya, of "Kostbaar-Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld". Toen zij haar naam had gekregen, werd een groot feest aangericht, waaraan alle buren deelnamen.
Het Vrijen naar de Edele Vrouwe Kaguya.
"Als een vrouw iets schooner is dan de groote menigte, hoezeer verlangen dan mannen, haar schoonheid te aanschouwen!"--_Taketori_.
De Edele Kaguya was nu de schoonste van alle vrouwen, en onmiddellijk na het feest verspreidde zich de faam van haar schoonheid over het geheele land. Zoogenaamde minnaars verzamelden zich om de heining en bleven wachten in het voorportaal, in de hoop ten minste een vluchtigen blik te kunnen slaan op die lieftallige maagd. Dag en nacht wachtten die ongelukkige wezens, maar te vergeefs. Zij die van nederige afkomst waren, begonnen langzamerhand in te zien, dat hun vrijage nutteloos was.
Maar vijf vermogende vrijers bleven het volhouden, en wilden hun pogingen niet opgeven. Het waren Prins Ishizukuri en Prins Kuramochi, de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki en Morotada, de Heer van Iso. Die vurige minnaars verdroegen "het ijs en de wintersneeuw en de met onweer bezwangerde hitte van het midden van den zomer met even groote vastberadenheid." Toen die aanzienlijke vrijers den bamboesnijder ten slotte vroegen, zijn dochter aan één van hen te schenken, antwoordde de oude man beleefd, dat het meisje in werkelijkheid zijn dochter niet was, en dat zij, nu dit het geval was, niet kon gedwongen worden aan zijn wenschen in die zaak te gehoorzamen.
Eindelijk keerden de vrijers naar hun paleizen terug, maar bleven nog met grootere volharding voortgaan met hun smeekingen. Zelfs de zoo goedmoedige bamboesnijder begon bij de edele Kaguya aan te dringen, en als zijn meening kenbaar te maken, dat het voor een zoo schoone maagd passend was te huwen, terwijl zij toch uit de vijf edele vrijers ongetwijfeld een goede keuze zou kunnen doen. Daarop antwoordde de verstandige Kaguya: "Zóó schoon ben ik niet, dat ik zeker kan zijn van de trouw van een man, en als ik zou moeten leven met een man, wiens hart wispelturig bleek te zijn, wat een ellendig lot zou ik dan hebben! Ik twijfel er niet aan, of de mannen van wie gij spreekt, zijn aanzienlijke mannen, maar ik zou geen man willen huwen, wiens hart niet op de proef was gesteld en niet door en door gekend was".
Eindelijk werd afgesproken, dat Kaguya zou huwen met den vrijer, die het waardigst bleek te zijn. Deze tijding bracht voor het oogenblik hoop aan de vijf aanzienlijke vrijers, en bij het aanbreken van den nacht kwamen zij bijeen vóór het huis, waar het meisje woonde, "met fluitspel en gezang, onder begeleiding der zangmuziek, met stappen op de maat en het openen en dichtslaan van waaiers". Alleen de bamboesnijder ging naar buiten, om de Edelen voor hun serenade te danken. Toen hij zijn huis weer was binnengetreden, ontvouwde Kaguya aldus haar plan, om de vrijers op de proef te stellen:
"In Tenjiku (het Noordelijk deel van Indië) is een steenen bedelnap, die oudtijds door Buddha zelf gedragen werd; laat Prins Ishizukuri dien gaan zoeken, en mij brengen. En op den berg Horai, die hoog boven den Oostelijken Oceaan uitsteekt, groeit een boom met zilveren wortels en een gouden stam en zuiver witte juweelen vruchten, en ik verzoek Prins Kuramochi, daarheen te gaan, en een tak daarvan af te breken en hierheen te brengen. Verder vervaardigen de menschen in het land van Morokoshi kleederen van bont van het vel van de Rat die tegen het Vuur bestand is, en ik verzoek den Dainagon, een dergelijk kleed voor mij op te sporen. Dan eisch ik van den Chiunagon, dat hij den juweel met de regenboogkleuren opspoort, die zijn glans diep in den kop van den draak verbergt, en uit de handen van Heer Iso zou ik gaarne de zeeschelp willen ontvangen, die de zwaluw hierheen brengt over de breede vlakte der zee."
De Bedelnap van den Buddha.
Nadat Prins Ishizukuri er lang over had nagedacht, of hij wel naar het ver afgelegen Tenjiku zou gaan, om Buddha's bedelnap te zoeken, kwam hij tot het besluit, dat een dergelijke onderneming volstrekt geen nut had. Hij besloot daarom, den bedoelden nap na te maken. Sluw beraamde hij zijn plannen, en droeg er zorg voor, dat de Edele Kaguya bericht kreeg, dat hij werkelijk den tocht had ondernomen. In werkelijkheid bleef die sluwe vrijer drie jaar lang in Yamato verborgen, en vond na dien tijd in een klooster op een heuvel in Tochi een beker van hoogen ouderdom, die lag op een altaar van Binzuru (de Helper in Ziekte). Hij nam dien beker met zich mede, en wikkelde hem in brokaat, en bevestigde aan het geschenk een kunstig nagebootsten tak bloesems.
Toen Kaguya den beker beschouwde, vond zij er binnen in een rol, waarop het volgende was geschreven:
"Over zeeën, over heuvels Trok uw dienaar, en vermoeid Gaat hij uitgeput te gronde: Wat al tranen kost die steenen Beker, Wat een vloed van bittre tranen!"
Maar toen Kaguya ontdekte, dat de beker geen licht uitstraalde, wist zij onmiddellijk, dat hij nooit aan Buddha had toebehoord. Zij zond dan ook den beker terug met het volgende gedicht:
Van den hangenden droppel dauw Is de voorbijgaande glans Zelfs niet hierin: Op den Heuvel van 't Duister, den Heuvel Van Ogura, Wat hooptet gij daar te vinden?
De Prins trachtte, na den beker te hebben weggeworpen, bovenstaand verwijt om te zetten in een compliment aan de dame, die het had neergeschreven, en antwoordde:
"Op schitt'rend lichten heuvel Moet ied're glans Verbleeken. O, mocht verwijderd van het licht Van uw schoonheid, De glans van gindschen beker Mijn trouw bewijzen!"
Dit was een keurig uitgedrukt compliment, afkomstig van een minnaar, die niets dan een ijdele bluffer was. Die laatste poëtische ontboezeming hielp hem echter niets, en de Prins vertrok, treurig gestemd.
De Tak van den Berg Horai, die Juweelen droeg.
Prins Kuramochi was even sluw als zijn voorganger, en verspreidde overal het gerucht, dat hij op reis ging naar het land van Tsukushi, om den Tak te halen, die Juweelen droeg. Doch inderdaad deed hij niets anders dan zes man van de familie Uchimaro, beroemde handwerkslieden, in dienst te nemen, en voor hen een schuilplaats machtig te worden, die afgezonderd was van de verblijfplaats der menschen. Daar hield hij zich zelf eveneens verborgen, met het doel de handwerkslieden te leeren, hoe zij een Tak, die Juweelen droeg, konden maken, die volmaakt overeen kwam met den tak, door de Edele Kaguya beschreven.
Toen het werk voltooid was, ging hij op weg, om zijn opwachting bij de schoone maagd te maken, die het volgende gedicht las, dat aan het geschenk was vastgehecht:
"Al ware het met gevaar Voor eigen leven, Zonder den met Juweelen beladen Tak In mijn handen, zou ik nooit Hebben durven terugkeeren!"
De Edele Kaguya aanschouwde met smart den glinsterenden tak, en luisterde zonder belangstelling naar het verzonnen verhaal van de avonturen van den Prins. De Prins weidde uit over de verschrikkingen der zee, over vreemde monsters, over geleden honger, over ziekten en over beproevingen, door hem op den oceaan doorstaan. Daarna ging de onverbeterlijke leugenaar voort te beschrijven, hoe zij aan een hoogen berg gekomen waren, die uit de zee verrees, waar zij begroet werden door een vrouw, die een zilveren schaal droeg, welke zij met water vulde. Op den berg waren bewonderenswaardige bloemen en boomen, en een rivier "met kleuren van den regenboog, geel als goud, wit als zilver, blauw als kostbaar _ruri_ (lapis lazuli); en de rivier was overspannen met bruggen, gebouwd van verschillende soorten van edelsteenen, en daarnaast groeiden boomen, beladen met fonkelende juweelen, en van één van die boomen brak ik den tak af, dien ik het nu waag, aan de Edele Vrouwe Kaguya aan te bieden".
Ongetwijfeld zou Kaguya gedwongen zijn geweest, aan dit vernuftige verhaal geloof te schenken, indien niet op ditzelfde oogenblik de zes handwerkslieden ten tooneele waren verschenen, die, door luide betaling te eischen voor den door hen vervaardigden Juweelen-Tak, het verraad van den Prins aan het daglicht brachten. Deze trok zich daarop ijlings terug. Kaguya betaalde zelf de handwerkslieden, ongetwijfeld gelukkig, dat zij zoo gemakkelijk was ontkomen.
Het Kleed van Bont, dat tegen het Vuur bestand was.
De Sadaijin (Linker Groote Minister) Abeno Miushi droeg een koopman, Wokei genaamd, op, voor hem een kleed van bont te ontbieden, vervaardigd van de Rat, die tegen het vuur bestand was, en toen het koopvaardijschip uit het land van Morokoshi was teruggekeerd, had het een kleed van bont onder de koopwaren, waarvan de Sadaijin in zijn vurige begeerte dacht, dat dit het voorwerp van zijn wenschen was. Het Bont-kleed rustte in een doos, en de Sadaijin, die vertrouwde op de eerlijkheid van den koopman, beschreef het als een kleed "zeegroen van kleur, waarvan de haren eindigden in punten van schitterend goud, een schat van onvergelijkelijke schoonheid, die zelfs nog meer te bewonderen was om zijn voortreffelijke zuiverheid dan om de eigenschap, dat hij de vuurvlammen kon weerstaan".
De Sadaijin, die er van verzekerd was als minnaar te zullen slagen, ging verheugd op reis, om zijn geschenk aan de Edele Kaguya aan te bieden, terwijl hij er het volgende gedicht aan toevoegde:
"Eind'loos is het minnevuur, Dat mij zengt, doch onverzengd Is het Bont-kleed: Doch mijn mouwen zijn nu droog, Heden toch zal ik haar zien!"
Eindelijk was de Sadaijin in de gelegenheid, zijn geschenk aan Kaguya aan te bieden. Zij sprak toen den bamboesnijder, die steeds op dergelijke oogenblikken ter juister tijd op het tooneel aanwezig schijnt te zijn geweest, aldus toe: "Indien dit kleed midden in het vuur wordt geworpen en niet verbrandt, dan zal ik weten, dat het inderdaad het kleed is, dat tegen het vuur is bestand, en zal dan niet langer het aanzoek van dezen minnaar afslaan". Een vuur werd aangestoken, en het kleed werd in de vlammen geworpen, waarin het onmiddellijk verging. "Toen de Sadaijin dit zag, werd zijn gelaat zoo groen als gras, en hij stond daar verstomd toe te zien." Maar de Edele Kaguya verheugde zich in stilte en zond de doos terug met het volgende gedicht: