Mythen & Legenden van Japan

Chapter 4

Chapter 43,974 wordsPublic domain

Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was, en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit, dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was, indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte, en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig verborgen in ransels, die geen achterdocht zouden wekken. Voordat zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen.

Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden.

Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien, maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd ("een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten"), en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen, terwijl zij in de wolken verdwenen.

Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte haar tranen af met de lange mouw van haar _kimono_. Toen Raiko vroeg, wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko, die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren, die een tijdelijke schuilplaats zochten.

Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in gelukkige woningen in Kyoto hadden gewoond.

Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker, dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn metgezellen.

De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in een diepen slaap vielen. Toen sprong Raiko overeind, en hij en zijn makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden, en zeiden tot Raiko: "Wij hebben de handen en voeten van den Boozen Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd afsnijden; dood daarna de overige _eni_, (booze geesten) en uw taak zal volbracht zijn." Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling.

Raiko doodt den Boozen Geest.

Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de volgelingen van den Boozen Geest gedood.

In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning, en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis, en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyoto.

De Tooverspin.

Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend, maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in het begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen; daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke kracht de oorzaak was van zijn ziekte.

Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot, de zaak met zorg na te gaan.

Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik, dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web, dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden, omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij, dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden.

De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood, en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht.

Een andere Lezing.

Er is nog een andere lezing van deze legende, welke afkomstig is van Kenko Hoshi; deze verschilt in een aantal bijzonderheden zóózeer van de legende, die wij hebben medegedeeld, dat zij als een geheel nieuw verhaal kan worden beschouwd. Als wij die lezing niet mededeelden, zouden wij de legende berooven van haar sombersten vorm, die tot nu toe voor den gewonen lezer niet toegankelijk is geweest [6].

Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyoto met Tsuna, den meest waardigen van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten, alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd.

Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan:

"Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond."

Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen, en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij, dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette, hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel, haar gelaat was twee voet lang en "haar armen waren wit als sneeuw en dun als draden." Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen, waarna het in den nevel verdween.

Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende, dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks, maar een bekoorlijke vrouw, "sierlijker dan de wilgentakken, als zij door een zacht windje gewiegeld worden". Toen hij dit liefelijke meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg, zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder den vloer had gebroken.

Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was.

Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: "Ik ben ziek en heb pijn."

Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het monster vóór hen niets anders was dan de Spin op den Berg. Toen zij het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken.

De Avonturen van Prins Yamato Take.

Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed, met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien later van dienst zou zijn.

Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen, en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen.

Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana, hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag, was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als een bijzonder mooie vrouw uitzag.

Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen, waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende uit te roeien. Toen zij opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op hen afkwam.

Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd.

Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk.

Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer, trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood.

Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde.

"Houd uw hand een oogenblik in", hijgde de stervende roover. "Ik zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben."

"Ik ben Yamato" zeide de Prins, "de zoon van den Koning, die mij beval, zulke roovers als gij te dooden!" "Sta mij toe, u een nieuwen naam te geven", zeide de roover beleefd. "Van nu af aan zult gij Yamato Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt."

Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover.

Het Houten Zwaard.

Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder goed gezind was. Hij sneed een houten zwaard en sloeg dit met geweld vast in de scheede van zijn eigen stalen wapen. Hij droeg dit telkens, als hij dacht Takeru te ontmoeten.

Bij zekere gelegenheid noodigde Prins Yamato Takeru uit, met hem in de rivier Hinokawa te gaan zwemmen. Terwijl de roover stroomafwaarts zwom, landde de Prins heimelijk, en na zich begeven te hebben naar de plaats aan den oever, waar de kleeren van Takeru lagen, gelukte het hem, diens zwaard tegen het zijne te verruilen, door zijn houten zwaard te plaatsen, waar het scherpe stalen zwaard van Takeru gelegen was.

Toen Takeru uit het water was gekomen en zijn kleeren had aangetrokken, vroeg hem de Prins, zijn bekwaamheid in het hanteeren van het zwaard te toonen, "Wij zullen," zoo sprak hij, "onderzoeken, wie van ons beiden de beste krijgsman is."

Daartoe volstrekt niet ongenegen, trachtte Takeru zijn zwaard uit de scheede te trekken. Het bleef vastzitten, en daar het van hout was, zou het hem natuurlijk toch niet van nut geweest zijn. Terwijl de roover aldus druk bezig was, sloeg Yamato hem het hoofd af. Ten tweede male was zijn slimheid hem te stade gekomen, en toen hij naar het paleis terugkeerde, werd hij feestelijk onthaald, en ontving hij een aantal kostbare geschenken van zijn koninklijken vader.

Het "Gras-Klievende-Zwaard".

Prins Yamato bleef niet lang in ledigheid in het paleis, want zijn vader beval hem, weg te gaan, om een opstand der Ainu's in de oostelijke provincies te onderdrukken.

Toen de Prins gereed was te vertrekken, gaf hem de Koning een speer, van een hulstboom vervaardigd, welke de "Achttien-Arm-Lange-Speer" werd genoemd. Met dit kostbare geschenk bezocht Prins Yamato de tempels van Isé. Zijn tante, de hooge-priesteres, begroette hem weer. Zij luisterde met belangstelling naar alles, wat haar neef haar verhaalde, en was bovenal verheugd, toen zij vernam hoe uitnemend het kleed, dat zij hem had gegeven, hem te pas was gekomen.

Toen zij naar zijn verhaal had geluisterd, ging zij den tempel binnen, en bracht zij een zwaard mede en een zak, die vuursteenen bevatte. Zij gaf deze als een afscheidsgeschenk aan Yamato.

Het zwaard was het zwaard van Murakumo, dat behoorde tot de insigniën van het Keizerlijk Huis van Japan. De Prins kon wel geen passender geschenk hebben ontvangen. Dit zwaard behoorde eertijds, zooals men zich zal herinneren, aan de Goden, en werd door Susa-no-o ontdekt.

Na een langen tocht kwamen Prins Yamato en zijn volgelingen in de provincie Suruga. De gouverneur ontving hen gastvrij, en bij wijze van feestelijk onthaal organiseerden zij een hertenjacht. Onze held was op zijn beurt nu ook eens het slachtoffer van de sluwheid zijner tegenstanders, en voegde zich bij de jacht zonder eenige achterdocht.

De Prins werd gebracht naar een groote en woeste vlakte, met hoog gras bedekt. Terwijl hij bezig was het wild op te jagen, ontdekte hij plotseling vuur in zijn nabijheid. In een oogenblik tijds zag hij vlammen en rookwolken in iedere richting opstijgen. Hij was omringd door vuur, waaruit hij blijkbaar niet kon ontsnappen. Te laat ontdekte de argelooze krijgsman, dat hij in een hinderlaag was gevallen en dat het vuur hem wel dicht aan de schenen werd gelegd!

Onze held opende de tasch, die zijn tante hem had gegeven, stak het gras in zijn nabijheid in brand, en met het zwaard van Murakumo sneed hij de groote groene halmen zoo snel mogelijk af. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de wind draaide plotseling om, en joeg de vlammen van hem weg, zoodat de Prins ten slotte kon ontsnappen zonder zich ook maar eenigszins te hebben gebrand. En zoo geschiedde het, dat het zwaard van Murakumo bekend werd als het "Gras-Klievende-Zwaard".

Het Offer van Ototachibana.

In al die avonturen was de Prins gevolgd door zijn getrouwe gade, Prinses Ototachibana. Het is wel treurig te vertellen, maar onze held, hoe voortreffelijk ook in den strijd, was lang niet zoo te prijzen en te achten als echtgenoot. Hij zag op zijn vrouw neer en behandelde haar met groote onverschilligheid. Zij had, arme ziel, haar schoonheid verloren in den dienst van haar heer. Haar huid was door de zon verbrand en haar kleederen waren bevlekt en gescheurd. Toch klaagde zij nooit, en hoewel haar gelaat droevig werd, deed zij dapper haar best, haar gewone zachtheid van karakter te behouden.

Prins Yamato kwam nu toevallig in aanraking met de betooverende Prinses Miyadzu. Haar kleederen waren bekoorlijk, haar huid zoo fijn en zacht als kersenbloesem. Het duurde niet lang, of hij werd smoorlijk op haar verliefd. Toen de tijd van vertrek voor hem naderde, zwoer hij, dat hij spoedig zou terugkeeren en de schoone Prinses Miyadzu tot zijn vrouw zou maken. Nauwelijks had hij die belofte afgelegd, of hij keek op en zag Ototachibana, en op haar gelaat lag een blik van diepe treurigheid. Maar Prins Yamato verhardde zijn gemoed en reed weg, heimelijk besloten zijn belofte te houden.

Toen Prins Yamato met vrouw en volgelingen de zeekust van Idzu bereikte, wenschten zijn manschappen een aantal booten machtig te worden, ten einde de zeeëngte van Kadzusa over te trekken.

De Prins riep hooghartig: "Maar dit is niets dan een beekje! waartoe zooveel booten? Ik zou er wel overheen kunnen springen!"

Toen zij allen aan boord gestegen waren en de reis hadden aangevangen, stak er een groote storm op. De golven stegen hemelhoog, de wind loeide, de bliksem flikkerde in de donkere wolken, en de donder bulderde. Het scheen wel, alsof de boot, die den Prins en zijn vrouw droeg, noodzakelijk moest zinken, immers de storm was het werk van Rin-Jin, den Koning der Zee, die vertoornd was over de trotsche en dwaze woorden van Prins Yamato.

Toen de bemanning de zeilen gereefd had, in de hoop het schip weer vast te leggen, werd de storm heftiger in plaats van te gaan liggen. Eindelijk stond Ototachibana op, en na haar heer vergiffenis te hebben geschonken voor al het leed, dat deze haar had aangedaan, besloot zij haar leven op te offeren, ten einde haar teer geliefden echtgenoot te redden.

Zoo sprak dan de trouwe Ototachibana: "O, Rin-Jin, de Prins, mijn echtgenoot, heeft u met zijn pochen boos gemaakt. Ik, Ototachibana, geef u mijn arm leven in de plaats van dat van Yamato Take. Ik werp mij nu in uw groot golvend rijk, maar wilt gij dan ook van uw kant mijn echtgenoot veilig naar de kust brengen."

Na die woorden te hebben gesproken, sprong Ototachibana in de kokende golven, die in een oogenblik tijds de dappere vrouw uit het gezicht sleepten. Nauwelijks had zij dit offer gebracht, of de storm ging liggen en de zon scheen aan een wolkeloozen hemel.

Yamato Take bereikte zijn bestemming, en slaagde er in, den opstand der Ainu's te onderdrukken.

Onze held had ongetwijfeld misdreven in de wijze, waarop hij zijn trouwe vrouw had behandeld. Eerst te laat leerde hij haar goedheid op prijs stellen; maar tot zijn eer zij gezegd, dat hij haar tot aan zijn dood in liefde bleef gedenken, terwijl Prinses Miyadzu geheel vergeten werd.

Het Dooden van de Slang.

Nadat aldus Yamato Take de opdracht van zijn vader had volbracht, trok hij door de provincie Owari, totdat hij kwam in de provincie Omi.

De provincie Omi leed onder een groote ramp. Velen waren in rouw, en velen weenden en schreeuwden luid in hun smart. Toen de Prins navraag deed naar de reden dier droefheid, hoorde hij, dat een groote slang dagelijks van de bergen afdaalde en de dorpen binnenkwam, om zich te voeden met een aantal ongelukkige inwoners.

Prins Yamato ging onmiddellijk op weg om den berg Ibaki te beklimmen, waar volgens de hem verstrekte mededeelingen de slang verblijf hield. Omstreeks halfweg ontmoette hij het vreeselijke monster. De Prins was zóó sterk, dat hij de slang doodde, door zijn bloote armen om haar heen te slaan. Nauwelijks had hij dit gedaan, of plotseling viel duisternis over het land en viel de regen in stroomen neder. Later echter klaarde het weder op, en was onze held in staat, den berg af te dalen.

Toen hij zijn huis bereikte, bleek het, dat zijn voeten van een vreemde pijn brandden, en bovendien, dat hij zich zeer ziek voelde. Hij kwam tot de ontdekking, dat de slang hem had gestoken, en daar hij te ziek was om zich te bewegen, werd hij naar een geneeskrachtige bron gebracht. Hier kreeg hij volkomen zijn vroegere gezondheid en kracht terug, en voor die zegeningen bracht hij dank aan Ama-terasu, de Godin der Zon.

De Avonturen van Momotaro.