Mythen & Legenden van Japan

Chapter 29

Chapter 293,955 wordsPublic domain

Sakata Kurando was officier van de lijfwacht des Keizers, en hoewel hij een dapper man was, ten zeerste bekwaam in de krijgskunst, had hij een bijzonder vriendelijk karakter; hij nu werd tijdens zijn militaire loopbaan verliefd op een schoone dame, Yaégiri genaamd. Na eenigen tijd viel Kurando in ongenade en was hij verplicht het Hof te verlaten en een reizend koopman in tabak te worden. Het gelukte Yaégiri, die zich de vlucht van haar minnaar zeer aantrok, uit haar huis te ontvluchten, en zij reisde het land heen en weer, in de hoop Kurando te ontmoeten. Eindelijk vond zij hem, maar de ongelukkige man, die ongetwijfeld zijn vernedering diep gevoelde en zeer onder den indruk was van het weinig deftige van zijn beroep, maakte aan zijn vernedering een einde door zich het ongelukkige leven te benemen.

Dieren als Makkers.

Toen Yaégiri haar minnaar had begraven, ging zij naar den Berg Ashigara, waar zij het leven schonk aan een kind, Kintaro of de Gouden Knaap genaamd. Nu had Kintaro een merkwaardig groote lichaamkracht. Toen hij nog slechts een paar jaar oud was, schonk zijn moeder hem een bijl, waarmede hij even snel en even gemakkelijk boomen velde als de meest geoefende houthakker. De Ashigara was een eenzame troostelooze plek, en daar er geen kinderen waren, met wie Kintaro kon spelen, koos hij zich de beren, herten, hazen en apen tot makkers, en in korten tijd was hij in staat hun vreemde taal te spreken.

Toen Kintaro eens op den berg zat met zijn gunstelingen om zich heen, trachtte hij zijn makkers te overreden om onderling een vriendschappelijken worstelwedstrijd te houden. Een vriendelijke oude beer was met dit voorstel ten zeerste ingenomen, en begon onmiddellijk den grond uit te graven, en de aarde op te hoopen tot een soort kleinen troonhemel. Toen dit geschied was, worstelden een haas en een aap samen, terwijl een hert er bij stond om beiden aan te moedigen en toe te zien, dat de strijd op eerlijke wijze geleverd werd. Het bleek, dat beide dieren tegen elkander waren opgewassen, en Kintaro beloonde hen beiden op tactvolle wijze met aanlokkelijke rijstkoeken.

Na op die wijze een heerlijken namiddag te hebben doorgebracht, nam Kintaro den terugtocht aan, gevolgd door zijn verknochte vrienden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier, doch nu waren de dieren nieuwsgierig, hoe zij een zoo breede strook water zouden overtrekken; maar zie, Kintara sloeg zijn krachtige armen om een boom, die aan den oever groeide, en sloeg dien zóó over de rivier, dat hij een brug vormde. Toevallig was de beroemde held Yorimitsu met zijn onderhoorigen getuige van dit bewijs van ongeloofelijke kracht; het is dus niet te verwonderen, dat hij aan Watanabé Isuna zeide: "Die knaap is iets heel bijzonders. Tracht uit te vinden waar hij woont, en zie alles omtrent hem te weten te komen."

Een beroemd Krijgsman.

Watanabé Isuna volgde na dit bevel Kintaro en trad het huis binnen, waar hij met zijn moeder woonde. "Mijn meester", zoo sprak hij "de edele Yorimitsu, draagt mij op te trachten te weten te komen, wie uw zoo bewonderenswaardige zoon eigenlijk is." Toen Yaégiri haar levensgeschiedenis had verhaald en haar bezoeker had medegedeeld, dat haar jongen de zoon was van Sakata Kurando, vertrok de dienaar van Yorimitsu en vertelde zijn meester al wat hij had gehoord.

Yorimitsu was zóózeer ingenomen met wat Watanabé Isuna hem had verteld, dat hij zelf naar Yaégiri ging en zeide: "Als gij mij uw jongen afstaat, zal ik hem in mijn dienst nemen." De vrouw stemde gaarne daarin toe, en de Gouden Knaap ging met den grooten held weg, die hem den naam gaf van Sakata Kintoki. Hij werd na verloop van tijd een beroemd krijgsman, en zijn bewonderenswaardige daden zijn nog altijd een geliefkoosd onderwerp voor verhalen. De kinderen beschouwen hem als hun geliefkoosden held, en de kleine jongens, die zoo gaarne de kracht en de dapperheid van Sakata Kintoki zouden willen evenaren, dragen zijn portret bij zich.

HOOFDSTUK XXXI. LEGENDEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Kato Sayemon.

Kato Sayemon woonde in het paleis van den Shogun Ashikaga, waar hij zijn afzonderlijke vertrekken had, en daar er in die dagen geen oorlog was, leefde hij rustig met zijn vrouw en bijwijven. Kato Sayemon was een man, die van weelde en gemak hield, en hij beschouwde huiselijken vrede als de grootste van alle aardsche zegeningen. Hij was in gemoede overtuigd, dat er onder al zijn lachende, wellevende vrouwen niets dan harmonie was, en die gedachte maakte voor hem het leven bijzonder aangenaam.

Op zekeren avond ging Kato Sayemon naar den tuin van het paleis en was verrukt over de zich voortdurend voortbewegende wolk van glimwormen en was nauwelijks minder verheugd over het liefelijke gezang van sommige visschen. "Wat een bekoorlijk tafereel", mompelde Sayemon, "en wat leven wij in een verrukkelijke wereld! Buigingen en glimlachjes en slaafsche nederigheid bij mijn vrouwen. O, het is alles wonderschoon en heerlijk! Ik wilde wel, dat het leven voortdurend zoo bleef."

Nadat hij zoo op de meest zelfvoldane wijze uiting had gegeven aan zijn gedachten, kwam hij toevallig langs het vertrek van zijn vrouw, en keek hij met een liefhebbend en welwillend oog naar binnen. Hij zag, dat zijn vrouw _go_ speelde met één van zijn bijwijven. "Wat een beleefde welvoegelijkheid," mompelde Sayemon. "Maar wacht even! Wat is dit voor een vreemde geschiedenis? De haren van mijn vrouw en die van mijn bijwijf zijn in slangen veranderd, die haar koppen in woede opheffen en dooreenstrengelen. Voortdurend lachen en buigen die vrouwen en bewegen zij haar stukken met goed gemanierde bekoorlijkheid en gratie. Vriendelijke woorden komen van haar lippen, maar de slangen van haar haren bespotten haar, immers die ineengestrengelde reptielen spreken van bittere jaloezie in haar hart."

De schoone droom van huiselijk geluk was bij Sayemon voor goed uit. "Ik zal weggaan", zoo sprak hij, "en een Buddhistisch priester worden. Ik zal de woedende kwaadaardigheid en den nijd van mijn vrouw en bijwijven achterlaten en ik zal in het onderwijs van den Gezegenden Buddha den waren vrede vinden."

Den volgenden ochtend verliet Sayemon heimelijk het paleis, en hoewel men overal naar hem zocht, kon hij niet worden gevonden. Omstreeks een week later vereenvoudigde de vrouw van Sayemon de inrichting van het huisgezin en bleef rustig wonen met haar zoontje, Ishidomaro. Twee jaren gingen voorbij, zonder dat er tijding kwam van haar echtgenoot.

Eindelijk ging de vrouw van Sayemon met het kind uit, om den verdwenen man te zoeken. Vijf jaar lang zwierven zij door het land, totdat zij ten slotte in een dorpje in Kishu kwamen, waar een oude man de vermoeide en door de reis vreeselijk uitgeputte reizigers mededeelde, dat Sayemon tegenwoordig priester was, en dat hij een jaar geleden nog altijd in den tempel van Kongobuji woonde op den Berg Koya.

Den volgenden dag, toen de vrouw en haar kind aan den tempel van Kongobuji gekomen waren, bleek het, dat geen vrouwen den tempel mochten binnentreden; daarom beklom Ishidomaro, na met zorg naar de bevelen van zijn moeder te hebben geluisterd, alleen den berg. Toen de knaap na een langen steilen tocht den tempel bereikte, zag hij een monnik en zeide; "troont hier een priester, Kato Sayemon genaamd? Ik ben zijn zoontje en mijn moeder wacht mij in gindsche vallei. Vijf jaar lang hebben wij naar hem gezocht, en de liefde, die in onze harten leeft, zal hem ons zeker doen vinden."

De priester, die niemand anders was dan Sayemon zelf, sprak zijn zoon aldus aan: "Het spijt mij, dat ik u moet zeggen, dat uw reis vergeefsch is geweest, want niemand van den naam van Kato Sayemon woont in dezen tempel."

Sayemon sprak uiterlijk kalm, maar in zijn hart was er strijd tusschen zijn godsdienst en de liefde voor zijn zoon.

Daar hij echter wist, dat hij zijn vrouw en kind goed verzorgd had achtergelaten, onderwierp hij zich aan de leerstellingen van Buddha, en onderdrukte hij zijn vaderlijk gevoel.

Ishidomaro was echter niet voldaan, want instinctmatig voelde hij, dat de man, die vóór hem stond, in werkelijkheid zijn vader was, en daarom sprak hij den priester nog eens aldus aan: "Goede priester, op mijn linker oog is een wrat, en mijn moeder heeft mij verteld, dat mijn vader op zijn linker oog een dergelijke wrat heeft, waaraan ik hem onmiddellijk kan herkennen. Gij hebt diezelfde wrat, en in mijn ziel ben ik overtuigd, dat gij mijn vader zijt." En na die woorden te hebben gesproken, weende de knaap bitter, terwijl hij verlangde naar de armen, die zich niet openden om het ongelukkige kind te liefkoozen en te vertroetelen.

Sayemons gevoelens werden weer op de proef gesteld, maar met een krachtige poging om zijn aandoening te bedwingen, zeide hij: "Het kenteeken, waarvan gij spreekt, komt zeer algemeen voor. Ik ben bepaald uw vader niet, gij zoudt verstandig doen uw tranen te drogen en hem ergens anders te zoeken." Na die woorden te hebben gesproken, liet de priester den knaap achter, ten einde een avonddienst te verrichten.

Sayemon bleef in den tempel leven. Hij had in den dienst van Buddha vrede gevonden, en wat er met zijn vrouw en kind gebeurde, liet hem koud.

Hoe een oud Man zijn gezwel verloor.

Er was eens een oud man, die een gezwel op zijn rechter wang had. Dat gezwel, dat hem zeer mismaakte, veroorzaakte hem heel wat onaangenaamheid, en hij had dan ook veel geld besteed, om er van verlost te worden. Hij nam verschillende geneesmiddelen in en gebruikte heel wat waschwatertjes, maar in plaats dat het gezwel verdween of zelfs kleiner werd, nam het in grootte toe.

Op zekeren avond laat, toen de oude man naar huis terugkeerde, met brandhout beladen, werd hij door een vreeselijke onweersbui overvallen en was hij verplicht, een schuilplaats te zoeken in een hollen boom. Toen de storm was gaan liggen en toen hij juist op het punt was, zijn reis voort te zetten, was hij verbaasd, toen hij een vroolijk gejuich in zijn onmiddellijke nabijheid hoorde. Nadat hij uit zijn schuilplaats naar buiten keek, zag hij tot zijn groote verbazing een aantal demonen dansen en zingen en drinken. Hun dansen was zóó vreemdsoortig, dat de oude man alle voorzichtigheid uit het oog verliezend, begon te lachen, en eindelijk den boom verliet, om de uitvoering des te beter te kunnen zien. Terwijl hij daar stond toe te zien, zag hij, dat een der geesten alleen stond te dansen, en bovendien, dat de aanvoerder van het gezelschap volstrekt niet ingenomen was met zijn lompe hansworsterijen. Eindelijk sprak de aanvoerder dier geesten: "Genoeg! Is er dan niemand, die beter kan dansen dan die kerel?"

Toen de oude man die woorden hoorde, scheen het alsof zijn jeugd weer terugkeerde, en daar hij in vroeger dagen een volleerd danser geweest was, bood hij zich aan, om zijn bekwaamheid te toonen. Zoo danste de oude man dan voor die vreemde verzameling van demonen, die hem met zijn uitvoering gelukwenschten, hem een kop saké aanboden, en verzochten, dat hij hun het genoegen zou doen, nog een aantal andere dansen te vertoonen.

De oude man was bijzonder verheugd over de wijze, waarop hij was ontvangen, en toen de aanvoerder der geesten hem verzocht den volgenden nacht nog eens weer voor hem te dansen, stemde hij daar bereidwillig in toe. "Dat is goed", zeide de aanvoerder, "maar gij moet een pand achterlaten. Ik zie, dat gij een gezwel op uw rechter wang hebt, en dat is een uitnemend pand. Laat mij het van u wegnemen." Zonder eenige pijn te veroorzaken, verwijderde het hoofd der troep het gezwel, en na dat buitengewone kunststuk te hebben verricht, verdwenen hij en zijn makkers plotseling.

Toen de oude man naar zijn huis terugkeerde, voelde hij telkens met zijn hand naar zijn rechter wang, en kon zich nauwelijks voorstellen, dat hij ten slotte, na jaren lang mismaakt te zijn geweest, zoo gelukkig was, van zijn lastig en onooglijk gezwel bevrijd te zijn. Eindelijk trad hij zijn nederige woning binnen, en zijn oude vrouw was niet minder gelukkig met wat er gebeurd was.

Een booze en norsche oude man woonde vlak naast dit oude paar. Jarenlang had hij een gezwel op zijn linker wang gehad, dat voor geen enkele geneeskundige behandeling had willen wijken. Toen hij van het fortuintje van zijn buurman hoorde, ging hij naar hem toe en luisterde naar diens vreemde avonturen bij de geesten. De goede oude man deelde zijn buurman mede, waar hij den hollen boom kon vinden, en raadde hem aan, zich daar vóór zonsondergang in te verbergen.

De booze oude man vond den hollen boom en ging daar binnen in. Hij was daar nauwelijks langer dan enkele minuten in verborgen geweest, toen hij met vreugde de geesten zag verschijnen. Dadelijk zeide één van het gezelschap: "Het duurt lang, eer de oude man komt. Ik was er anders van overtuigd geweest, dat hij zijn belofte zou houden."

Bij die woorden kroop de oude man uit zijn schuilplaats, bewoog zijn waaier op en neer en begon te dansen, maar, ongelukkig, kon hij volstrekt niet dansen, en zijn gekke bokkesprongen wekten dan ook de ontevredenheid der geesten ten zeerste op. "Gij danst vreeselijk slecht", zeide één van den troep, "en hoe eer gij ophoudt, hoe liever het ons zal zijn; maar voordat gij vertrekt, zullen wij u het pand teruggeven, dat gij gisteren avond bij ons hebt achtergelaten." Na die woorden te hebben gesproken, wierp de geest het gezwel naar den rechter wang van den ouden man, waar het dadelijk stevig bleef vastzitten, en niet meer kon worden verwijderd. Zoo ging de slechte oude man, die de demonen had trachten te bedriegen, weg, met een gezwel op iederen kant van zijn gelaat.

Een Japansche Gulliver. [86]

Shikaiya Wasobioye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren, maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam, daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen.

Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk ontmoette Wasobioye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel, zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het vleesch van meerminnen.

Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasobioye een tegenzin tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen, geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden, die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog, het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen, en ten slotte het Land van de Reuzen.

Nadat Wasobioye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasobioye op, droeg hem naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasobioye zijn gastheer te onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen, daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte.

De Juweelen-tranen van Samébito.

Toen Totaro eens de Lange Brug van Séta overtrok, zag hij een wezen, dat er vreemd uitzag. Het had het lichaam van een man, met een huid zwarter dan die van een neger; zijn oogen glinsterden als smaragden, en zijn baard was als die van een draak. Totaro was niet weinig verschrikt, toen hij zulk een buitengewoon monster zag; maar in zijn groene oogen lag zóóveel pathos, dat Totaro het waagde, eenige vragen tot hem te richten, waarop het vreemde wezen antwoordde:

"Ik ben Samébito" ("een Haaimensch"), "en tot voor korten tijd was ik in dienst van de Acht Groote Drakenkoningen als een ondergeschikt beambte van het Drakenpaleis. Ik werd om een kleine overtreding uit dat heerlijke verblijf weggezonden, en werd zelfs uit de zee verbannen. Van dat oogenblik af heb ik mij vreeselijk ongelukkig gevoeld, zonder een schuilplaats, en niet in staat voedsel te krijgen. Heb medelijden met mij, brave Heer! Vind een schuilplaats voor mij, en geef mij wat te eten."

Het gemoed van Totaro werd bewogen door den ootmoed van Samébito, en hij bracht hem naar een vijver in zijn tuin en gaf hem een ruimen voorraad voedsel. Op die rustige en afgezonderde plek bleef het vreemde wezen uit de zee omstreeks een halfjaar.

In den zomer van dat jaar was er een groote bedevaartstocht van vrouwen naar den tempel van Miidera, gelegen in de naburige stad Otsu. Totaro woonde het feest bij en zag daar een buitengewoon bekoorlijk meisje. "Haar gelaat was schoon en rein als sneeuw; en de liefelijkheid van haar lippen gaven den aanschouwer duidelijk te kennen, dat wat over die lippen kwam, zoo zoet zou klinken als de stem van een nachtegaal, die op een pruimenboom zingt."

Totaro ontbrandde plotseling in liefde voor het meisje. Hij ontdekte, dat zij Tamana heette, dat zij ongehuwd was, en dit zou blijven, totdat een jonge man haar als huwelijksgift een mandje met niet minder dan tienduizend juweelen zou aanbieden. Toen Totaro vernam, dat dit schoone meisje alleen kon worden gewonnen door wat hem een onmogelijk geschenk toescheen, keerde hij met een bezwaard gemoed naar huis terug. Hoe meer hij echter over de schoone Tamana nadacht, des te meer werd hij op haar verliefd. Maar helaas! niemand, minder rijk dan een prins, kon zulk een huwelijksgift bij elkander krijgen--tienduizend juweelen!

Totaro tobde zóó lang, totdat hij ziek werd, en toen een dokter hem kwam bezoeken, schudde deze het hoofd en zeide: "Ik kan niets voor u doen, want geen geneesmiddel is in staat de ziekte der liefde te genezen." En na die woorden te hebben gesproken, verliet hij hem.

Samébito ontving het bericht van de ziekte van zijn meester; zoodra hem nu dat treurige nieuws bereikte, verliet hij den vijver in den tuin en kwam de kamer van Totaro binnen.

Totaro sprak niet meer over zijn eigen ellende. Hij was vol belangstelling voor het heil van dat schepsel uit de zee.

"Wie zal u, Samébito, voedsel geven, als ik dood ben?" zoo sprak hij droevig.

Toen Samébito zag, dat zijn brave meester stervende was, slaakte hij een vreemden kreet en begon hij te weenen. Hij weende groote tranen bloed, maar zoodra deze den grond hadden aangeraakt, veranderden zij plotseling in glinsterende robijnen.

Toen Totaro die juweelen-tranen zag, schreeuwde hij het uit van vreugde, en van dat uur af keerde nieuw leven in hem terug. "Ik zal in het leven blijven! Ik zal in het leven blijven!" zoo riep hij opgewonden van vreugde, uit. "Mijn beste vriend, gij hebt mij ruimschoots het voedsel en de beschutting vergoed, die ik u heb gegeven. Uw wonderbaarlijke tranen hebben mij onbeschrijfelijk veel geluk gebracht."

Daarop hield Samébito op met weenen, en hij vroeg zijn meester, hem wel de oorzaak van zijn spoedig herstel te willen mededeelen.

Daarop vertelde Totaro den Haaimensch zijn liefdesgeschiedenis en deelde hij hem mede, welke huwelijksgift de familie van Tamana eischte. "Ik dacht," zoo voegde Totaro er aan toe, "dat ik nooit in staat zou zijn, tienduizend juweelen bijeen te krijgen, en het was die gedachte, die mij zoozeer den dood nabij heeft gebracht. Nu zijn uw tranen in juweelen veranderd, en daarmede zal het meisje mijn vrouw worden."

Totaro ging gretig voort met het tellen der juweelen. "Niet genoeg! Niet genoeg!" riep hij met ontzaglijke teleurstelling uit. "Ach, Samébito, wees zoo goed en huil nog wat langer!"

Die woorden maakten Samébito boos. "Denkt ge, dat ik als een vrouw kan huilen, zoo dikwijls als ik wil? Mijn tranen komen uit mijn hart en zijn het uiterlijke teeken van diepe en ware droefenis. Ik kan niet meer huilen, want ge zijt genezen. De tijd is thans aangebroken om te lachen en vroolijk te zijn, niet om te huilen."

"Als ik geen tienduizend juweelen heb, kan ik de schoone Tamana niet huwen," sprak Totaro. "Wat moet ik beginnen? Ach, beste vriend, huil voor mij, huil!"

Samébito was een vriendelijk schepsel. Na een korte tusschenpooze zeide hij: "Ik kan van daag geen tranen meer storten; laat ons morgen naar de lange brug van Séta gaan, en een goeden voorraad wijn en visch mede nemen. Misschien dat ik, als ik op de brug zit en naar het Drakenpaleis staar, weer zal weenen, als ik aan mijn verloren woning denk, waarheen ik zoo gaarne zou willen terugkeeren."

Den volgenden morgen gingen zij naar de brug van Séta, en nadat Samébito een groote hoeveelheid wijn had medegenomen, staarde hij in de richting van het Drakenrijk. Terwijl hij dit deed, vulden zijn oogen zich met tranen, roode tranen, die in robijnen veranderden, zoodra zij de brug aanraakten. Totaro raapte, zonder zich ernstig om de smart van zijn vriend te bekommeren, de juweelen op, en vond eindelijk, dat hij tienduizend schitterende robijnen bij elkander had.

Op datzelfde oogenblik hoorden zij den klank van liefelijke muziek, en uit het water verrees een op wolken gelijkend paleis, waarop al de kleuren der ondergaande zon schitterden. Samébito gaf een kreet van vreugde en sprong op de leuning van de brug, terwijl hij zeide: "Vaarwel mijn meester! De Drakenkoningen roepen mij"! Met die woorden sprong hij van de brug, en keerde weer naar zijn oude woning terug.

Totaro liet geen tijd voorbijgaan met het aanbieden van het mandje met tienduizend juweelen aan de ouders van Tamana, en na eenigen tijd trouwde hij met hun liefelijke dochter.

GODEN EN GODINNEN.

_Aizen-Myo-o_. De God der Liefde.

_Aji-shi-ki_. Een Shinto God, die aangezien werd voor zijn overleden vriend _Ame-waka_.

_Ama-no-ho_. De eerste der Goddelijke Boden, die gezonden werden om den weg voor de komst van _Ninigi_ voor te bereiden.

_Ama-terasu_. De Zonnegodin.

_Ame-waka_. Hemel-jonge Prins, en één der Goddelijke Boden.

_Amida_. Een Buddhistische godheid, oorspronkelijk een abstractie, het ideaal van het onbegrensde licht. De _Daibutsu_ te Kamakura vertegenwoordigt dien God.

_Anan_. Een neef van Buddha, en, evenals Bishamon, begiftigd met groote kennis en een wonderbaarlijk geheugen.

_Benten_. Eén der Zeven Goden van het Geluk.

_Bimbogami_. De God der Armoede.

_Binzuru_. Een leerling van Buddha, en door de lagere standen vereerd om zijn wonderbaarlijke macht, alle menschelijke ziekten te genezen.

_Bishamon_. De God van den Rijkdom en eveneens van den Oorlog.

_Bosatsu_. Een uitdrukking, gebezigd voor Buddhistische heiligen.

_Buddha_. Zie _Shaka_.

_Daikoku_. De God van den Rijkdom.

_Dainichi Nyorai_. Een personificatie van reinheid en wijsheid. Eén der Buddhistische Drie-eenheid.

_Daishi_. "Groote Leeraar", een uitdrukking, toegepast op een aantal Buddhistische heiligen.

_Daruma_. Een volgeling van Buddha.

_Dosojin_. De God der wegen.

_Ebisu_. Een God van Geluk en Dagelijksch Voedsel. Hij is de beschermer van eerlijken arbeid, en wordt voorgesteld als een visscher met een _tai_-visch in de hand.

_Ekibiogami_. De God van de Pest.

_Emma-O_. De Heerscher van de Hel en de Rechter van de Dooden.