Mythen & Legenden van Japan

Chapter 28

Chapter 283,983 wordsPublic domain

Op zekeren avond verdween plotseling een zekere ondergeschikte bediende, Kiuchi Heizayemon. Toen de vrienden van Kiuchi gehoord hadden, wat gebeurd was, gingen zij in alle richtingen naar hem zoeken. Na langdurige nasporingen vonden zij zijn klompen, zijn scheede en zijn zwaard; maar de scheede was gebogen als het gekromde hengsel van een theeketel. Nauwelijks hadden zij die treurige ontdekking gedaan, of zij zagen ook den gordel van Kiuchi, die in drie stukken was gesneden. Tegen middernacht hoorden zij, die aan het zoeken waren, een vreemd geschreeuw, een stem, die om hulp riep. Suzuki Shichiro, één van den troep, zag juist op, toen hij een vreemd, gevleugeld wezen zag staan op het dak van een tempel. Toen de overige deelgenooten aan den tocht zich bij hun makker hadden gevoegd, zagen zij allen op naar die vreemde figuur, waarop één zeide: "Ik geloof, dat het niets anders is dan een zonnescherm, dat zich in den wind heen en weer beweegt." "Laat ons trachten hieromtrent zekerheid te krijgen", antwoordde Suzuki Shichiro, en na dit gezegd te hebben, verhief hij zijn stem en riep hij zoo hard mogelijk: "Zijt gij de verdwenen Kiuchi?" "Ja", was het antwoord, "en ik verzoek u, dat gij mij zoo spoedig mogelijk van boven dezen tempel weghaalt".

Toen Kiuchi van het dak van den tempel naar beneden was gebracht, viel hij flauw, en bleef drie dagen lang bewusteloos. Toen hij eindelijk weer bij kennis was gekomen, gaf hij het volgende verslag van zijn vreemd avontuur.

"Den avond waarop ik verdween, hoorde ik iemand herhaaldelijk hardop mijn naam roepen, en toen ik naar buiten ging, ontdekte ik een monnik, in het zwart gekleed, die luidkeels 'Heizayemon!' riep. Naast den monnik stond een man van ontzaglijken lichaamsbouw; zijn gelaat was rood, en zijn hangende haren vielen tot op den grond. 'Klim op gindsch dak' riep hij woest. Ik weigerde een spitsboef met zulk een ongunstig uiterlijk te gehoorzamen, en trok mijn zwaard, maar in een oogenblik boog hij het lemmer om en brak hij de scheede in stukken. Daarna werd mijn gordel ruw afgetrokken en in drie stukken gesneden. Toen die zaken waren geschied, werd ik op een dak gedragen en daar hard afgeranseld. Maar nog was het einde van mijn ellende niet bereikt, want nadat ik was afgeranseld, werd ik gedwongen op een ronden bak te gaan zitten. In een oogenblik werd ik in de lucht rondgedraaid, en de bak droeg mij in razende vaart door een aantal landstreken heen. Toen het mij bleek, dat ik tien dagen lang door het luchtruim was voortgedreven, bad ik tot Buddha, en bevond mij, zooals ik dacht, op den top van een berg, maar in werkelijkheid was het niet anders dan het dak van den tempel, van waar gij, mijn makkers, mij hebt bevrijd."

Een geloof in den Tengu uit onzen tijd.

Kapitein Brinkley deelt ons in _Japan en China_ mede, dat tot zelfs nog in het jaar 1860 de ambtenaren van het Gouvernement te Yedo openlijk voor hun geloof in bovennatuurlijke wezens uitkwamen. Voordat de _Shogun_ Nikko zou bezoeken, werd op hun bevel de volgende kennisgeving aangeplakt in de nabijheid der praalgraven:

"_Aan den Tengu en overige Demonen_

"Daar onze _Shogun_ voornemens is in April van het volgende jaar de praalgraven te Nikko te bezoeken, moeten gij, _Tengu_ en andere Demonen, die op deze bergen woont, u van hier verwijderen totdat de _Shogun_ zijn bezoek heeft volbracht.

"(Geteekend) _Mizuno_, Heer van Dewa.

"Juli 1860."

De plaatselijke autoriteiten waren nog niet tevreden met een dergelijke kennisgeving. Nadat zij behoorlijk de _Tengu_ en overige demonen in kennis hadden gesteld met de komst van den Shogun, werden de juiste bergen, waar die wezens mochten verwijlen tijdens het bezoek van den vorst, bij name aangeduid.

De Bergman en de Bergvrouw.

Het lichaam der Bergvrouw is bedekt met lange witte haren. Zij wordt beschouwd als een menscheneetster (Kijo), en is als zoodanig bekend in de Japansche mythen. Zij heeft behalve haar kannibalen-neigingen, ook de eigenschap als een mot te kunnen rondvliegen en ongebaande bergen gemakkelijk door te trekken.

De Bergman gelijkt, naar beweerd wordt, op een grooten, zwartharigen aap. Hij is bijzonder sterk, en vindt er absoluut geen bezwaar in, voedsel uit de dorpen te stelen. Hij is echter steeds gereed, houthakkers te hulp te komen, en wil gaarne hout dragen in ruil voor een baal rijst. Het is vergeefsche moeite, hem te pakken of te dooden, want elken aanval, van welken aard ook, op den Bergman, brengt ongeluk, en somtijds zelfs den dood aan de aanvallers.

Sennin.

De _Sennin_ zijn bergkluizenaars, en groot is het aantal legenden, dat omtrent hen bekend is. Hoewel zij een menschelijke gedaante hebben, zijn zij toch tevens onsterfelijk, en ingewijd in de tooverkunst. De eerste groote Japansche _sennin_ was Yosho, die in het jaar 870 n.C. te Noto geboren was. Even vóór zijn geboorte droomde zijn moeder, dat zij de zon had ingeslikt, een droom, die de wonderbare macht van haar kind voorspelde. Yosho was vlijtig en vroom, en bracht het grootste gedeelte van zijn tijd door met het bestudeeren van de "Lotus van de Wet". Hij leefde hoogst eenvoudig en wist zijn dagelijksch rantsoen terug te brengen tot één gierstkorrel. Hij vertrok van de aarde in het jaar 901, na groote bovennatuurlijke macht te hebben verkregen. Zijn mantel liet hij aan den tak van een boom hangen met een rol, waarop deze woorden geschreven waren: "Ik laat mijn mantel na aan Emmei van Dogen-ji". Na verloop van tijd werd ook Emmei een _sennin_, en was hij in staat, evenals zijn meester een aantal wonderen te verrichten. Korten tijd na het verdwijnen van Yosho werd zijn vader ernstig ziek, en hij bad vurig, dat hij zijn beminden zoon terug mocht zien. Als antwoord op zijn gebeden, werd de stem van Yosho gehoord, die de "Lotus van de Wet" opzegde. Toen hij daarmede klaar was, zeide hij tot zijn diep bedroefden vader: "Indien op den 18_den_ van iedere maand bloemen worden geofferd en wierook wordt verbrand, zal mijn geest neerdalen en u begroeten, aangetrokken door den geur der bloemen en den blauwen rook van den wierook."

De Sennin en de Kunst.

Dikwijls worden de _Sennin_ in de Japansche kunst uitgebeeld: Chokoro, die zijn tooverpaard van een reusachtigen pompoen losmaakt; Gama met zijn tooverpadde; Tekkai, die zijn ziel in de ruimte wegblaast; Roko, die zich op een vliegende schildpad in evenwicht houdt; en Kumé, die van zijn wolkenwagen viel, omdat hij, in strijd met zijn heilig beroep, het beeld van een schoon meisje liefhad, dat in de rivier werd teruggekaatst.

Wonderbaarlijke Lichten.

Er zijn verschillende soorten van vuurverschijningen in Japan. Zoo vindt men de geestenvlam, het demonenlicht, de vossenvlam, den flikkerenden pilaar, de dassenvlam, de drakentoorts en de lamp van Buddha. Bovendien zegt men, dat van sommige vogels, zooals de blauwe reiger, bovennatuurlijk licht uitstraalt door de huid heen, uit den mond en uit de oogen. Er zijn ook vuurwielen, of boden uit den Hades, behalve de vlammen, die uit het kerkhof te voorschijn komen.

Een Vuurbol.

Van het begin van Maart tot het einde van Juni kan men in de provincie Settsu een vuurbol zien rusten op den top van een boom, en in dien vuurbol is een menschelijk gelaat. In oude dagen leefde er in Nikaido, een district van Settsu, een priester, Nikobo genaamd, beroemd om zijn macht, kwade geesten en allerlei soorten van kwade invloeden uit te bannen. Toen de vrouw van den plaatselijken gouverneur ziek werd, werd Nikobo verzocht haar te bezoeken en te zien, wat hij kon doen, om haar weer haar gezondheid terug te geven. Nikobo willigde dit verzoek gaarne in, en bracht verscheidene dagen door naast het bed der lijdende dame. Met grooten ijver paste hij zijn kunst van geesten uitbannen toe, en na verloop van tijd genas de vrouw van den gouverneur. Maar de vriendelijke en goedhartige Nikobo ontving geen dank voor wat hij had gedaan; integendeel: de gouverneur werd jaloersch op hem, beschuldigde hem van een lage misdaad en liet hem ter dood brengen. De ziel van Nikobo vlamde in woede op en nam den vorm aan van een wonderbaarlijken vuurbol, die bleef zweven over de woning van den moordenaar. Het vreemde licht, met het terecht woedende gelaat, dat daaruit voor den dag kwam, had de gewenschte uitwerking, daar de gouverneur door een hevige koorts werd aangetast, die hem ten slotte doodde. Ieder jaar, op den reeds genoemden tijd, brengt de geest van Nikobo een bezoek aan de plaats van zijn lijden en zijn wraak.

De worstelende Geesten.

In de provincie Omi, aan den voet der Katadaheuvels, is een meer. Tijdens de bewolkte nachten in het begin van den herfst verrijst een vuurbol aan den oever van het meer, die zich, als hij naar de heuvelen drijft, uitzet en weer inkrimpt. Als hij tot manshoogte gestegen is, vertoont hij twee lichtgevende gezichten, die zich langzaam ontwikkelen tot de lichamen van twee naakte worstelaars, die aan elkander zijn vastgehecht en die woedend strijden. De vuurbol met zijn woeste worstelaars drijft langzaam weg naar een eenzame plek in de Katada-heuvels. Hij is volkomen onschadelijk zoolang niemand er zich mede bemoeit, maar hij duldt niet, dat hij in zijn voortgang wordt gestuit. Volgens een legende in verband met dit verschijnsel zou een zekere worstelaar, die nooit een nederlaag had geleden, tegen middernacht de komst van dien vuurbol hebben afgewacht. Toen de vuurbol hem bereikte, trachtte hij dien met geweld naar beneden te halen, maar de lichtende bol vervolgde zijn weg, en sleepte den dwazen worstelaar een heel eind met zich mede.

Baku.

Bijgeloovige menschen in Japan zijn er van overtuigd, dat booze droomen het gevolg zijn van booze geesten, en het bovennatuurlijke wezen, _Baku_ genoemd, staat bekend als de Eter van Droomen. De _Baku_ is, zooals zooveel mythologische wezens, een merkwaardig mengsel van verschillende diersoorten. Hij heeft den kop van een leeuw, den romp van een paard, den staart van een koe en de pooten van een tijger. In een oud Japansch boek vindt men een aantal booze droomen vermeld, zooals twee slangen, ineengestrengeld, een vos met de stem van een man, kleeren met bloed bevlekt, een sprekenden rijstpot en nog meer andere. Als een Japansche boer uit een nare nachtmerrie wakker wordt, roept hij: "O _Baku!_ verslind mijn boozen droom." Er was een tijd, dat men afbeeldingen van den _Baku_ in de Japansche huizen ophing en diens naam op de kussens schreef. Men geloofde, dat, als de _Baku_ er toe kon gebracht worden, een naren droom op te eten, het wezen de macht had, dien in geluk te veranderen.

De witte Saké van den Shojo. [83]

De _Shojo_ is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard van zijn geliefkoosden drank.

Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning van den Fuji. [84] Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen, werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde, gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren, wenschte hij vóór zijn dood nog een kop _saké_ te drinken. Maar in de kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis, toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag, ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte _saké_ dronken uit breede platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden.

"Mijn vader is stervende," zeide de knaap, "en hij zou vóór zijn dood nog zoo gaarne een kop _saké_ willen drinken. Maar helaas! wij zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan vervullen."

"Ik zal uw flesch met deze witte _saké_ vullen," zoo sprak één der beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn vader terug.

De oude man dronk gretig de witte _saké_. "Breng mij nog wat, want dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen."

Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij hem voldoende _saké_ voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was, was Yurine weer geheel hersteld.

Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde, dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid _saké_ had gekregen, werd hij jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl hij zeide: "Laat mij de _saké_ proeven." Met ruwe hand ontrukte hij den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het drinken een vies gezicht. "Dit is geen _saké_", riep hij woedend uit: "het is vuil water," en na die woorden te hebben gesproken, begon hij den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: "Breng mij naar dat roode volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede _saké_ hebben, en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden."

Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen Koyuri hen zag, begon hij te weenen.

"Waarom huilt gij?" sprak één der beide wezens. "Uw vader heeft toch niet reeds al de _saké_ opgedronken?"

"Neen", antwoordde de knaap, "maar mij heeft een ongeluk getroffen. De man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van de _saké_, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg, terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat _saké_ voor mijn vader mede te geven."

De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan.

"Ik zou ook wel een kop _saké_ willen hebben", zeide Mamikiko. "Wilt gij mij ook wat laten nemen?"

Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar nauwelijks had hij de _saké_ geproefd, of hij werd misselijk en maakte het wezen een vreeselijk standje.

De roode man antwoordde toen: "Gij weet zeker niet, dat ik een _Shojo_ ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte _saké_, die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer leven schenkt, terwijl zij den _Shojo_ onsterfelijkheid schenkt. De vader van Koyuri is een braaf man, en de _saké_ was dus in staat haar volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is _saké_ vergif.

"_Vergif?_" kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. "Goede _Shojo_, heb medelijden met mij en red mijn leven!"

De _Shojo_ gaf hem een poeder en zeide: "Neem dit in _saké_ in, en heb berouw over uw slechtheid."

Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de _saké_ nu verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte _saké_ van den _Shojo,_ en leefden nog driehonderd jaar.

De Draak.

De Draak is ongetwijfeld het beroemdste der mythische dieren, maar hoewel hij van Chineeschen oorsprong is, is hij langzamerhand nauw verbonden met de Japansche mythologie. Het wezen leeft grootendeels in een oceaan, rivier of meer, maar het heeft ook het vermogen te vliegen, en heerscht over wolken en stormen. De Draak van China en die van Japan gelijken op elkander, met dit verschil, dat de Japansche Draak drie klauwen, en die van het hemelsche Rijk vijf klauwen heeft. Men beweert, dat de Chineesche Keizer Yao de zoon van een draak was, en zeer veel heerschers van dat rijk werden in overdrachtelijken zin "van een drakengezicht voorzien" genoemd. De Draak heeft den kop van een kameel, het gewei van een hert, de ooren van een haas, de schubben van een karper, de pooten van een tijger, en klauwen, die op die van een arend gelijken. Bovendien heeft hij bakkebaarden, een schitterenden juweel onder zijn kin, en een toestel boven op den kop, dat hem in staat stelt naar willekeur naar den Hemel op te stijgen. Dit is slechts een algemeene beschrijving en is niet toepasselijk op alle draken; sommige draken toch hebben zóó merkwaardige koppen, dat zij niet kunnen worden vergeleken met iets, dat in het dierenrijk gevonden wordt. De adem van den draak verandert in wolken, waaruit òf regen òf vuur te voorschijn komt. Hij kan zijn lichaam uitzetten of inkrimpen, en kan verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan en zich onzichtbaar maken. Zoowel in de Chineesche als in de Japansche mythologie staat het water in nauw verband met den draak, zooals wij reeds gezien hebben in de geschiedenis van Urashima, Keizerin Jingo en de avonturen van Hoori.

De Draak (_Tatsu_) is één der teekens van den Dierenriem, en de vier zeeën, die volgens de oud-Chineesche opvatting de bewoonbare aarde begrensden, werden geregeerd door vier Drakenkoningen. De Hemelsche Draak heerschte over de verblijfplaatsen der Goden, de Onstoffelijke Draak heerschte over den regen, de Aarddraak wees de rivieren haar loop aan, en de Draak der Verborgen Schatten bewaakte de edele metalen en edelgesteenten.

Een witte Draak, die in een vijver te Yamashiro verblijf hield, veranderde zich om de vijftig jaar in een vogel, _O-Goncho_ genaamd, met een stem, die geleek op het huilen van een wolf. Zoo dikwijls die vogel verscheen, bracht hij een grooten hongersnood met zich mede. Bij zekere gelegenheid bood de Gele Draak, Fuk Hi, terwijl deze aan de Gele Rivier stond, hem een rol aan met geheimzinnige letterteekens. Volgens die legende zou dit de oorsprong zijn van het Chineesche letterschrift.

HOOFDSTUK XXX. DE GEDAANTEVERWISSELING VAN ISSUNBOSHI, EN KINTARO, DE GOUDEN KNAAP.

Een Gebed tot Keizerin Jingo.

Een oud gehuwd paar ging naar het altaar der tot godheid verheven Keizerin Jingo [85], en bad, dat zij met een kind gezegend mochten worden, zelfs al was het niet grooter dan één van hun vingers. Een stem werd vernomen van achter het bamboegordijn van het altaar, en de oude lieden kregen de mededeeling, dat hun wensch zou worden verhoord.

Na verloop van tijd bracht de oude vrouw een kind ter wereld, en toen zij en haar echtgenoot ontdekten, dat dit miniatuurschepseltje niet grooter was dan een lid van hun vinger, werden zij vreeselijk boos en dachten, dat Keizerin Jingo hen zeer gemeen had behandeld, hoewel deze inderdaad hun gebed letterlijk had verhoord.

Een "Één-Duims Priester".

De kleine knaap kreeg den naam van Issunboshi ("Één-Duims Priester"), en dagelijks verwachtten zijn ouders, dat hij plotseling zou opgroeien zooals andere jongens; maar op zijn dertiende jaar was hij nog even klein als bij zijn geboorte. Langzamerhand werden zijn ouders razend, daar het hun ijdelheid kwetste, als zij hoorden, hoe de buren hun zoon Duimpje of Graankorrel noemden. Zij hadden er zóóveel verdriet van, dat zij ten slotte besloten, Issunboshi weg te zenden.

De jongen klaagde volstrekt niet. Hij verzocht zijn moeder, hem een naald, een soepkommetje en een eetstokje te geven, en met die zaken ging hij op avontuur uit.

Issunboshi wordt page.

Zijn soepkommetje diende hem als boot, die hij met zijn eetstokje voortstuurde langs de rivier. Op die wijze bereikte hij eindelijk Kyoto. Issunboshi zwierf door die stad, totdat hij een groote overdekte poort zag. Zonder de geringste aarzeling liep hij naar binnen, en na den ingang van een huis te hebben bereikt, riep hij met een zwak stemmetje: "Ik zou gaarne beleefd inlichtingen willen ontvangen."

Prins Sanjo hoorde zelf het stemmetje, en het duurde eenigen tijd, eer hij kon ontdekken, waar het geluid van daan kwam. Zoodra dit het geval was, was hij zeer verheugd met zijn ontdekking, en toen de kleine man vroeg, of hij in het huis van den Prins mocht wonen, werd zijn verzoek gaarne ingewilligd. De knaap werd spoedig ieders lieveling en werd aangesteld als page van Prinses Sanjo. In die hoedanigheid vergezelde hij zijn meesteres overal, en hoe klein hij ook was, hij wist de eer en de waardigheid van zijn positie naar waarde te schatten.

Een ontmoeting met Oni.

Eens gingen Prinses Sanjo en haar page naar den Tempel van Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, "onder wier voeten draken van de elementen en de lotussen der Reinheid geplaatst zijn." Toen zij den tempel verlieten, sprongen twee _oni_ (booze geesten) op hen af. Issunboshi nam zijn naald-zwaard uit het holle strootje, waarin het geplaatst was, en na zoo luid mogelijk de _oni_ te hebben bedreigd, zwaaide hij zijn kleine wapen voor hun leelijk gelaat heen en weer.

Één dier wezens lachte. "Wel", zoo sprak hij minachtend, "ik zou je kunnen opslokken, zooals een vischdief een forel opslokt, en wat nog meer zegt, mijn grappige kleine zaadkorrel, ik zal het werkelijk doen."

De _oni_ opende zijn mond, en Issunboshi gleed door een ontzaglijk keelgat, totdat hij eindelijk was afgezakt in de groote donkere maag van het schepsel. Issunboshi, volstrekt niet uit het veld geslagen, begon met zijn zwaard in de maag te boren. De booze geest schreeuwde het uit van de pijn en hoestte verschrikkelijk, waardoor de kleine man weer in de zonnige wereld terugkeerde.

De tweede _oni_, die den nood van zijn makker had bijgewoond, was vreeselijk boos, en trachtte ook den merkwaardigen kleinen page op te slokken, maar dat lukte hem niet. Dezen keer klom Issunboshi in één der neusgaten van het schepsel, en toen hij het einde had bereikt van wat hem een groote en donkere tunnel toescheen, begon hij door de oogen van den _oni_ heen te boren. Het schepsel liep woedend van pijn, zoo hard hij loopen kon, weg, gevolgd door zijn gillenden makker.

Wij behoeven nauwelijks te zeggen, hoe verheugd de Prinses was over de dapperheid van haar page, en het is niet te verwonderen, dat zij hem zeide, er van overtuigd te zijn, dat haar vader hem zou beloonen, zoodra hij de tijding van de vreeselijke ontmoeting zou hebben vernomen.

De Tooverhamer.

Op weg naar huis nam de Prinses toevallig een houten hamertje op. "O!" zeide zij, "dit moet één der booze _oni_ hebben laten vallen, en het is ongetwijfeld een geluk brengende hamer. Gij hebt slechts een wensch uit te spreken, en daarna met den hamer op den grond te slaan, en welken wensch gij ook uitspreekt, die wensch wordt steeds verhoord. Mijn dappere Issunboshi, zeg mij, wat gij het liefst zoudt willen, en ik zal met den hamer op den grond slaan."

Na een oogenblik nadenken zeide de kleine man: "Edele Prinses, ik zou wel zoo groot willen zijn als de andere menschen."

De Prinses sloeg met den hamer op den grond, terwijl zij den wensch van haar page luide herhaalde. In een oogenblik tijd was Issunboshi van een aardig dwergje veranderd in een knaap van dezelfde gestalte als andere jongens van zijn leeftijd.

Die wonderbaarlijke gebeurtenissen wekten de belangstelling op van den Keizer, en Issunboshi werd ontboden om vóór hem te verschijnen. De Keizer was zóó ingenomen met den knaap, dat hij hem een aantal geschenken gaf en hem een hoog staatsambt opdroeg. Na verloop van tijd werd Issunboshi een aanzienlijk edelman en huwde hij met de jongste dochter van Prins Sanjo.

Kintaro, de Gouden Knaap.