Mythen & Legenden van Japan

Chapter 27

Chapter 273,620 wordsPublic domain

Het hier genoemde onderwerp is van bijzondere beteekenis, daar het dient, ons aan te wijzen, langs welken weg een aantal mythen en legenden en meer in het bijzonder folklore, zich hebben ontwikkeld. Bijgeloof is als het ware het ruwe materiaal, waaruit tallooze vreemde godsdienstige begrippen zich tot sprookjes hebben ontwikkeld, en een onderzoek van het onderwerp zal ons doen zien, hoe de geest van den landman bepaalde bovennatuurlijke krachten tracht tegen te gaan of ze in het dagelijksch leven tot zijn voordeel tracht te doen strekken. In deze bladzijden zijn reeds een aantal vormen van bijgeloof vermeld, en in dit hoofdstuk zullen wij diegene bespreken, welke nog niet elders behandeld zijn. Het is nauwelijks noodig er op te wijzen, dat al die voorbeelden van bijgeloof, gekozen uit een rijke bron van vreemde godsdienstige opvattingen, uit den aard der zaak uiterst primitief zijn, misschien echter met uitzondering van die, welke in betrekking staan met de classieke kunst van waarzeggen, die eigen is aan de minder ontwikkelde standen van Japan.

Menschenoffers.

In voorhistorische tijden bezat de boog, naar men meende, bovennatuurlijke macht. Op wonderbaarlijke wijze zou hij op het dak in iemands huis komen, als een teeken, dat de oudste ongehuwde dochter moest worden opgeofferd. Zij werd dus levend begraven, opdat haar vleesch door de Godheid der Wilde Dieren kon worden verslonden. Later echter was de boog niet langer de boodschap van een wreede godheid, want hij verloor langzamerhand zijn afschuwelijke beteekenis, en is nu het symbool van veiligheid geworden. Tot op onzen tijd kan men hem bevestigd zien aan den nok van een dak, en wordt hij beschouwd als een geluk brengend toovermiddel.

Wij kennen nog een tweede voorbeeld van menschenoffers in de oude afstootende gewoonten, om iemand levend te begraven, in de meening, dat hierdoor de stevigheid van een brug of een kasteel wordt vergroot. In den ouden tijd, toen gedwongen arbeid aan de orde van den dag was, had men ongelukkig slechts weinig ontzag voor de heiligheid van het menschelijke leven. Zij die zonder belooning arbeidden, stonden onder toezicht van een meedoogenloos opziener, die aan zijn bevelen kracht bijzette door middel van een speer. Hij was ieder oogenblik gereed allen te dooden, die lui of in eenig opzicht weerspannig waren, en heel wat lijken werden in het metselwerk geworpen. Als een rivier moest worden afgedamd, of een vesting met grooten spoed moest worden gebouwd, was dit betreurenswaardige gebruik voortdurend in zwang.

Als een nieuwe brug gebouwd werd, waren haar nut en langdurig bestaan verzekerd, niet alleen door menschenoffers of door smart, maar somtijds ook door geluk. Het waren alleen menschen van een bijzonder gelukkige gemoedsstemming, wien werd toegestaan, over een nieuwe brug te loopen. Het verhaal is bekend, dat de Matsue-brug het eerst werd overgetrokken door twee vroolijke, oude mannen, die ieder een gezin van twaalf kinderen hadden, bij welken overtocht zij vergezeld waren van hun vrouwen, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Die vroolijke optocht had plaats onder veel vreugdebetoon en het afsteken van vuurwerk. Het denkbeeld, dat geluk bijdraagt tot den gelukkigen bouw en de stevigheid van een Japansche brug, is een aardige gedachte, maar ongelukkig is de oude brug van Matsue, die nu vervangen is door een andere, die veel minder schilderachtig is, verbonden met een zeer onaangename overlevering.

Toen Horio Yoshiharu _Daimio_ van Izumo werd, vatte hij het plan op een brug te bouwen over de onstuimige rivier bij Matsue. Hoewel er heel wat menschen aan werkzaam waren, om zijn wenschen ten uitvoer te brengen, wilde het werk niet vlotten. Tallooze groote steenen werden in het voortsnellende water geworpen met de bedoeling, daardoor een stevigen grondslag te leggen, waarop de pijlers moesten worden opgetrokken, maar een groot aantal steenen spoelden weg, en zoodra de brug een tastbaren vorm begon aan te nemen, werd hij door den bruisenden stroom vernield. Men meende, dat de geesten van den stroom vertoornd waren, en men achtte het noodig, ten einde die te verzoenen, een menschenoffer te brengen. Daarom werd een man levend begraven onder de middelsten pijler, waar het water het onstuimigst was. Toen dat geschied was, vorderde het werk voorspoedig, en gedurende driehonderd jaar bleef de brug ongeschonden. Het ongelukkige slachtoffer was Gensuke, en dit was dan ook de naam, aan den middelsten pijler gegeven. Men verhaalt, dat in nachten, waarin de maan niet schijnt, een geheimzinnig rood licht van dien pijler uitstraalt--de spookachtige uitstroomingen van den armen Gensuke.

Classieke waarzeggerij.

Een der meest populaire vormen van Japansch bijgeloof hangt samen met waarzeggerij, en de leer van Confucius heeft niet weinig bijgedragen tot haar populariteit. De _Yih-King_, of "Boek der Veranderingen", is de voornaamste bron dier kunst, en Confucius besteedde zóóveel tijd aan de studie van dit geheimzinnige werk, dat, naar men verhaalt, de lederen riemen, die gebruikt werden om de bladen bijeen te houden, tijdens zijn leven driemaal moesten worden hernieuwd. Die _Yih-King_ werd begonnen door Fu Hsi, tweeduizend jaar vóór de geboorte van Christus, en Confucius voegde daar veel nieuwe bouwstoffen aan toe. Een meer ingewikkelde wijze, om de toekomst te lezen dan door middel van een groot aantal verschillende figuren, kan men zich niet voorstellen. Een zóó ingewikkeld stelsel van waarzeggen werd uit den aard der zaak uitsluitend de wetenschap van enkele uitverkoren geleerden, maar na verloop van tijd onderging het verschillende wijzigingen. Het verloor tot op zekere hoogte zijn meest classiek uiterlijk, en een groot aantal Japansche waarzeggers traden in het land op, die voor een gering loon in de toekomst lazen, en dat wel zonder den stempel te dragen van een diepe studie in den _Yih-King_. Een betrekkelijk eenvoudige vorm van waarzeggen is die, waarbij vijftig staafjes gebruikt worden, die op een bijzondere wijze worden door elkander geschud, en de wijze, waarop ten slotte de staafjes gerangschikt liggen, geeft het antwoord op de gestelde vragen. Een aantal van de tegenwoordige waarzeggers in Japan zijn niets anders dan kwakzalvers, die gebruik maken van de lichtgeloovigheid van hen, die hun diensten inroepen, zonder dat zij goed op de hoogte zijn van de kunst, die zij uitoefenen. Maar in oude tijden stond het waarzeggen met gewijde ceremonies in verband. Het was voor den waarzegger, evenals voor den ouden wapensmid, noodzakelijk zich voor zijn taak voor te bereiden. Van hem werd geëischt, dat hij zijn lichaam met de grootste zorg reinigde, dat hij in een afgezonderd vertrek ging zitten en het ingewikkelde proces van het schudden der staafjes met eerbiedigen geest volbracht. Op een bepaald oogenblik moest hij zijn oogen sluiten, een tijdlang den adem inhouden en zijn gedachten concentreeren op het waarzeggen; de oude waarzegger toch meende, evenals de oude Shinto priester, dat hij het bovennatuurlijke te hulp riep.

Andere vormen van waarzeggerij.

Bij andere vormen van waarzeggerij, die geen deskundige verklaring vereischen, meent men, dat de toekomst kan worden geopenbaard door de barsten en lijnen van het bot van een eenigszins verbranden reebout, een methode, die veel overeenkomst heeft met de oude Engelsche gewoonte van voorspellen uit botten van dieren. Het was niet altijd gemakkelijk, een reebout te krijgen, en daar de barsten en andere teekenen van meer belang waren dan het bot zelf, gebruikte men na verloop van tijd gebrande schalen van schildpadden. Daar haarkammen meestal van dat materiaal waren vervaardigd, was een vrouw, door haar kam te laten verkolen, in staat de lijnen te lezen en zoo de trouw en andere eigenschappen van haar minnaar te leeren kennen. Meisjes waren gewoon in de toekomst te lezen, en na te gaan, wat deze voor haar in den schoot had, door laat in den avond uit te gaan en de losse opmerkingen van voorbijgangers met elkander te verbinden. Deze wijze van voorspellen is bekend onder den naam van _tsuji-ura_, maar zij is volstrekt niet uitsluitend aan Japan eigen, want zij wordt ook nog dikwijls in Europa, voornamelijk in Engeland, door bijgeloovige menschen toegepast. Een verliefd meisje trachtte te ontdekken, of haar liefde wel of niet beantwoord werd, door een stok in den grond te plaatsen, en dien met verschillende offers te omgeven, ter wijl zij lette op de gesprekken van reizigers, welke dien kant uitkwamen. [81] Een latere en meer uitgewerkte ontwikkeling van dien vorm van waarzeggen vereischte drie meisjes, en de gebruikte methode was deze: De jonge meisjes gingen naar een kruispunt van wegen, en herhaalden driemaal een smeekbede aan den God der Wegen. Als zij die Godheid hadden aangeroepen, wierpen zij rijst op den grond, immers rijst heeft de macht, kwade geesten te verdrijven. De meisjes wreven daarna haar vingers tegen de tanden van een borstel van beukenhout, omdat _tsuge_, het Japansche woord voor beukenhout, tevens "vertellen" beteekent. Na die voorbereidselen ging ieder van haar in een verschillenden stand staan, en voegden zij de opmerkingen der voorbijgangers tot één geheel samen. Somtijds werd ook een tijding omtrent de toekomst ontvangen, terwijl hij, die iets omtrent de toekomst wilde weten, onder een brug stond en luisterde naar het getrappel der voeten, en somtijds ook meende men, dat een priester die al inademend floot, het ééne of andere voorteeken kon openbaren.

Ongelukkige Jaren en Dagen.

Men meent, dat bepaalde levensperioden bijzonder ongelukkig zijn. Het vijf en twintigste, twee en veertigste en één en zestigste jaar in het leven van een man worden als ongelukkig beschouwd, terwijl de ongelukkige jaren van het leven eener vrouw het negentiende, drie en dertigste en zeven en dertigste zijn. Ten einde gedurende die perioden rampen te voorkomen, is het noodzakelijk veel tijd te besteden aan godsdienstige oefeningen. Mannen en vrouwen wordt afgeraden, een reis te ondernemen tijdens het zestiende, vijf en twintigste, vier en dertigste, drie en veertigste, twee en vijftigste en één en zestigste jaar. Als bijgeloovige vrouwen een nieuw kleedingstuk wenschen te vervaardigen, spreken zij een tooverspreuk uit en strooien zij later drie snuifjes zout op de mouw bij den schouder. Geen vrouw kon zonder nadeel haar naald gebruiken op een "apen" dag, maar veel liever moest zij daarvoor een "vogel" dag gebruiken. Indien het werk op den eerstgenoemden dag ondernomen wordt, is er gevaar voor, dat het kleed scheurt of verbrandt; maar als het gewaad op den laatstgenoemden dag wordt vervaardigd, zal het de schoonheid en duurzaamheid hebben van de veeren van een vogel.

Kinderen.

Als een tand van een kind uitvalt, wordt die onder de dakpannen weggeworpen, met den wensch, dat hij vervangen wordt door dien van een boozen geest. Somtijds wordt de tand van een kleinen jongen of een jong meisje op den grond geworpen met het verzoek, dat die vervangen wordt door dien van een rat. Kinderen zijn tegen nachtmerrie beveiligd, als het woord "hondje" op hun voorhoofd wordt geschreven; en als aan die voorzorg nog is toegevoegd een teekening van den _Baku_, Eter van Droomen, zal het zeker zijn, dat de slaap van den kleinen van rustigen aard zal zijn. Het woord "hond" op het voorhoofd van een kind geschreven, is een beveiliging tegen de betoovering door vossen en dassen.

Sommige kunstmiddeltjes, die den roep hebben kinderziekten te genezen, zijn hoogst merkwaardig. Bloed, uit een hanekam getapt, geneest een slechte spijsvertering, terwijl uitslag op het hoofd kan verdreven worden door herhaaldelijk de volgende woorden uit te spreken: "In de lange lentedagen kan het onkruid verwijderd worden, maar in den tuin moet het oogenblikkelijk uitgeroeid worden." Zelfs een Japansche zuigeling huilt van tijd tot tijd, maar als een rood zakje, dat hondenhaar bevat, aan zijn rug is vastgemaakt, zal het oogenblikkelijk ophouden te huilen en zal het klagende geween plaats maken voor glimlachjes. Blindheid is dikwijls het gevolg van pokken, maar die ramp kan vermeden worden, door zeven erwten in een put te werpen, onder het opzeggen van zeven gebeden, en daarna al het water uit den put te scheppen.

Toovermiddelen.

Een groot aantal Japansche toovermiddelen bestaan uit stukjes papier, die een opschrift dragen, dat ten doel heeft rampen af te weren. Een ander middel is een papier, beschreven met den naam van een godheid. Men geeft het den vorm van een lange strook, die door de arme lieden aan den buitenkant van hun woningen wordt bevestigd, terwijl zij, die niet tegen armoede hebben te kampen, het beschouwen als een deel van het huiselijk altaar. De afdruk van de hand van een kind, die, zooals Chamberlain schrijft, verkregen wordt door de hand eerst met inkt te bevochtigen en haar daarna op een vel papier te drukken, weert, zooals gezegd wordt, kwade invloeden af. Brokstukken van tempels, rijstkorrels, die zóó gesneden zijn, dat zij de Geluksgoden voorstellen, kleine _sutra's_, copieën van den voetafdruk, van Buddha, en een aantal ander vreemde invallen, behooren tot de veelvuldige Japansche toovermiddelen.

Het wenkende Blad.

Er is een zekere Japansche boom, _tegashiwa_ genaamd, waarvan de bladeren in vorm eenige overeenkomst hebben met een hand. In oude tijden kreeg een _samurai_, als hij verplicht was zijn huis te verlaten, onmiddellijk vóór zijn vertrek een _tai_ (baars), die werd opgediend op een blad van een _tegashiwa_-boom. Dit was zijn afscheidsmaal, en als de _samurai_ den visch had gegeten, werd het blad boven de deur gehangen, waarbij de gedachte voorzat, dat dit hem op reis zou doen behouden blijven en hem weer veilig naar huis zou doen terugkeeren. Het was niet zoozeer de vorm als wel de beweging van het _tegashiwa_-blad, die aanleiding gaf tot die aardige gedachte, want het blad scheen, als het door den wind werd bewogen, op de gewone bekoorlijke Japansche wijze te wenken.

Bimbogami.

Gewoonlijk ziet men, dat droge erwten een afdoend middel zijn om booze geesten te verdrijven, maar Bimbogami, de God der Armoede, is niet zoo gemakkelijk te overwinnen. Er is iets pathetisch in het denkbeeld, dat de armoede beschouwd moet worden als een koppige en ongewenschte knaap, want hier komen wij op het terrein der werkelijkheid. Hoewel Bimbogami geen aandacht slaat op de droge erwten, kan hij toch door andere middelen verjaagd worden.

Het houtskoolvuur in een Japansche keuken wordt tot een heerlijken gloed aangeblazen door middel van een werktuig, _hifukidake_ genaamd, een bamboebuis--een meer artistieken en eenvoudigen vorm van blaasbalg, waar de opgeblazen wangen de plaats innemen van onzen door de hand bewogen leeren zak. Spoedig reeds knapt de bamboebuis door de ontzettende hitte. Zoodra dit het geval is, wordt een koperen munt binnen in de buis geplaatst, een tooverformulier wordt uitgesproken, en daarna wordt de "blaaspijp" òf op de straat òf in een rivier geworpen. Men meent steeds, dat het wegwerpen van de onbruikbare bamboebuis het gedwongen vertrek van Bimbogami beteekent. De meesten van ons kennen wel het Doodskloppertje, dat als een horloge in onze meubels tikt. In Japan wordt het _Bimbomushi_, of "Armoede-Insect" genoemd. Zijn tikken voorspelt niet den naderenden dood, zooals in ons land het geval is, maar het is een teeken van de ongewenschte aanwezigheid van den God der Armoede in de Japansche woning.

HOOFDSTUK XXIX. BOVENNATUURLIJKE WEZENS.

De Kappa.

De _Kappa_ is een riviermonster, een harig schepsel met het lichaam van een schildpad en met schubbige beenderen. Zijn kop gelijkt eenigszins op dien van een aap, en boven op den kop is een holte, die een geheimzinnige vloeistof bevat, welke de bron moet zijn van de groote macht van het schepsel. Het grootste genot van den _Kappa_ is, menschelijke wezens uit te dagen tot een tweegevecht, en de ongelukkige man, die een zoodanige uitnoodiging krijgt, kan die niet afslaan. Hoewel de _Kappa_ woest en twistziek is, is hij niettemin uiterst beleefd. De reiziger, die zijn onverbiddelijke oproeping krijgt, maakt voor het monster een diepe buiging. De beleefde Kappa beantwoordt de buiging, en terwijl hij zijn kop buigt, stroomt de vloeistof, die hem zijn kracht verleent, uit de holte in zijn schedel, en daar hij dan zwak wordt, verdwijnen zijn oorlogszuchtige karaktertrekken onmiddellijk. Maar het is even ongelukkig den _Kappa_ te overwinnen, als door hem te worden afgeranseld, immers de tijdelijke roem der overwinning wordt spoedig gevolgd door het wegkwijnen van den ongelukkigen reiziger. De _Kappa_ heeft de neigingen van een vampier, want hij slaat de menschen in het water, als zij in de rivier of in het meer baden, en zuigt hun bloed uit. In een bepaald gedeelte van Japan heet het, dat hij ieder jaar twee slachtoffers eischt. Als hij uit het water naar boven komt, wordt zijn huid bleek, en langzamerhand verkwijnt hij, alsof hij lijdt aan een vreeselijke ziekte.

In Izuma noemen de dorpsbewoners den _Kappa_ gewoonlijk _Kawako_ ("Het kind der Rivier"). Bij Matsue is een klein gehucht gelegen, Kawachi-mura genoemd, en aan den oever der rivier is een kleine tempel, bekend onder den naam van Kawako-no-miya, dat wil zeggen de tempel van den _Kawako_ of _Kappa_, welke tempel een geschrift bevat, dat door dat riviermonster onderteekend is. Omtrent dat geschrift wort de volgende legende verhaald.

De belofte van den Kappa.

In oude tijden leefde in de rivier de Kawachi een _Kappa_, die er zijn gewoonte van maakte, een aantal dorpsbewoners te pakken en te dooden en bovendien een aantal van hun huisdieren. Op zekeren dag ging een paard de rivier in, en de _Kappa_ verrekte op de één of andere wijze zijn nek, toen hij het paard trachtte te pakken, maar in weerwil van de ondragelijke pijn wilde hij zijn slachtoffer niet loslaten. Het beangste paard sprong op den oever der rivier en holde in een naburige weide, terwijl de _Kappa_ nog steeds het verschrikte paard vasthield. De eigenaar van het paard bond, geholpen door een aantal dorpsbewoners, het Kind der Rivier stevig vast. "Laat ons dat afgrijselijke schepsel dooden," zoo spraken de boeren, "want hij heeft zeker een aantal afschuwelijke misdaden gepleegd, en wij zouden verstandig handelen, als wij ons van zulk een afschuwelijk monster verlosten." "Neen," antwoordde de eigenaar van het paard, "wij zullen hem niet dooden. Wij zullen hem laten zweren, dat hij nooit één van de bewoners of van de huisdieren van dit dorp zal dooden." Een geschrift werd dus gereedgemaakt, en den _Kappa_ werd gevraagd het door te lezen, en na dit gedaan te hebben, het met zijn naam te onderteekenen. "Ik kan niet schrijven," antwoordde de berouwvolle _Kappa_, "maar ik zal mijn hand in inkt doopen en die op het geschrift drukken." Toen het schepsel zijn merk op het stuk had gedrukt, werd hij losgelaten en werd hem toegestaan naar de rivier terug te keeren, en van dien tijd af tot heden toe is de _Kappa_ getrouw gebleven aan zijn belofte.

De Tengu.

Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van den _Tengu_, en wel in het verhaal van Yoshitsune en Benkei. [82] Men zal zich herinneren, dat in die legende Yoshitsune, één der grootste krijgslieden van het Oude Japan, de krijgskunst leerde van den Koning der _Tengu_. Chamberlain beschrijft de _Tengu_ als "een soort van aardgeesten, die rondwaren over de bergen en in de bosschen, en die een aantal guitenstreken uithalen. Zij hebben eenige verwantschap met vogels; want zij hebben vleugels en een snavel, en somtijds klauwen. Maar dikwijls wordt de snavel een breede en ontzaglijk lange menschelijke neus, en het geheele schepsel wordt als menschelijk voorgesteld, daar er niets vogelachtigs overblijft dan de waaier van veeren, waarmede het dier zich verkoelt. Dikwijls is het in bladeren gehuld, en draagt het een kleine muts op zijn kop. In één woord, de _Tengu_ zijn goden van minderen rang, en zijn volleerd in de schermkunst en in het gebruik van wapenen in het algemeen. De teekens, waarmede de naam wordt geschreven, beteekenen 'hemelsche hond', doch deze naam leidt op een dwaalspoor, daar het schepsel geen gelijkenis heeft met een hond, en zooals wij reeds beschreven hebben, voor een deel er uitziet als een mensch, voor een deel als een vogel." Er zijn nog andere overleveringen omtrent het woord _Tengu_, die van geheel anderen aard zijn; men verhaalt immers, dat Keizer Jomei dien naam gaf aan een meteoor, "die het luchtruim doorkliefde van oost naar west, onder een krachtige ontploffing." Bovendien is er een nog oudere lezing, volgens welke de _Tengu_ uitgevloeid waren uit Susa-no-o, den Ontstuimigen Jongeling, en ook nog, dat er vrouwelijke booze geesten waren met koppen van dieren en groote ooren en neuzen van een zóó ontzaglijke lengte, dat zij daarop menschen konden voortdragen en met dien last duizenden mijlen zonder vermoeienis konden voortvliegen, terwijl bovendien hun tanden zóó sterk en zóó scherp waren, dat die vrouwelijke demonen zwaarden en speren konden doorbijten. Nog steeds gelooft men, dat de _Tengu_ bepaalde bosschen bewoont, en de schuilplaatsen van hooge bergen. In het algemeen gesproken is de _Tengu_ geen kwaadaardig wezen, want hij heeft een sterk gevoel voor humor en is er dol op, iemand goedmoedig in het ootje te nemen. Somtijds echter verstopt de _Tengu_ menschelijke wezens op geheimzinnige wijze, en als zij eindelijk naar huis terugkeeren, zijn zij volslagen krankzinnig geworden. Dit vreemde verschijnsel is bekend onder den naam van _Tengu-kakushi_, of door een _Tengu_ verstopt.

Tobikawa bootst een Tengu na.

Tobikawa, die in zijn jonge jaren een worstelaar geweest was en in Matsue woonde, bracht zijn tijd door met het jagen en dooden van vossen. Hij hechtte geen geloof aan de verschillende bijgeloovige opvattingen omtrent het dier, en algemeen was men van meening, dat zijn groote kracht hem beveiligde tegen de toovenarij van vossen. Er waren echter onder de bewoners van Matsue enkelen, die voorspelden, dat Tobikawa tot een ontijdig einde zou komen ten gevolge van zijn vermetele daden en zijn ongeloof in bovennatuurlijke krachten. Tobikawa hield er bijzonder van, de menschen voor den gek te houden; hij had zelfs eens de brutaliteit de gedaante van een _Tengu_ in hoofdzaken na te bootsen, zooals de veeren, den langen neus, de klauwen enz. Nadat hij zich zoo had vermomd, klom hij in een boom, die in een heilig boschje stond. Dadelijk zagen de boeren hem, en daar zij dachten, dat het wezen, dat zij zagen, een _Tengu_ was, begonnen zij hem te aanbidden, en heel wat offeranden rondom den boom te plaatsen. Doch helaas! de treurige voorspelling werd vervuld, want terwijl de vroolijke Tobikawa de acrobatische kluchten van een _Tengu_ nadeed, gleed hij van een tak af en werd hij gedood.

De Avonturen van Kiuchi Heizayemon.

Wij hebben reeds gesproken van den _Tengu-kakushi_, en de volgende legende geeft een goed geteekende beschrijving van die bovennatuurlijke gebeurtenis.