Chapter 26
Toen Japan er in geslaagd was Korea te overtuigen, dat alleen Japan haar trouwe gids kon zijn, kwam Rusland als een dief in den nacht en plaatste een militaire voorpost te Wiju. Daaruit kwam de Russisch-Japansche oorlog voort, en Korea werd een Japansche kolonie, een proefveld voor sociale en politieke hervormingen. Japan had langen tijd op Korea gewacht. Moge het tenslotte blijken, niet een woelig en oproerig land, maar inderdaad het Land van de Ochtendkalmte te zijn. Korea heeft in het verleden meegewerkt aan de grootheid van Japan, door het in aanraking te brengen met den godsdienst, de kunst en de letterkunde van China. Het is nu de beurt van Japan, een verarmd land te helpen, en als de Ochtendkalmte verbonden is met de Rijzende Zon, moet er vrede en voorspoed in het nieuwe grondgebied van Japan heerschen.
Longford schrijft in _De Geschiedenis van Korea_ met betrekking tot den inval van Keizerin Jingo: "Dr Aston.... zet met minachting het geheele verhaal als een mythe op zijde, en zegt, dat het berust op twee geheel verschillende geschiedkundige feiten--dat er ten tijde van den beweerden inval een Keizerin van Japan was, een vrouw met een krachtigen wil en met groote bekwaamheid, en dat er niet één, maar verschillende Japansche invallen in Korea plaats grepen, hoewel in latere tijdperken, toen de Japanners niet meer steeds zoo voortreffelijk slaagden, als zij beweren, dat bij die Keizerin het geval was." Wij geven hier de schilderachtige legende van Japans eersten inval in Korea.
De getijde-juweelen.
In zekeren nacht had Keizerin Jingo, toen zij in haar tent lag te slapen, een vreemden droom. Zij droomde, dat een geest haar naderde en haar vertelde van een wonderbaarlijk land, een land in het westen, dat rijk was aan schatten van goud en zilver, een oogverblindend land, schoon te aanschouwen, als een prachtige vrouw. De geest vertelde haar, dat de naam van dat land Chosen (Korea) was, en dat het aan Japan zou kunnen toebehooren, als dit wilde optrekken en dat rijke land wilde veroveren.
Den volgenden dag stelde Keizerin Jingo haar echtgenoot op de hoogte van haar droom; maar de Keizer, een onverstandig man, en laag bij den grond, geloofde niet in droomen. Daar zijn vrouw hem echter bleef voortdrijven in de richting van dat in zijn oog dwaze plan, beklom hij een hoogen berg, en ziende in de richting der ondergaande zon, zag hij in het westen geen land. Toen de Keizer van den berg was neergedaald, deelde hij zijn vrouw mede, dat hij in geen geval zijn toestemming wilde geven, om een inval te doen in een land en dat te trachten te veroveren, waarvan het bestaan alleen zou moeten blijken uit een verwarden droom. Maar de Goden waren vertoornd op den Keizer, en spoedig nadat hij zijn toestemming had geweigerd, sneuvelde hij in een veldslag.
Het Geschenk van Drakenkoning.
Toen de Keizerin Jingo alleenheerscheres werd, besloot zij het land op te zoeken, waarvan zij in haar droom had gehoord; maar daar zij besloten was haar krijgstocht niet tot een onbeduidende en tamme zaak te maken, deed zij een beroep op den Berggeest, om haar hout en ijzer voor haar schepen te leveren. De Geest der Velden schonk haar rijst en granen voor haar leger, terwijl de Geest van het Gras haar hennep voor touwen schonk. De God van den Wind was haar plan welgezind, en beloofde, haar schepen naar Korea te blazen. Al de geesten kwamen voor den dag in overeenstemming met de wenschen van Keizerin Jingo, behalve Isora, de Geest van het Zeestrand.
Isora was een luie knaap, en toen hij eindelijk boven de golven der zee voor den dag kwam, deed hij dit zonder een rijke toerusting, want hij was bedekt met slijk en schelpen, en zeegras bedekte zijn onoogelijke persoonlijkheid. Toen de Keizerin hem zag, beval zij hem, naar den Drakenkoning te gaan en hem te vragen, haar de Getijde-Juweelen te schenken.
Isora gehoorzaamde, dook in het water neer, en stond dadelijk voor den Drakenkoning, wien hij zijn verzoek deed. De Drakenkoning nam de Getijde-Juweelen uit een mand, plaatste die op een groote schelp, en beval Isora, dadelijk met dit kostbare geschenk naar Keizerin Jingo terug te keeren.
Isora sprong uit het paleis van zijn meester naar de oppervlakte der zee, en Keizerin Jingo plaatste de Getijde-Juweelen in haar gordel.
De Tocht.
Toen nu de Keizerin den Juweel van het Rijzende Water en dien van het Vallende Water had gekregen, liet zij drieduizend schepen bouwen en van stapel loopen, en aanvaardde zij in de tiende maand haar grooten tocht. Haar vloot was nog niet ver van de kust, toen een hevige storm opstak, zoodat de schepen tegen elkander botsten en naar alle waarschijnlijkheid op den bodem der zee zouden zinken. De Drakenkoning beval echter groote zeemonsters, ter hulp te snellen; sommigen tilden de schepen op hun groote ruggen, anderen stutten hun koppen tegen de achterstevens van een aantal schepen, of duwden ze zoo door een bewogen zee voort, die de schepen bijna zou hebben teruggedreven naar de plaats van vertrek. Machtige drakenvisschen verleenden daarbij hun hulp, door van achteren te duwen en te blazen, door de scheepskabels in hun bek te houden en zoo de schepen met verbazende snelheid voort te sleepen. Zoodra de storm bedaard was, verdwenen de zeemonsters en de drakenvisschen.
Het wegwerpen der Getijde-Juweelen.
Eindelijk zagen Keizerin Jingo en haar leger de verwijderde bergen van Korea boven den horizon verrijzen. Toen zij de kust naderden, bemerkten zij, dat het geheele Koreaansche leger op het strand stond met hun schepen, gereed om van stapel te loopen op het eerste bevel. Zoodra de Koreaansche schildwachten de Japansche vloot zagen, gaven zij bevel aan boord te gaan, en onmiddellijk schoot een groote menigte oorlogsschepen over het water.
De Keizerin zag dit alles met ongestoorde kalmte aan. Zij wist, dat de overwinning of de nederlaag van haar leger geheel in haar macht lag. Toen de Koreaansche schepen haar vloot naderden, wierp zij den juweel van het Vallende Water in zee. Zoodra deze het water had aangeraakt, liep het water van onder de kielen der Koreaansche schepen weg, zoodat zij op droog land strandden. De Koreanen, die aan geen toovenarij dachten en die meenden, dat hun toestand het gevolg was van de eb, en bovendien, dat de Japansche schepen moesten te gronde gaan, sprongen van hun schepen en vlogen over het zand. Doch nu spanden de Japansche boogschutters hun bogen, en een dichte wolk van pijlen vloog door de lucht, en doodde honderden vijanden. Toen de Koreanen in de onmiddellijke nabijheid van de Japansche schepen gekomen waren, wierp de Keizerin den Juweel van het Rijzende Water in het water. Onmiddellijk kwam een groote golf aanrollen, en verwoestte bijna het geheele Koreaansche leger. Het was nu voor de Japanners gemakkelijk, te landen en het land te veroveren. De koning van Korea gaf zich over, en de keizerin keerde naar haar eigen land terug, beladen met zijde en juweelen, boeken en schilderijen, tijgervellen en kostbare gewaden. Toen de Getijde-Juweelen door de Keizerin waren weggeworpen, bleven zij niet lang op den bodem van den oceaan liggen. Isora nam ze haastig op en bracht ze terug naar den Drakenkoning.
Prins Ojin.
Kort na den terugkeer van Keizerin Jingo, schonk zij het leven aan een zoon, Ojin genaamd. Toen Ojin was opgegroeid tot een schoonen en verstandigen jongen, deed zijn moeder hem het verhaal van de wonderbaarlijke Getijde-Juweelen, en drukte den wensch uit, dat ook hij ze in zijn bezit zou krijgen, opdat hij eer en roem aan Japan zou brengen.
Op zekeren dag nam de Eerste Minister, van wien verhaald werd, dat hij driehonderd zestig jaar oud was en de raadgever van niet minder dan vijf Mikado's was geweest, Ojin met zich mede in een keizerlijk oorlogsschip. Het schip gleed over de zee met zijn goudzijden zeilen. De Eerste Minister riep met luider stem den Drakenkoning toe, den jeugdigen Ojin de Getijde-Juweelen te geven.
Onmiddellijk begonnen de golven rondom het schip vreeselijk te schuimen, en onder donderend geweld verscheen de Drakenkoning zelf, met een levend schepsel van een vervaarlijk uiterlijk, tot helm. Daarna verrees uit het water een ontzaglijke schelp, waarin de Getijde-Juweelen in de diepte glinsterden. Na die juweelen te nebben aangeboden onder het houden van een korte toespraak, keerde hij weer naar zijn machtig groen koninkrijk terug.
Het Dooden van de Zeeslang. [80]
Oribe Shima had den grooten vorst Hojo Takatoki beleedigd en was ten gevolge daarvan naar Kamishina, één der Oki-eilanden verbannen, en gedwongen zijn schoone dochter Tokoyo te verlaten, die hij innig lief had.
Eindelijk kon Tokoyo de scheiding niet langer uithouden, en besloot zij haar vader op te zoeken. Daarom ondernam zij een groote reis, en toen zij te Akasaki, in de provincie Hoki, was gekomen, van welke kustplaats de Oki-eilanden bij helder weder zichtbaar waren, smeekte zij verschillende visschers, haar naar haar bestemming te roeien. Maar de visschers lachten haar uit, en raadden haar aan, haar dwaas plan op te geven en naar huis terug te keeren. Het meisje wilde echter niet naar hun raad luisteren, en tegen het invallen van den nacht besteeg zij het kleinste vaartuig, dat zij kon vinden, en door middel van een gunstigen wind en voortdurend roeien, kwam het dappere meisje eindelijk in één der rotsachtige inhammen der Oki-eilanden.
Dien nacht sliep Tokoyo vast, en des morgens nam zij voedsel tot zich. Toen zij haar maaltijd had geëindigd, vroeg zij een visscher, waar zij haar vader kon vinden. "Ik heb nooit van Oribe Shima hooren spreken", antwoordde de visscher, "en als hij verbannen is, raad ik u aan, u van verder onderzoek te onthouden, daar het anders wel uw beider dood ten gevolge zou kunnen hebben."
Dien nacht sliep de treurige Tokoyo aan den voet van een altaar, aan Buddha gewijd. Haar slaap werd spoedig verstoord door handgeklap, en toen zij opkeek, zag zij een weenend meisje gekleed in een wit gewaad, terwijl een priester naast haar stond. Op het oogenblik waarop de priester het meisje over de rotsen in de bulderende zee wilde werpen, sprong Tokoyo op en hield het meisje bij den arm.
De priester vertelde, dat in dien nacht, den dertienden Juni, de Slangengod, bekend onder den naam van Yofuné-Nushi, een jong meisje als offer opeischte, en dat, als dit jaarlijksche offer niet werd gebracht, de God vertoornd werd en vreeselijke stormen veroorzaakte.
"Goede Heer," zoo sprak Tokoyo, "ik ben blijde, dat ik de gelegenheid heb gehad het leven van het arme meisje te redden. Gaarne bied ik mij zelf in haar plaats aan, want ik ben droevig van gemoed, omdat ik niet in staat ben geweest mijn vader te vinden. Geef hem dezen brief, want mijn laatste woorden van liefde en afscheid zijn aan hem gewijd."
Na aldus te hebben gesproken, nam Tokoyo het witte gewaad van het meisje, en hulde zich daarin, en nadat zij gebeden had tot het beeld van Buddha, plaatste zij een kleinen dolk tusschen de tanden en wierp zij zich in de stormachtige zee. Zij zonk neer in het door de maan verlichte water, totdat zij kwam in een groot hol, waar zij een standbeeld zag van Hojo Takatoki, die haar armen vader in ballingschap had gezonden. Zij was op het punt het beeld op haar rug te binden, toen een groote witte slang uit het hol kroop, met nijdig glinsterende oogen. Tokoyo, die begreep, dat dit schepsel niemand anders was dan Yofuné-Nushi, trok haar dolk en stak dien in het rechter oog van den God. Die onverwachte aanval was oorzaak, dat de slang zich in het hol terugtrok, maar de dappere Tokoyo ging de slang achterna en bracht haar een tweeden steek toe, en wel nu in het hart van het dier. Een oogenblik strompelde Yofuné-Nushi blindelings voort, maar onmiddellijk daarna viel het dier met een kreet van pijn dood op den bodem van het hol neer.
Tijdens dit avontuur stonden de priester en het meisje op de rotsen, en keken naar de plek, waar Tokoyo verdwenen was, terwijl zij innig baden voor den vrede van haar droevige ziel. Toen zij daar stonden te bidden, zagen zij Tokoyo aan de oppervlakte van het water komen, terwijl zij een beeld droeg en een ontzaglijk monster, dat op een visch geleek. De priester kwam haastig het meisje te hulp, trok haar op het strand, plaatste het beeld op een hooge rots en maakte zich meester van het lichaam van de Witte Zeeslang.
Na verloop van tijd werd die merkwaardige geschiedenis ter kennis gebracht van Tameyoshi, den bestuurder van dit eiland, die op zijn beurt het vreemde avontuur aan Hojo Takatoki mededeelde. Takatoki echter had geruimen tijd geleden aan een ziekte, die de bekwaamheid der geleerdste geneesheeren had getart; het bleek nu, dat hij zijn gezondheid terugkreeg juist op het oogenblik, waarop zijn beeld, dat door den één of anderen balling was vervloekt geworden en in zee geworpen, weer te voorschijn was gekomen. Toen Hojo Takatoki vernam, dat het dappere meisje de dochter was van den verbannen Oribe Shima, zond hij hem met den grootsten spoed naar zijn eigen woonplaats terug, waar hij nog langen tijd met zijn dochter in vrede en voorspoed leefde.
De Geest van het Zwaard.
In zekeren nacht ging een jonk voor anker liggen bij Kaap Fudo, en nadat verschillende voorbereidselen gemaakt waren, vielen zoowel de kapitein, Tarada genaamd, als de bemanning op dek in slaap. Tegen het uur van middernacht werd Tarada gewekt door een vreemd stommelend geluid, dat van den bodem der zee scheen voort te komen. Toen hij toevallig keek in de richting van den boeg van het schip, zag hij een mooi meisje, gekleed in het wit, terwijl van haar een glinsterend licht uitstraalde.
Toen Tarada zijn bemanning had gewekt, naderde hij het meisje, dat zeide: "Mijn eenige wensch is weer naar de aarde terug te keeren." Na die woorden te hebben gesproken, verdween zij tusschen de golven.
Den volgenden dag ging Tarada aan land, en vroeg aan verscheidene personen, die in Amakura woonden, of zij wel eens gehoord hadden van een prachtig meisje, als het ware badend in een phosphoresceerend licht. Één der dorpsbewoners antwoordde het volgende: "Wij hebben het meisje, dat gij beschrijft, nooit gezien, maar eenigen tijd geleden werden wij verontrust door stommelende geluiden, die afkomstig schenen te zijn van Kaap Fudo, en van dat oogenblik af hebben die geheimzinnige geluiden veroorzaakt, dat geen visch onze baai is binnengekomen. Het is mogelijk, dat het meisje, dat gij gezien hebt, de geest van het ééne of andere arme meisje is geweest, dat in zee is verdronken, en dat het geluid, dat wij hoorden, niets anders is dan de toorn van den Zeegod over het feit, dat een lijk of menschelijke beenderen het water verontreinigen".
Daarop werd besloten, dat de stomme Sankichi in zee zou duiken, en elk lijk, dat hij daar zou vinden, naar boven zou brengen. Daarop ging Sankichi aan boord van de jonk van Tarada, en na van zijn vrienden afscheid te hebben genomen, dook hij in het water onder. Hij zocht nauwlettend, maar kon geen spoor van een lijk of van menschelijke beenderen ontdekken. Eindelijk echter ontdekte hij iets, dat geleek op een zwaard, in zijde gewikkeld, en toen hij het omhulsel losmaakte, vond hij, dat het inderdaad een zwaard was, schitterend helder en zonder een enkele vlek of eenig gebrek. Sankichi kwam naar de oppervlakte terug en werd dadelijk aan boord opgenomen. De arme man werd voorzichtig op het dek gelegd, maar hij viel van uitputting flauw. Zijn koud lichaam werd haastig gewreven en vuren werden aangestoken. Na zeer korten tijd kwam Sankichi weer bij kennis, en kon hij het zwaard laten zien, en bijzonderheden omtrent zijn avonturen mededeelen.
Een ambtenaar, Naruse Tsushimanokami genaamd, was van meening, dat het zwaard een heilige schat was, en op zijn aanbeveling werd het geplaatst in een tempel, en aan Fudo gewijd. Sankichi bewaakte het kostbare wapen met de grootste trouw, en Kaap Fudo werd bekend onder den naam van de Kaap van het Zwaard der Vrouw. Tot vreugde der visschersbevolking, kwamen de visschen, nu de geest van het wapen was tevreden gesteld, weer in de baai terug.
De Liefde van O Cho San.
"'t Is vandaag de tiende Juni. Vall' in stroomen neer de regen! Want ik zou mijn teer beminde O Cho San zoo gaarne ontmoeten."
Naar _R. Gordon Smith_.
Op het afgezonderde eiland Hatsushima, dat beroemd is om zijn _suisenn_ (narcissen), leefde eens een prachtig schoon meisje, Cho genaamd, en al de jongelieden van het eiland verlangden vurig, met haar te huwen. Op zekeren dag ging de schoone Shinsaku, die vrijmoediger was dan de overige jongelieden, naar Gisuke, den broeder van Cho, en zeide hem, dat hij zoo vurig verlangde, diens schoone zuster te huwen. Gisuke maakte geen tegenwerpingen, en nadat de vrijer vertrokken was, liet hij Cho bij zich komen en zeide: "Shinsaku wenscht uw echtgenoot te worden. Ik houd van den visscher en ben van meening, dat ge, als gij met hem trouwt, een goed huwelijk zult doen. Ge zijt nu achttien jaar oud, en het is dus hoog tijd dat ge trouwt."
O Cho San kon zich volkomen vereenigen met de meening van haar broeder, en afgesproken werd, dat het huwelijk drie dagen later zou worden voltrokken. Ongelukkig waren die dagen juist dagen van tweedracht op het eiland, immers toen de overige vrijers onder de visschers het nieuws hoorden, begonnen zij den vroeger zoo populairen Shinsaku te haten, en bovendien verwaarloosden zij hun werk door hun voortdurende onderlinge gevechten. Die betreurenswaardige tooneelen wierpen een zóó donkere schaduw op het eertijds zoo gelukkige eiland Hatsushima, dat O Cho San en haar minnaar besloten, dat zij ter wille van den algemeenen vrede liever niet zouden trouwen.
Dit edele offer had echter niet de gewenschte uitwerking, immers de dertig minnaars bleven elkander nog bevechten en verwaarloosden nog altijd hun beroep. O Cho San besloot toen, een nog grooter offer te brengen. Zij schreef teedere afscheidsbrieven aan haar broeder en aan Shinsaku, en na dien bij den slapenden Gisuke te hebben achtergelaten, sloop zij stil het huis uit in een stormachtigen nacht op den 10_den_ Juni. Zij deed groote steenen in haar schoone mouwen, en wierp zich toen in zee.
Den volgenden dag lazen Gisuke en Shinsaku de brieven, die zij van O Cho San hadden ontvangen, en door smart overweldigd, zochten zij het strand af, waar zij de strooien sandalen van Cho vonden. De beide mannen waren toen overtuigd, dat het schoone meisje zich werkelijk van het leven had beroofd, en korten tijd daarna werd haar lichaam uit de zee aangespoeld, waarna het begraven werd. Op haar graf plaatste Shinsaku veel bloemen, terwijl hij voortdurend weende.
Op zekeren avond besloot Shinsaku, die niet in staat was langer zijn smart te dragen, zich van het leven te berooven in de meening, dat hij dan den geest van O Cho San zou ontmoeten. Terwijl hij een tijd lang toefde bij het graf van het meisje, meende hij haar witten geest te zien, en terwijl hij herhaaldelijk haar naam fluisterde, rende hij naar haar toe. Op dit oogenblik kwam Gisuke, door het leven wakker geschrikt het huis uit, en vond hij Shinsaku, die zich vastklemde aan het graf van zijn geliefde.
Toen Shinsaku zijn vriend verhaald had, dat hij den geest van O Cho San had gezien, en van plan was zich van het leven te berooven, ten einde voor eeuwig met haar vereenigd te zijn, antwoordde Gisuke aldus: "Shinsaku, uw liefde voor mijn arme zuster is groot, maar gij kunt haar het best beminnen, door haar in deze wereld te dienen. Als de groote Goden u roepen, zult gij haar ontmoeten, maar wacht met vertrouwen en moed dat oogenblik af, want alleen een dapper en tevens liefhebbend hart is O Cho San waardig. Laat ons samen een tempel bouwen en dien aan mijn zuster wijden, en houd uw liefde krachtig en rein, door nooit met iemand anders te huwen."
De dertig vrijers, die zoo weinig mannelijk gevoel hadden getoond, kwamen nu tot het volle bewustzijn van de smart, die zij hadden veroorzaakt, en om hun berouw te toonen, hielpen zij mede aan den bouw van den tempel voor het ongelukkige meisje, waar nog tot heden ten dage den 10_den_ Juni een plechtigheid plaats heeft, waarbij de geest van O Cho San in den regen verschijnt.
De Geest van den Grooten Awabi.
Den ochtend nadat een groote aardbeving het visschersdorp Nanao had geteisterd, bleek het, dat op een afstand van enkele mijlen van de kust een rots was te voorschijn gekomen als het resultaat van de beroering in de aardkorst, en dat bovendien de zee vreeselijk modderachtig was geworden. In zekeren nacht voeren een aantal visschers langs de rots, toen zij vlak bij zich een hoogst merkwaardig licht zagen, dat scheen naar boven te komen van den bodem der zee, met een glans, die de helderheid der zon evenaarde. De visschers haalden de roeiriemen binnen en staarden met ontzaglijke verbazing op het wonderbare schouwspel, maar toen het licht plotseling vergezeld werd van een dof gerommel, werden de zeelieden beangst voor een nieuwe aardbeving en keerden zij met grooten spoed naar Nanao terug.
Den derden dag daarna namen de prachtige stralen uit de diepte in helderheid toe, zoodat zij, die op het strand van Nanao stonden, ze duidelijk konden zien, en de bijgeloovige visschers werden al meer en meer bevreesd. Alleen Kansuke en zijn zoon Matakichi waren moedig genoeg, om uit visschen te gaan. Op den terugweg bereikten zij het Rotseiland, en trokken hun vischnet in, toen Kansuki zijn evenwicht verloor en in zee viel.
Hoewel de oude Kansuke een goed zwemmer was, zakte hij als een steen en kwam hij niet meer aan de oppervlakte. Matakichi, die dit vreemd vond, dook in het water, bijna verblind door de geheimzinnige stralen, die wij reeds beschreven hebben. Toen hij eindelijk den bodem bereikte, ontdekte hij tallooze _awabi_ (parelschelpen), en in het midden der groep één van zeer groote afmeting. Van al die schelpen straalde een schitterend licht uit, en hoewel het onder water even helder was als in het volle daglicht, kon Matakichi geen spoor van zijn vader vinden. Eindelijk was hij gedwongen weer naar de oppervlakte op te stijgen, doch ontdekte toen, dat de ruwe zee zijn boot had gebroken. Ten slotte echter bereikte hij, zich voortwerkend op een stuk wrakhout, met behulp van een gunstigen wind en een gunstige strooming, de kust van Nanao, en deed hij de dorpsbewoners een verslag van zijn merkwaardige avonturen en van het verlies van zijn ouden vader.
Matakichi, die diep bedroefd was over den dood van zijn vader, ging naar den ouden dorpspriester en verzocht dien waardigen geestelijke, dat hij hem als één van zijn leerlingen zou aannemen, opdat hij met des te beter resultaat voor den geest van zijn vader zou kunnen bidden. De priester stemde daarin gaarne toe, en ongeveer drie weken later stevenden zij naar het Rotseiland, waar beiden vurig baden voor de ziel van Kansuke.
Dien nacht werd de oude priester met een schok wakker en zag hij een ouden man naast zijn bed zitten. Met een diepe buiging sprak de vreemdeling aldus: "Ik ben de geest van den Grooten Awabi, en ik ben meer dan duizend jaar oud. Ik woon in de zee naast het Rotseiland, en van morgen hoorde ik u bidden voor de ziel van Kansuke. Helaas! goede priester, uw gebeden hebben een diepen indruk op mij gemaakt, maar met schaamte en smart beken ik, dat ik Kansuke heb verslonden. Ik heb mijn volgelingen bevolen ergens anders heen te trekken, en ten einde te boeten voor mijn misdaad, zal ik mij van mijn ellendig leven berooven, opdat de parel, die binnen in mij zit, aan Matakichi kan worden gegeven." Na die woorden te hebben gesproken, verdween de geest van den Grooten Awabi plotseling.
Toen Matakichi den volgenden morgen ontwaakte en de blinden opende, ontdekte hij den ontzaglijken _awabi_, dien hij bij het Rotseiland had gezien. Hij nam dien mede naar den ouden priester, die, na het verhaal van zijn leerling te hebben aangehoord, een verslag gaf van zijn eigen ondervindingen. De groote parel en de schelp van den _awabi_ werden in den tempel geplaatst, en het lichaam werd eerbiedig begraven.
HOOFDSTUK XXVIII. BIJGELOOF.
Japansch Bijgeloof.