Mythen & Legenden van Japan

Chapter 25

Chapter 253,865 wordsPublic domain

"Ik sta bij het graf, waar nu rust Van Unai de lieflijke maagd, Die een aantal jaloersche minnaars Bij haar leven zoozeer had behaagd.

"Dat graf moet tot 't laatst van de jaren Verkonden het lot van de maagd, Die zelfs nog na eeuwen en eeuwen Toekomstige mannen behaagt.

"En stapelt op den straatweg Men steenen tot bergen zoo hoog, Die zoolang als de wolken drijven, Daar blijven voor ons oog.

"Als een pelgrim dit pad mocht betreden, Laat hem dan naar die steenblokken zien, En bij 't graf van de maagd droevig weenen; De bewoners van 't dorp bovendien

"Nooit stillen hun bittere tranen Maar scharen zich om haar graf. Laat de eeuwen haar noodlot verkonden, En de smart, die haar sterven ons gaf.

"Tot ook ik op het laatst hier zal staren Op het graf, dat haar bergt voor mijn oog, En ik droevig terug zal denken, Aan den tijd, die zóó snel vervloog."

_Sakimaro_ (Naar _B.H. Chamberlain_).

Het Meisje van Katsushika.

"Daar waar in 't verre oostersch land, Bij 't ochtendgloren kraait de haan, Vertelt het landvolk een verhaal, Uit tijden, dood en lang vergaan.

"Van 't meisje uit Katsushika, Wier gordel, helderblauw, Het grofste linnen kleed omsloot, En rok van arme vrouw.

"Wier voet geen schoen ooit had omklemd Of kam geraakt het haar. Geen koningin, hoe rijk getooid Te vergelijken waar.

"Met 't meisje, dat daar lachend stond, Een bloem in lentetijd, In schoonheid, liefheid zóó volmaakt Als maanlichts heerlijkheid.

"Gelijk een zwerm van motten, die Om 't helder kaarslicht dwaalt, Gelijk een boot de haven zoekt, Als 's avonds schaduw daalt.

"Zoo kwamen zwermen vrijers aan, Doch zij sprak: 'Laat mij gaan, k Ben slechts een nederige maagd En kort is mijn bestaan'.

"Daar waar de golven met geweld Luid beuken 't kale strand, Heeft 't meisje van Katsushika Voor goed haar vaderland.

"Ja! 't is een lied uit ouden tijd; Maar als 't mijn ooren streelt, Dan rijst voor mij of 't gisteren was, Haar vriendlijk, lieflijk beeld."

Naar _B.H. Chamberlain_.

Chamberlain voegt de volgende opmerking bij de vertaling van deze Japansche ballade: "Bij de weinig vaststaande overlevering, die echter ongetwijfeld zeer oud is, en die in bovenstaande ballade is behouden gebleven, kan uit authentieke bron niets worden gevoegd. De fantasie van het volk heeft echter de leemten aangevuld, en voert een wreede stiefmoeder ten tooneele, die, zonder dat zij iets gevoelt voor de toewijding van het meisje, dat dagelijks water voor haar schept uit de eenige bron, waarvan zij het water wenscht te drinken, zóó boos op haar is, omdat zij door haar schitterende schoonheid minnaars naar het huis lokt, dat het arme meisje zich ten slotte verdrinkt, waarna de buren haar als een godin beschouwen en een tempel ter harer eere oprichten. Zoowel de tempel als de bron behooren tot de merkwaardigheden in de omstreken van Tokyo, die nog steeds worden bezocht."

Het Meisje met de houten Kom.

In lang vervlogen tijden leefde een oud echtpaar met hun eenig kind, een meisje van merkwaardige bekoorlijkheid en schoonheid. Toen de oude man ziek werd en stierf, werd zijn weduwe hoe langer hoe meer bezorgd over het toekomstige geluk van haar dochter.

Op zekeren dag riep zij haar kind bij zich en sprak: "Mijn lieve, uw vader ligt op gindsch kerkhof, en ik moet, daar ik oud en zwak ben, hem spoedig volgen. De gedachte, dat ik u alleen in de wereld moet achterlaten, baart mij veel zorg, want gij zijt schoon, en schoonheid is een verleiding en een verstrikking voor mannen. Al de reinheid van een witte bloem kan niet beletten, dat zij wordt geplukt en in het slijk wordt gescheurd. Mijn kind, uw gelaat is al te schoon. Het moet voor de begeerige oogen der mannen verborgen worden, daar het anders de oorzaak zal zijn, dat gij van uw goed en rein leven vervalt in een leven van schande."

Na die woorden gesproken te hebben, plaatste zij een verlakte kom op het hoofd van het meisje, zoodat het haar bekoorlijkheden bedekte. "Draag die kom altijd, mijn lieve," sprak de moeder, "want dit zal u beschermen als ik dood ben."

Korten tijd nadat zij die liefderijke daad had volbracht, stierf de oude vrouw, en het meisje was verplicht haar brood te verdienen met op de rijstvelden te werken. Het was een zwaar en onaangenaam werk, maar het meisje hield zich dapper en zwoegde van den morgen tot den avond zonder een oogenblik te morren. Telkens gaf haar vreemd uiterlijk aanleiding tot veel besprekingen, en over het geheele land stond zij bekend als het "Meisje met de Kom op het Hoofd." De jonge mannen lachten haar uit en trachtten onder de kom te kijken, en niet weinigen zelfs trachtten het houten hoofddeksel van haar hoofd te trekken, maar het kon niet worden verwijderd, en de jongelieden moesten zich onder gelach en spotternij tevreden stellen met een enkele blik op het benedengedeelte van het gelaat. Het arme meisje verdroeg die ruwe behandeling met een geduldig, maar bezwaard gemoed, daar zij meende, dat door de liefde en de wijsheid van haar moeder later een dag van vreugde zou aanbreken, die een ruime vergoeding zou zijn voor al haar droefheid.

Op zekeren dag sloeg een rijke landbouwer het meisje gade, dat op zijn rijstvelden werkte. Hij werd getroffen door haar ijver en de snelle en uitnemende wijze, waarop zij haar taak volbracht. Hij had schik in die gebogen en vlijtige kleine gestalte, en lachte niet om de houten kom op haar hoofd. Na haar gedurende korten tijd te hebben gadegeslagen, kwam hij op het meisje af en sprak: "Ge werkt goed en babbelt niet met uw makkers. Ik wensch, dat ge op mijn rijstvelden werkt tot aan het einde van den oogst."

Toen de oogst was binnengehaald en de winter was aangebroken, vroeg haar de rijke landbouwer, die een hoe langer hoe gunstiger indruk van het meisje had gekregen, en die verlangde haar van dienst te zijn, zijn huisgenoote te willen worden. "Mijn vrouw is ziek," voegde hij er aan toe, "en ik zou gaarne willen, dat gij haar voor mij kwaamt oppassen."

Het meisje nam dankbaar dit voor haar zoo geschikte aanbod aan. Zij verpleegde de zieke vrouw met de grootste zorg, want dezelfde rustige ijver, dien zij op het rijstveld openbaarde, kenmerkte ook haar vriendelijk werk in de ziekenkamer. Daar de landbouwer en zijn vrouw geen dochter hadden, hechtten zij zich zeer aan die wees en beschouwden zij haar als hun eigen kind.

Na eenigen tijd keerde de oudste zoon van den landbouwer naar zijn oude woning terug. Hij was een verstandig jongmensch, die in het vroolijke Kyoto ijverig had gestudeerd en een afkeer had van een vroolijk leven vol feesten en lichtzinnige vermaken. Zijn vader en moeder verwachtten, dat hun zoon zich spoedig in het ouderlijke huis en in die omgeving zou vervelen, en dagelijks vreesden zij, dat hij bij hen zou komen, om afscheid te nemen en weer terug te keeren naar de residentie van den Mikado. Maar tot ieders verbazing gaf de zoon van den landbouwer volstrekt niet het verlangen te kennen, zijn oude woning te verlaten.

Op zekeren dag kwam de jonge man bij zijn vader en vroeg: "Wie is dat meisje in ons huis, en waarom draagt zij een leelijke kom op het hoofd?"

Toen de landbouwer het droevige verhaal van het meisje had gedaan, was zijn zoon diep bewogen; maar toch kon hij niet nalaten, een weinig om de kom te lachen. Het lachen van den jongen man duurde echter niet lang. Dag aan dag werd hij meer door het meisje bekoord. Telkens gluurde hij naar het half verborgen gelaat van het meisje, en kwam hij al meer en meer onder den indruk van haar vriendelijke manieren en haar edel karakter. Het duurde niet lang, of zijn bewondering ging in liefde over, en hij besloot dat hij zou trouwen met het "Meisje met de Kom op het Hoofd". De meesten van zijn familieleden verzetten zich tegen die verbintenis. Zij zeiden: "Zij is in haar soort inderdaad uitstekend, maar zij is niets anders dan een gewone dienstbode. Zij draagt die kom, om hen die onverstandig zijn, te verlokken, en wij gelooven niet, dat die kom schoone gelaatstrekken bedekt, maar juist dient, om haar leelijkheid te verbergen. Zoek ergens anders een vrouw, want wij zullen dat eerzuchtige en intrigeerende meisje niet in onzen kring toelaten."

Van dat oogenblik af had het meisje veel te lijden. Bittere en hatelijke toespelingen kreeg zij te hooren, en zelfs haar meesteres, die vóór dien tijd zoo lief en vriendelijk was geweest, koos tegen haar partij. Maar de landbouwer veranderde niet in zijn goede gezindheid jegens haar. Hij hield nog altijd van het meisje, en had er volstrekt niets op tegen, dat zij de vrouw van zijn zoon zou worden, maar ten gevolge van de heftige opmerkingen van zijn vrouw en zijn bloedverwanten durfde hij zijn wenschen in die zaak niet bekend te maken.

Al die tegenwerking, die daarenboven op zeer onvriendelijke wijze werd geuit, maakte den jongen man nog begeeriger zijn doel te bereiken. Eindelijk gaven zijn moeder en zijn bloedverwanten, toen zij zagen, dat op hun wenschen geen acht geslagen werd, hun toestemming tot het huwelijk, maar op onvriendelijke wijze.

De jonge man, die meende, dat nu alle moeilijkheden waren uit den weg geruimd, ging verheugd naar het meisje met de Kom op het Hoofd toe, en zeide: "Alle lastige tegenwerking is geëindigd, en nu verhindert ons niets, te trouwen."

"Neen", antwoordde het vrome meisje, terwijl zij bitter weende, "ik kan niet met u trouwen. Ik ben niets dan een dienstbode in het huis van uw vader, en daarom zou het ongepast zijn, als ik uw bruid werd."

De jonge man sprak vriendelijk met haar. Herhaaldelijk gaf hij uiting aan zijn zoo vurige liefde voor haar, hij trachtte haar te overreden, hij smeekte; maar het meisje wilde niet toegeven. Haar houding maakte de bloedverwanten erg boos. Zij zeiden, dat het meisje hen allen voor den gek had gehouden, daar zij volstrekt niet begrepen, dat zij den zoon van den landbouwer innig liefhad, en dat zij in haar trouw hart overtuigd was, dat dit huwelijk alleen tweedracht kon brengen in het gezin, dat haar in haar armoede een schuilplaats had aangeboden.

Dien nacht huilde het meisje zich in slaap, en in haar slaap verscheen haar moeder vóór haar, en sprak: "Mijn lief kind, laat uw goed hart niet langer verdriet hebben. Trouw met den zoon van den landbouwer, en alles zal weer in orde komen." Het meisje ontwaakte de volgenden morgen, het hart vol vreugde, en toen haar minnaar bij haar kwam en haar nog eens vroeg, of zij zijn bruid wilde worden, stemde zij er met een liefelijken glimlach in toe.

Er werden groote toebereidselen voor de bruiloft gemaakt, en toen de gasten bijeengekomen waren, meende men, dat het hoog tijd was, dat zij de houten kom van haar hoofd verwijderde. Zij zelf trachtte die af te nemen, maar de kom bleef op haar hoofd vastzitten. Toen enkelen van de familieleden met herhaalde onvriendelijke opmerkingen haar te hulp kwamen, uitte de kom vreemde kreten en zuchtte. Ten slotte naderde de bruidegom het meisje en zeide: "Laat die behandeling u geen verdriet aandoen. Gij zijt mij even lief met als zonder kom", en na die woorden te hebben gesproken, beval hij, dat de plechtigheid voortgang zou hebben.

Daarna werden de bekers met wijn in het met gasten gevulde vertrek gebracht, en in overeenstemming met de gebruiken werd van de bruid en den bruidegom verwacht, dat zij samen de "Driemaal drie" zouden drinken ter eere van hun verbintenis. Op het oogenblik waarop het meisje den beker aan haar lippen bracht, brak de kom op haar hoofd met groot geraas, en viel er goud en zilver uit, en tevens allerlei soorten van edelgesteenten, zoodat het meisje, dat eens doodarm was geweest, nu een rijke huwelijksgift bezat. De gasten waren verbaasd, toen zij de groote hoeveelheid schitterende juweelen, goud en zilver zagen, maar nog meer verbaasd waren zij, toen zij opkeken en zagen, dat de bruid het mooiste meisje uit geheel Japan was.

HOOFDSTUK XXVII. LEGENDEN VAN DE ZEE.

"Ach! dat de witte golven, Die Ise's zee beroeren, Toch niets dan bloemen waren, Opdat ik ze kon plukken, Als gave voor mijn liefste."

_Prins Aki_ (Naar _W.G. Aston_).

Het Getijde der terugkeerende Geesten.

Op den laatsten dag van het Feest der Dooden is de zee bedekt met tallooze _shoryobune_ (geestenschepen), immers op dien dag, _Hotoke-umi_, wat Buddha-vloed beteekent, of het Getijde der terugkeerende Geesten, gaan de geesten weer naar hun geestenwereld terug. De zee glinstert van het licht der gestorven geesten, en van over de golven komt het geluid van geesten, die samen fluisteren. Geen sterfelijk wezen zou er een oogenblik aan denken, te midden van een zoo heilig gezelschap zee te kiezen; immers dien nacht behoort de zee de dooden toe; het is hun lange weg naar het rijk, waar Emma-O oppermachtig regeert.

Somtijds echter geschiedt het, dat een schip de haven niet bereikt vóór het vertrek der geestenschepen, en bij die gelegenheid komen de dooden uit de diepte te voorschijn, steken hun armen uit, en smeeken, dat hun emmers worden uitgereikt. De zeelieden geven aan dit verzoek toe, maar geven de geesten een bodemloozen emmer, immers als zij de dooden emmers geven met een bodem er in, zouden de booze geesten die gebruiken, om het schip te doen zinken.

Urashima.

"Suminóye heeft lente; op zijn stranden, Daar dalen de nevelen neer, Ik sta aan den oever te peinzen, En denk aan den tijd van weleer. Ik denk aan de wereld van vroeger, Bij het glijden van boot aan boot, Aan den visschersknaap Urashima, Die zoo van het visschen genoot."

Naar _B.H. Chamberlain_.

"De legende van Urashima," zoo schrijft Chamberlain in zijn _Japansche poëzie_, "is één van de oudste Japansche legenden, en sporen daarvan worden zelfs in de officieele gedenkboeken gevonden." In de populaire lezing, die wij hieronder geven, komt het "Eeuwiggroene land", dat genoemd wordt in de Japansche Ballade "De Visschersknaap Urashima", voor als het Drakenpaleis. Chamberlain zegt: "Het woord Drakenpaleis is in het Japansche _ryukyu_, ook wel _ryugu_, wat eveneens de Japansche uitspraak is van den naam der eilanden, die wij Luchu, en de Chineezen Liu-Kiu noemen, en men heeft ook wel beweerd, dat het Drakenpaleis niet anders zou zijn dan een fantastischen naam, door den een of anderen schipbreukeling gegeven aan die zonnige zuidelijke eilanden, waarvan de bewoners zich nog altijd zelfs boven hun Japansche en Chineesche naburen onderscheiden door hun groote liefde voor den draak als een artistieke en bouwkundige versiering. Er is één ode in de _Man-Yoshu_, die aan dit denkbeeld eenige waarschijnlijkheid geeft, daar die van den sinaasappel zegt, dat deze het eerst in Japan zou zijn ingevoerd uit het 'Eeuwiggroene Land', dat in het zuiden is gelegen."

Urashima en de Schildpad.

Urashima, die in een klein visschersdorp woonde, Midzunoe genaamd, in de provincie Tango, ging eens uit visschen. Onder zijn vangst behoorde ook een schildpad, en daar, naar men beweert, schildpadden duizenden jaren leven, liet de bedachtzame Urashima het dier weder in zee terugkeeren, deed nieuw aas aan zijn haak, en wachtte geduldig af, totdat een visch toebeet. Doch alleen de zee deed zijn hengel zachtkens op en neer gaan. De zon brandde op zijn hoofd, totdat Urashima eindelijk in slaap viel.

Hij had nog niet lang geslapen, toen hij iemand hoorde roepen: "Urashima, Urashima!"

Het was een zóó liefelijke, zóó verlokkende stem, dat de visschersknaap in zijn boot opstond en in iedere richting rondkeek, totdat hij dezelfde schildpad zag, die hij zoo vriendelijk aan haar vochtige woning had teruggegeven. De schildpad, die de gave had, zeer vloeiend te spreken, dankte Urashima uitbundig voor zijn vriendelijkheid, en bood aan, hem te brengen naar de _ryukyu_, of het Paleis van den Drakenkoning.

De uitnoodiging werd dankbaar aanvaard, en na op den rug van de schildpad te zijn geklommen, gleed Urashima over de zee voort met een geweldige vaart, en het merkwaardigste feit was, dat het hem bleek, dat zijn kleeren volkomen droog bleven.

In het Paleis van den Zeekoning.

Toen hij in het Paleis van den Zeekoning gekomen was, kwamen brasem, bot, tong en inktvisch naar buiten, om Urashima hartelijk welkom te heeten. Nadat zij hun vreugde over zijn komst hadden te kennen gegeven, geleidden die vazallen van den Drakenkoning den visschersknaap naar een binnenvertrek, waar de schoone Prinses Otohime met haar dienststoet gezeten was. De Prinses was gekleed in schitterende kleeren, rood en goudgekleurd, alle tinten van golven, waarop het zonlicht schijnt.

De Prinses vertelde toen, dat zij de vorm van een schildpad had aangenomen, om de vriendelijkheid van zijn gemoed op de proef te stellen. Gelukkig was de proef uitnemend uitgevallen, en tot belooning voor zijn deugd bood zij aan, zijn bruid te worden in een land, waar eeuwige jeugd en voortdurende zomer heerschten.

Bedeesd aanvaardde Urashima de hooge eer, die hem ten deel viel. Nauwelijks had hij zijn toestemming gegeven, of een groote menigte visschen kwam voor den dag, gekleed in lange, plechtige gewaden, terwijl hun vinnen groote koralen bakken droegen, die met zeldzame lekkernijen waren beladen. Daarop dronk het gelukkige bruidspaar den huwelijksbeker met saké gevuld, en terwijl zij dronken, speelden sommige visschen een zachte en liefelijke muziek, terwijl andere zongen, en een aantal van hen, met zilveren schubben en gouden staarten, vreemde dansen uitvoerden op het witte strand.

Nadat de feestelijkheden geëindigd waren, liet Otohime haar echtgenoot al de schoonheden en wonderen zien van het paleis haar vaders. Het grootste wonder van alle was, dat daar een land was, waar alle jaargetijden te zamen vertoefden. [78] Als hij den blik naar het oosten sloeg, zag Urashima pruimen- en kersenboomen in vollen bloei, terwijl vlinders met heldere vleugels over de bloesems heenstreken, en in de verte scheen het, alsof de heldere bloemblaadjes en de vlinders plotseling waren overgegaan in het gezang van een wonderschoonen nachtegaal. In het zuiden zag hij boomen in de volle glorie van den zomer, en hoorde hij het liefelijke geluid van den krekel. Sloeg hij het oog naar het westen, dan glinsterden de ahornboomen in de takken van den herfst, zoodat Urashima, als hij een ander geweest was dan een eenvoudige, nederige visscher, zich het volgende gedicht zou hebben voor den geest geroepen:

"O, zeg mij toch, Godin van 't vliedend najaarslicht, Aan hoeveel weefgetouwen gij uw taak verricht, Als gij bekwaam van hand, vuurroode blaadren weeft, Van d' ahornboom in 't beeld, dat gij ons vriendlijk geeft, En alle heuvelen met kleurenpracht bezaait, Een wellust voor het oog, bij iedren wind, die waait!"

Naar _Clara A. Walsh_.

Het was inderdaad een "rijk borduurwerk", want toen Urashima zich naar het noorden richtte, zag hij een groote uitgestrektheid, onder sneeuw bedolven, en een ontzaglijken vijver, met ijs bedekt. Alle jaargetijden vertoefden te gelijker tijd in het schoone land, waar de Natuur haar onbegrensde rijkdommen aan schoonheid ten volle had ten toon gespreid.

Nadat Urashima drie dagen in het Paleis van den Zeekoning had vertoefd en een aantal wonderbaarlijke zaken had gezien, herinnerde hij zich plotseling zijn bejaarde ouders en gevoelde hij een sterk verlangen, dezen te gaan opzoeken. Toen hij naar zijn vrouw toeging en haar op de hoogte stelde van zijn verlangen, om naar huis terug te keeren, begon Otohime te weenen, en trachtte zij hem te overreden, nog een dag te wachten. Maar Urashima wilde in die zaak niet toegeven. "Ik moet gaan," zeide hij, "maar ik zal u slechts één dag alleen laten. Ik zal weer terugkomen, mijn lieve vrouw."

De thuiskomst van Urashima.

Toen gaf Otohime haar echtgenoot een geschenk ter herinnering aan hun liefde. Het heette de _Tamate-Bako_ ("Doos van de Juweelen Hand"). Zij zeide hem, dat hij onder geen omstandigheden de doos mocht openen, en Urashima nam afscheid, na beloofd te hebben haar wensch te volbrengen, besteeg een groote schildpad, en was spoedig in zijn eigen land teruggekeerd. Te vergeefs zag hij uit naar het huis van zijn vader. Geen spoor was daarvan meer te bekennen. De hut was verdwenen, alleen de kleine rivier was overgebleven.

Zeer verbaasd vroeg Urashima een voetganger naar bijzonderheden, en hij vernam van dezen, dat een visschersknaap, Urashima genaamd, drie honderd jaar geleden in zee was gevallen en was verdronken, en dat zijn vader, broeders en hun kleinkinderen reeds lang ter ruste gegaan waren. Daarna herinnerde zich Urashima plotseling, dat het rijk van den zeekoning een goddelijk land was, waar een dag naar menschelijke berekening drie honderd jaar duurde.

De gedachten van Urashima waren uiterst somber, want allen, die hij op aarde had liefgehad, waren gestorven. Daarna hoorde hij het ruischen der zee, en herinnerde zich de liefelijke Otohime, en het land, waar de jaargetijden zich vereenigden en een viervoudig praalvertoon van hun schoonheid maakten--het land, waar boomen smaragden tot bladeren en robijnen tot bessen hadden, waar de visschen lange gewaden droegen en zongen, dansten en speelden. De zee klonk luider in de ooren van Urashima. Riep Otohime hem? Maar geen weg opende zich voor hem, geen welwillende schildpad kwam op het tooneel, om hem te dragen naar de plaats, waar zijn vrouw hem wachtte. "De doos! de doos!" zeide Urashima zacht, "als ik dat geheimzinnige geschenk van mijn vrouw open, kan het misschien wel den weg openbaren."

Urashima maakte den roodzijden draad los, en langzaam, met vrees in het hart, tilde hij het deksel van de doos op. Plotseling kwam er een kleine witte wolk uit; deze bleef een oogenblik toeven, en rolde toen ver weg over de zee. Maar een heilige belofte was verbroken, en Urashima veranderde van een schoonen jongeling in een gerimpelden grijsaard. Hij strompelde vooruit, terwijl zijn witte haren en baard in den wind fladderden. Hij keek uit naar de zee, en viel toen dood op het strand.

Chamberlain schrijft: "Het graf van Urashima, met zijn hengel, de doos, hem door het meisje geschonken, en twee steenen, die groote waarde moeten bezitten, worden nog altijd in één der tempels te Kanagawa vertoond."

Het Land van de Ochtendkalmte.

Chosen, het Land van de Ochtendkalmte, was de oude naam voor Korea [79], en hoe poëtisch die naam moge zijn, zij was volstrekt niet van toepassing op den feitelijken toestand. In zijn vroegere geschiedenis was het een land, tegen zich zelf verdeeld, en later ondervond het de ellende van de invallende legers van China en Japan, daargelaten nog de kleine schermutselingen met andere landen. Ongetwijfeld is er een zekere pathetische kalmte in het Korea van onzen tijd, maar het is de kalmte van een reeds lang overwonnen en vervolgde natie. Het ligt nu in de hand van Japan, of de Koreanen weer uit de lijfeigenschap zullen verrijzen en weer iets van die oude kloekmoedigheid zullen terugkrijgen, die eertijds een zoo op den voorgrond tredend kenmerk was van de mannen uit het noorden van dat land.

Reeds lang geleden kwam Korea onder de betoovering van de Chineesche beschaving, en nog steeds gevoelt het volk de nawerking daarvan. Japan ontleende aan Korea, wat Korea aan China had ontleend. Omdat Japan, toen het alles had uitgeput, wat het van Korea en China kon leeren, zijn blikken naar het westen richtte, werd het na verloop van tijd, nu ook de voortgaande stroom van gedachten en daden krachtig door de Japanners bleef vloeien, een wereldmacht, terwijl Korea een rampzalig voorbeeld bleef van een bijna volkomen stilstaand land.