Mythen & Legenden van Japan

Chapter 21

Chapter 214,037 wordsPublic domain

Toen de ketellapper zijn vrienden van zijn merkwaardigen metgezel verhaalde, zeiden zij: "Gij zijt een gelukkige kerel en wij raden u aan, dien das in het openbaar te vertoonen, want hij is verstandig genoeg om te springen en op het koord te dansen. Onder de begeleiding van muziek en zang kunt gij ongetwijfeld met dat vreemde wezen een reeks van nieuwe vermakelijkheden op touw zetten, die overal de aandacht zullen trekken, en heel wat meer geld zullen inbrengen dan gij met al uw ketellappen bij mogelijkheid zoudt kunnen verdienen."

De ketellapper volgde dien voortreffelijken raad, en de roep van zijn kunstenmakenden das verspreidde zich wijd en zijd. Vorsten en vorstinnen kwamen de vertooning bezoeken, en hij verwierf zich door de vorstelijke bescherming en de gunst van het gewone publiek een groot vermogen. Toen de ketellapper dat vermogen had bijeengegaard, gaf hij den ketel weer terug aan den Morinji-tempel, waar hij als een kostbare schat werd vereerd.

De Kat.

"Voed een hond drie dagen, en hij zal zich uw vriendelijkheid drie jaar herinneren; voed een kat drie jaar, en zij zal uw vriendelijkheid binnen drie dagen vergeten."

Een Japansch Spreekwoord.

De Japansche kat, met of zonder staart, is lang niet populair, want dit dier en de venijnige slang waren de eenige twee schepsels, die niet weenden bij den dood van Buddha. De katten uit Nippon schijnen onder een vloek te staan, en grootendeels moeten zij zich zelf weten te helpen, en moeten zij dus op haar bovennatuurlijke macht vertrouwen. Evenals vossen en dassen, kunnen zij menschelijke wezens betooveren. Chamberlain schrijft in zijn _Japansche Zaken_: "Onder Europeanen kan men dikwijls hooren, hoe een oneerbiedig mensch een leelijke, humeurige oude vrouw een kat noemt. In Japan, het land waar alles onderste boven is gekeerd, wordt in het dagelijksch leven die naam dikwijls gegeven aan de jongsten en bekoorlijksten van het vrouwelijk geslacht--de zangmeisjes". De vergelijking komt ons vreemd voor, maar de toespeling hangt ongetwijfeld samen met de gaven der betoovering, die zoowel het zangmeisje als de kat bezitten. De Japansche kat wordt echter door de zeelieden met een gunstig oog aangezien, en de _mike-neko_, of de driekleurige kat, wordt op hooge waarde geschat. Zeelieden hebben over de geheele wereld den naam van bijgeloovig te zijn, en de Japansche zeelieden doen alle mogelijke moeite een scheepskat machtig te worden, in de overtuiging, dat dit dier den geest der diepte van hun schip zal afhouden. Vele zeelieden koesteren de meening, dat de zielen van hen, die op de zee verdrinken, nooit rust zullen vinden; zij gelooven, dat zij eeuwigdurend in de golven op de loer liggen en schreeuwen en jammeren, als jonken passeeren. Voor hen is de branding, die op het strand slaat, niets anders dan de witte, grijpende handen van ontelbare geesten, en zij gelooven, dat de zee gevuld is met _O-baké_, achtbare geesten. De Japansche kat heeft, naar men beweert, het toezicht over de dooden.

De Vampierkat.

Prins Hizen, een aanzienlijk lid van het geslacht Nabéshima, dwaalde in den tuin met O Toyo, de gunstelinge onder zijn dames. Toen de zon onderging, gingen zij naar het paleis terug, doch letten er niet op, dat zij door een groote kat werden gevolgd.

O Toyo ging naar haar kamer en viel in slaap. Tegen middernacht werd zij wakker en keek om zich heen, daar zij een gevoel had, alsof er een akelige verschijning in het vertrek aanwezig was. Eindelijk zag zij, dat een reusachtige kat in haar onmiddellijke nabijheid lag neergehurkt, en voordat zij om hulp kon roepen, sprong het dier op haar lichaam en worgde haar. Daarna maakte het dier een gat onder de veranda, begroef het lijk en nam den vorm aan van de schoone O Toyo.

De Prins, die niets afwist van hetgeen geschied was, bleef de valsche O Toyo liefhebben, zonder te weten, dat hij een walgelijk dier liefkoosde. Langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat zijn krachten afnamen en het duurde niet lang, of hij werd gevaarlijk ziek. Er werden geneesheeren ontboden, maar zij konden niets doen om den koninklijken lijder te genezen. Men merkte op, dat hij het meest leed gedurende den nacht, en dat hij door vreeselijke droomen gekweld werd. Daar dit het geval was, besloten zijn raadslieden, dat honderd dienaren bij hun meester zouden zitten en gedurende zijn slaap de wacht zouden houden.

De wacht ging de ziekenkamer binnen, maar even vóór tienen werd zij overvallen door een geheimzinnige slaperigheid. Toen allen in slaap waren, kroop de zoogenaamde O Toyo in het vertrek en maakte den Prins onrustig tot aan het aanbreken van den dag. Nacht aan nacht kwamen de dienaren bij hun meester de wacht houden, maar steeds vielen zij op hetzelfde uur in slaap, en zelfs drie bijzonder getrouwe raadslieden ondergingen eveneens dat lot.

Gedurende dien tijd werd de Prins hoe langer hoe zieker, en ten slotte werd een priester, Ruiten genaamd, aangesteld om te zijnen behoeve te bidden. In zekeren nacht, toen hij met zijn smeekingen bezig was, hoorde hij een vreemd geluid, dat van den tuin uitging. Toen hij uit het raam keek, zag hij, dat een jonge soldaat zich stond te wasschen. Nadat hij zich gewasschen had, ging hij vóór een Buddhabeeld staan, en bad zoo ijverig mogelijk voor het herstel van den Prins.

Ruiten, die zich er in verheugde, zooveel ijver en trouw waar te nemen, verzocht den jongen man, zijn huis binnen te treden, en toen hij dit gedaan had, vroeg hij naar zijn naam.

"Ik ben Ito Soda," sprak de jonge man, "en ben als infanterist in Nabéshima in garnizoen. Ik heb van de ziekte van den Prins vernomen en verlang er naar, de eer te hebben, hem op te passen; maar daar ik een lagen rang bekleed, is het niet voegzaam, dat ik in zijn tegenwoordigheid verschijn. Toch heb ik Buddha gebeden, dat het leven van den Prins gespaard blijve. Ik ben van oordeel, dat Prins Hizen betooverd is, en als ik bij hem mocht blijven, zou ik mijn uiterste best doen, den kwaden geest te ontdekken en te verpletteren, die de oorzaak is van zijn ziekte."

Ruiten kreeg van dit optreden een zóó gunstigen indruk, dat hij den volgenden dag één der raadslieden ging raadplegen, en na langdurige besprekingen werd het zóó geschikt, dat Ito Soda met de honderd dienaren de wacht zou houden.

Toen Ito Soda het koninklijke vertrek binnentrad, zag hij, dat zijn meester in het midden van het vertrek sliep, en tevens merkte hij op, dat de honderd dienaren kalm in de kamer zaten te keuvelen, in de hoop, dat zij in staat zouden zijn de naderende slaperigheid te verdrijven. Tegen tien uur waren alle dienaren, in weerwil van hun pogingen, in slaap gevallen. Ito Soda trachtte zijn oogen open te houden, maar een zwaar gevoel overviel hem langzamerhand, en hij begreep, dat hij, als hij wilde wakker blijven, zijn toevlucht moest nemen tot de uiterste maatregelen. Nadat hij zorgvuldig geolied papier over de matten had uitgespreid, stak hij zijn dolk in zijn dij. De heftige pijn, die hij voelde, hield een tijdlang den slaap uit zijn oogen, maar na een tijd voelde hij, dat zijn oogen weer dichtvielen. Besloten de betoovering te ontdekken, die de dienaren de baas was geweest, draaide hij zijn mes in zijn dij, en vermeerderde zoo de pijn, terwijl hij trouw de wacht bleef houden, en het bloed voortdurend op het geoliede papier droop.

Terwijl Ito Soda de wacht hield, zag hij, dat de schuifdeuren zich openden en dat een schoone vrouw zacht het vertrek binnensloop. Met een glimlach zag zij, hoe de dienaren in slaap waren, en zij was op het punt den Prins te naderen, toen zij Ito Soda bemerkte. Nadat zij hem kortaf had toegesproken, naderde zijn den Prins en vroeg hem, hoe het met hem was, maar de Prins was te ziek, om daarop te antwoorden. Ito Soda lette op iedere beweging en meende, dat zij den Prins trachtte te betooveren, maar haar kwade bedoelingen werden voortdurend verijdeld door de onbevreesde blikken van Ito Soda, en ten slotte was zij verplicht weg te gaan.

Des morgens ontwaakten de dienaren, en waren van schaamte vervuld, toen zij vernamen, hoe Ito Soda de wacht had gehouden. De raadslieden prezen den jongen soldaat luide om zijn trouw en zijn zeldzame heldhaftigheid, en hem werd bevolen dien nacht weder de wacht te houden. Dit deed hij, en weer trad de zoogenaamde O Toyo de ziekenkamer binnen, en evenals den vorigen nacht was zij gedwongen te vertrekken zonder in staat geweest te zijn haar betoovering over den Prins te werpen.

Men ontdekte ook, dat zoodra de trouwe Soda de wacht had betrokken, de Prins in staat was een rustigen slaap te genieten, en tevens, dat hij begon te herstellen; immers de zoogenaamde O Toyo bleef, nadat zij bij twee gelegenheden in haar pogingen had gefaald, voor goed weg, en de wacht werd niet meer door geheimzinnige slaperigheid overvallen. Soda ging onder den indruk van die vreemde omstandigheden naar één der raadsleden en deelde hem mede, dat de zoogenaamde O Toyo de ééne of andere soort van booze geest was.

Dien nacht vatte Soda het plan op, zich naar het vertrek van dit wezen te begeven en te trachten haar te dooden, terwijl hij alles zóó regelde, dat er, indien zij zou ontsnappen, acht dienaren buiten op wacht zouden staan, om haar te pakken en onmiddellijk te verslaan.

Op het vastgestelde uur ging Soda naar het vertrek van het schepsel, onder voorwendsel, dat hij een boodschap namens den Prins bracht.

"Wat is uw boodschap?" vroeg de vrouw.

"Wees zoo beleefd dezen brief te lezen," antwoordde Soda, en na die woorden gesproken te hebben, trok hij zijn dolk en wilde hij haar dooden.

De zoogenaamde O Toyo greep een hellebaard en trachtte haar tegenstander te treffen. De slagen volgden elkaar op, maar toen zij eindelijk begreep, dat de vlucht beter voor haar was dan het volharden in den strijd, wierp zij haar wapen weg, en in een oogenblik veranderde het bekoorlijke meisje in een kat en sprong op het dak. De acht man, die buiten op wacht stonden, om in geval van nood op te treden, schoten op de kat, maar het gelukte het dier, hun te ontsnappen.

De kat rende in volle vaart naar de bergen en hinderde de bevolking, die in de nabijheid woonde, geweldig, doch werd ten slotte gedood tijdens een jacht, die door Prins Hizen was geregeld. De Prins werd weer beter, en Ito Soda ontving de eerbewijzen en de belooning, die hij zoo rijkelijk had verdiend.

De Hond.

In het algemeen gesproken, wordt de hond in Japan beschouwd als een goedgezind dier, en in de meeste legenden gedraagt hij zich goed; maar op de Oki-eilanden gelooven een aantal inwoners, dat alle honden de bovennatuurlijke macht hebben, die op andere plaatsen aan de vossen worden toegeschreven. Chamberlain zegt: "De menschelijke wezens, die met de honden een verbond hebben gesloten, worden _inu-gami-mochi_ genoemd--wat beteekent 'eigenaars van een hondgod'. Als de geest van zulk een met magische eigenschappen bedeelden hond er op uitgaat om kwaad te doen, blijft zijn lichaam achter, en wordt hoe langer hoe zwakker, terwijl het zelfs somtijds uitteert en sterft. Als dit het geval is, kiest de geest bij zijn terugkomst zijn woning in het lichaam van een toovenaar, die daarna machtiger wordt dan ooit te voren."

Shippeitaro en de Spookkatten.

Een ridder zocht eens een schuilplaats in een eenzamen en vervallen tempel op een berg. Tegen middernacht werd hij gewekt door het hooren van een vreemd geluid. Toen hij rondkeek zag hij een aantal katten, die dansten en gilden en schreeuwden, en herhaaldelijk hoorde hij de woorden: "_Vertel het niet aan Shippeitaro_"

Tegen middernacht verdwenen de katten plotseling, er heerschte stilte in den vervallen tempel, en onze krijgsman was in staat zijn slaap te hervatten.

Den volgenden morgen verliet de jonge ridder het spookhuis, en kwam aan één of twee kleine gebouwen in de nabijheid van een dorp. Toen hij één van die huizen voorbijkwam, hoorde hij een luid gejammer en geklaag, en vroeg hij naar de oorzaak van het verdriet.

"Helaas!" zeiden zij, die zich in de nabijheid van den ridder bevonden, "gij moogt wel vragen, waarom wij zoo diep bedroefd zijn. Van nacht zal de berggeest onze schoonste maagd in een groote kooi naar den vervallen tempel dragen, waar gij den nacht hebt doorgebracht, en tegen den morgen zal zij door den boozen berggeest worden verslonden. Ieder jaar verliezen wij op die wijze een meisje, en er is niemand om ons te helpen."

De ridder, door die treurige woorden diep bewogen, en begeerig van dienst te zijn, zeide: "Wie of wat is Shippeitaro? De booze geesten in den vervallen tempel gebruikten herhaaldelijk dien naam."

"Shippeitaro", zoo sprak één der omstanders, "is een dappere en prachtige hond, en is het eigendom van den hoogsten ambtenaar van onzen Vorst."

De ridder spoedde zich voort, terwijl het hem gelukte Shippeitaro voor één nacht in zijn bezit te krijgen, en nam den hond met zich mede terug naar het huis van de weenende ouders. Reeds was de kooi voor het meisje gereed gezet, en in die kooi plaatste hij Shippeitaro, en zoo bereikte hij met een aantal jonge mannen, die hem moesten bijstaan, den door spoken bezochten tempel. Maar de jonge mannen wilden niet op den berg blijven, daar zij doodelijk bevreesd waren, en na hun taak te hebben volbracht, gingen zij weer terug, zoodat de ridder en de hond alleen achterbleven.

Tegen middernacht kwamen de spookkatten terug, terwijl zij een kater in hun midden hadden van ontzaglijke grootte, die vreeselijke woest was. Zoodra het monster de kooi zag, sprong hij met kreten van vreugde er om heen, door zijn makkers vergezeld.

Toen de ridder een gunstig oogenblik had gevonden, opende hij de kooi; Shippeirato sprong er uit en hield de groote kat in zijn tanden. Een oogenblik later trok zijn meester zijn zwaard en doodde het boosaardige monster. De andere katten waren te zeer verbaasd over wat zij zagen, dan dat zij er aan dachten te ontsnappen, en de flinke Shippeitaro maakte korte metten met die dieren. Zoo werd het dorp niet langer verontrust door de plunderingen van den berggeest, en getrouw aan zijn ridderplicht gaf de ridder al de eer aan den flinken Shippeitaro.

De oude Man die de boomen deed bloeien.

Toen eens een oude man en zijn vrouw in den tuin bezig waren, werd hun hond plotseling zeer opgewonden terwijl hij zijn kop boog en op één bepaalde plaats den grond besnuffelde. De oude menschen, die in de meening verkeerden, dat hun lieveling iets lekkers had gevonden om te eten, brachten een spade en begonnen te graven, en tot hun verbazing groeven zij een groot aantal goudstukken en zilverstukken op, en bovendien een groote hoeveelheid kostbare schatten. Met dien zooeven verworven rijkdom in hun bezit, liet het oude paar geen tijd verloren gaan, om aalmoezen onder de armen te verdeelen.

Toen de naaste buren hoorden, welk fortuintje de oude lieden gehad hadden, lokten zij den hond en spreidden zij alle soorten van lekkernijen voor hem uit, in de hoop, dat het dier ook hun groote diensten zou bewijzen. Maar de hond, die bij vroegere gelegenheden door zijn gastheeren slechts was behandeld, weigerde te eten, en op het laatst sleepte het paar den hond nijdig in den tuin. Onmiddellijk begon de hond te snuffelen, en juist waar hij snuffelde, begon het hebzuchtige volk te graven; maar zij groeven geen schatten op, en al wat zij vonden was niets dan waardelooze afval. Het oude paar doodde in hun nabijheid en onder hun teleurstelling den hond en begroeven hem onder een pijnboom.

De brave oude man hoorde toevallig later, wat zijn trouwen hond was overkomen, en erg bedroefd ging hij naar de plek, waar zijn lieveling begraven was, en plaatste voedsel en bloemen op zijn graf, onder het vergieten van heete tranen.

Dien nacht kwam de geest van den hond naar zijn meester, en zeide: "Hak den boom om, waar ik begraven ben, en maak van het hout een mortier, en denk aan mij, zoo dikwijls gij dien gebruikt."

De oude man voerde de instructies uit, en hij ontdekte, dat, zoodra hij de rijstkorrels in den houten mortier fijnstampte, iedere korrel in een kostbaren schat veranderde.

De slechte buren, die den hond hadden geleend, hadden niet de minste gewetenswroeging, om ook den mortier te leenen, maar bij dat slechte volk veranderde de rijst onmiddellijk in vuil, zoodat zij in hun nijdigheid den kostbaren mortier stuksloegen en verbrandden.

Ten tweeden male verscheen de geest van den hond vóór zijn meester, en deelde hem mede, wat er gebeurd was, terwijl hij er aan toevoegde: "Als gij de asch van den mortier over verdorde boomen strooit, zullen zij onmiddellijk vol bloesems komen", en na die woorden te hebben gesproken, verdween de geest.

De goedhartige oude man verzamelde de asch, en na die in een mand te hebben geplaatst, reisde hij van dorp tot dorp en van stad tot stad, en wierp de asch over verdorde boomen; zooals de hond had beloofd, kwamen die plotseling in bloei. Een prins hoorde van die wonderen, en beval den ouden man vóór hem te verschijnen, bij welke gelegenheid hij hem verzocht zijn wondermacht te laten zien. Dit deed de oude man, en innig verheugd verdween hij met de talrijke vorstelijke geschenken, die hij had gekregen.

De buren van den ouden man, die van die wonderen hadden gehoord, verzamelden de overgebleven asch van den wonderbaarlijken mortier, en de slechte man trok zelf het land door, terwijl hij beweerde, dat hij in staat was verdorde of doode boomen te doen herleven. Evenals de oorspronkelijke bewerker van wonderen, verscheen de hebzuchtige oude man in het paleis; hem werd opgedragen een verdorden boom weer levend te maken. De oude man klom in een boom en verstrooide de asch, maar de boom bleef nog steeds dor en de asch verblindde den Prins en deed hem bijna stikken. Daarop werd de oude bedrieger half doodgeslagen, en hij vertrok in een hoogst ongelukkigen toestand.

De vriendelijke oude man liet, na zijn buren over hun slechtheid te hebben berispt, hen toch in zijn rijkdom deelen, en het echtpaar, dat vroeger gemeen, wreed en slim geleefd had, leidde in het vervolg een goed en deugdzaam leven.

De Zeekwal en de Aap. [67]

Rin-Jin, de Koning der Zee, koos als vrouw een jonge, schoone Drakenprinses. Zij waren nog niet lang getrouwd, toen de schoone Koningin ziek werd, en alle adviezen en alle zorgen van de beste geneeskundigen van het land waren vruchteloos.

"Ach", snikte de Koningin, "er is maar één ding, dat mij van mijn ziekte kan genezen".

"Wat is dat?" vroeg Rin-Jin.

"Als ik de lever van een levenden aap eet, zal ik onmiddellijk genezen. Zie, wat ik u bidden mag, dat gij een lever van een aap voor mij krijgt, want ik weet, dat niets anders mijn leven zal redden."

Daarom riep Rin-Jin een zeekwal naar zich toe, en zeide: "Ik wensch, dat gij aan land zwemt en met een levenden aap op uw rug terugkeert, want ik wil zijn lever gebruiken, opdat onze Koningin haar gezondheid herkrijge. Gij zijt het eenige schepsel, dat die taak kan volbrengen, want gij alleen hebt voeten en zijt in staat op het strand te loopen. Om den aap te overreden, te komen, moet gij hem vertellen van de wonderen der diepte en van de zeldzame schoonheden van mijn groot paleis, met zijn parelen op den bodem en zijn muren van koraal".

De zeekwal, die zich verheugde, dat de gezondheid en het geluk van haar meesteres van den goeden uitslag van haar onderneming afhing, verloor geen tijd met naar een eiland te zwemmen. Nauwelijks was zij aan land gestapt, of zij zag een prachtigen aap, die in de takken van een pijnboom speelde.

"Zeg eens!" sprak de zeekwal, "ik vind dit eiland erg leelijk. Wat een vervelend en ellendig leven moet gij hier leiden! Ik kom uit het Rijk der Zee, waar Rin-Jin regeert in een groot en prachtig paleis. Misschien zoudt gij er lust in hebben, een nieuw land te zien, waar overvloed van vruchten is en waar het altijd prachtig weer is. Als gij dat prettig vindt, klim dan op mijn rug, en ik zal u met veel genoegen naar het Rijk der Zee medenemen".

"Ik neem gaarne uw uitnoodiging aan", zeide de aap, terwijl hij uit den boom nederdaalde, en rustig op den rug van de zeekwal ging zitten.

"Tusschen twee haakjes", zeide de zeekwal, toen hij ongeveer de helft van de terugreis had afgelegd, "Ik onderstel, dat gij uw lever hebt medegebracht, niet waar?"

"Wat een persoonlijke vraag!" antwoordde de aap. "Waarom vraagt gij dit?"

"Onze Zeekoningin is gevaarlijk ziek", zeide de dwaze zeekwal, "en alleen de lever van een levenden aap kan haar leven redden. Als wij in het paleis komen, zal een dokter uw lever gebruiken en mijn meesteres zal weer herstellen".

"Ach kom!" riep de aap uit, "ik had gewild, dat gij mij dit hadt medegedeeld, voordat wij het eiland hadden verlaten. Geloof mij, gij vergist u, waarde zeekwal. Ik heb een aantal levers op een pijnboom hangen, en ik had u gaarne een willen afstaan, om het leven van uw Koningin te sparen. Als gij mij naar het eiland wilt terugbrengen, zal ik er een halen. Het is bijzonder ongelukkig, dat ik vergeten heb een lever mede te brengen."

De lichtgeloovige zeekwal draaide om en zwom weer naar het eiland terug. Oogenblikkelijk nadat de zeekwal het strand had bereikt, sprong de aap van haar rug en sprong rond op de takken van een boom.

"_Lever_", zeide de aap grinnikend, "spraakt ge van _lever_? Jij, dwaze oude zeekwal, je zult nooit mijn lever krijgen!"

Eindelijk bereikte de zeekwal het paleis, en vertelde Rin-Jin zijn treurig verhaal. De Zeekoning werd razend van drift. "Slaat haar murw!" riep hij tot zijn omgeving. "Slaat die dwaze kwal zóólang, totdat zij geen bot meer in haar lichaam heeft!"

Zoo verloor de zeekwal na dat ongelukkige uur haar schaal, en alle zeekwallen, die na haar dood in zee geboren zijn, missen haar schaal, en zijn tot op den huidigen dag niets anders dan gelei gebleven.

Het Bronzen Paard.

Op den feestdag van de _Minige_, of "Het ontsnappen van het Lichaam", rijdt, zooals men zegt, de Godheid van Kitzuki, Oho-Kuninushi, door de straten op het Bronzen Paard. De ceremonies, aan dat feest verbonden, zijn van een zóó geheimzinnigen aard, dat alleen de dienstdoende priester het geheim na zijn dood aan zijn zoon kan mededeelen door tusschenkomst van den geest van den overledene. De groote gesneden draak van Kitzuki kroop, naar men meende, bij zekere gelegenheid over de daken van een aantal huizen, maar toen zijn houten strot was doorgesneden, bleef hij eenvoudig een kunstwerk, dat de bewoners niet langer last veroorzaakte. Ook bronzen wild uit Matsue, een hert en een hinde, had wonderbaarlijke macht, en kon des nachts door de straten rennen. Die bezoeken waren zóó talrijk en zóó lastig, dat eindelijk hun koppen werden afgesneden, en zoo kwamen hun dolle sprongen tot een einde. De reusachtige schildpad van den Gesshoji tempel, een steenen kolos, omstreeks zestien voet hoog, werd herhaaldelijk aangetroffen, terwijl zij pogingen aanwendde, een vijver, met lotus bedekt, over te zwemmen. Dit wezen werd evenals dat, wat wij zooeven hebben vermeld, verminkt, en zijn middernachtelijke tochten werden voor goed gestuit.

HOOFDSTUK XXIII. LEGENDEN OMTRENT VOGELS EN INSECTEN.

Vogels.

Wij hebben reeds gewezen op enkele vogels, waarvan in Japansche legenden melding wordt gemaakt, den fazant in het verhaal van Momotaro, den _Ho-Ho_ Vogel, de Brug van Eksters in het verhaal van Tanabata, het geheimzinnige licht, dat van den blauwen reiger zou hebben uitgestraald, den Dondervogel, enz. De _Sekirei_ of kwikstaartjes zijn gewijd aan Izanagi en Izanami, immers het was door die vogels, dat die godheden voor het eerst de kunst der liefde leerden kennen, en zelfs niet de God der Vogelverschrikkers kan hen verschrikken. Toen de groote held Yamato-take stierf, veranderde hij, naar men meent, in een witten vogel, en wij lezen in de Ho-joki [68], dat Chomei zich verbeeldde, dat hij in het geluid van een goudfazant de kreten van zijn moeder hoorde. Mythische schepselen, zooals de _Tengu_, hebben bepaalde eigenschappen van vogels, maar toch kunnen zij niet onder de vogels gerangschikt worden, en om die reden worden zij op een andere plaats in dit boek behandeld.

De Haan.