Mythen & Legenden van Japan

Chapter 20

Chapter 204,060 wordsPublic domain

Raiju, of het Donderdier, blijkt nauwer verbonden te zijn met den bliksem dan met den donder. Hij wordt gezien in vormen, die gelijken op een wezel, das of aap. In de _Shin-rai-ki_ ("Verslag van den Donder") lezen wij het volgende: "Op den twee en twintigsten dag der zesde maand van het tweede jaar van Meiwa (Juli 1766), viel een Donderdier te Oyama (Groote Berg) in de provincie Sagami. Het werd door een landbouwer gevangen, die het naar Yedo bracht en het voor geld op de Riyo-goku Brug liet zien. Het schepsel was iets grooter dan een kat, en geleek op een wezel: het had zwart haar, en vijf klauwen aan iederen poot. Als het goed weer was, was het zeer zacht en tam; maar vóór en tijdens een storm was het vreeselijk woest en onhandelbaar." In China wordt het Donderdier beschreven als een dier met "den kop van een aap, hoogroode lippen, oogen als spiegels en twee scherpe klauwen aan iederen poot." Tijdens een storm springt het Japansche Donderdier van den éénen boom op den anderen, en als het blijkt, dat enkele van die boomen door den bliksem zijn getroffen, dan meent men, dat dit het woeste werk is van de klauwen van het Donderdier. Dat wezen heeft, naar men zegt, evenals de Dondergod zelf, een bepaalde voorliefde voor menschelijke navels, zoodat dan ook om die reden vele bijgeloovige menschen tijdens een onweersbui trachten zoo mogelijk op hun buik te liggen. Boomschors, door het Donderdier afgescheurd, wordt zorgvuldig bewaard, en is, naar men meent, een uitstekend geneesmiddel tegen kiespijn.

De Dondervogel en de Dondervrouw.

Raicho, de Dondervogel, gelijkt op een kraai, maar hij heeft sporen van vleesch, die, zoodra zij hard tegen elkander geslagen worden, geluid voortbrengen. Het is de vogel, op wien de Keizer van Goto-bain doelde in het volgende gedicht:

"In de schaduw van den pijnboom van Shiro-Yama Rusten dondervogels, die den nacht daar doorbrengen."

Die vogels voeden zich met den boomkikker _rai_ (donder genaamd), en vliegen altijd tijdens een onweer in de lucht rond.

Er is omtrent Kaminari (Dondervrouw) weinig bekend, behalve dat zij bij zekere gelegenheid moet verschenen zijn in de gestalte van een Chineesche Keizerin.

Vreemde Denkbeelden.

Bakin maakt de opmerking, dat bij hen, die bevreesd zijn voor den donder, de _In_, of het vrouwelijke beginsel de overhand heeft, terwijl bij hen, die niet bevreesd zijn, de _Yo_ of het mannelijke beginsel overheerschend is. Dezelfde schrijver wijst op het volgende gebruik ten opzichte van hen, die ziek zijn ten gevolge van een donderbui, en wij vestigen er de aandacht op, dat de nadruk gelegd wordt op _donder_ als de verwoestenden kracht--dus eer een heftig geluid dan een fel licht: "Als iemand door den donder is getroffen, laat hem dan op zijn rug liggen en leg een levenden karper in zijn boezem. Als de karper zich beweegt en springt, zal de patiënt herstellen. Dit is onfeilbaar waar. Als de donder het vleesch verschroeit, brand dan _Ko_ (wierook) onder den neus van den lijder. Dit zal hem aan het hoesten maken, en de betoovering van den Dondergod verbreken."

Het Kind van den Dondergod.

De meeste legenden, die met Raiden en zijn verwante geesten in betrekking staan, zijn van een kwaadaardige natuur; maar in het volgende verhaal zien wij, dat het kind van den Dondergod grooten voorspoed aanbracht.

Dicht bij den Berg Hakuzan leefde eens een zeer arme landbouwer, Bimbo genaamd. Zijn stukje land was bijzonder klein, en hoewel hij daarop werkte van den vroegen morgen tot laat op den avond, kostte het hem groote moeite, voor zich en zijn vrouw genoeg rijst daarvan binnen te halen.

Op zekeren dag zag Bimbo na een langdurige droogte treurig naar zijn verdorde rijsthalmen. Toen hij daar zoo stond, en vreesde voor gebrek in de naaste toekomst, daalde plotseling de regen neder, vergezeld van heftige donderslagen. Toen Bimbo op het punt was een schuilplaats te zoeken tegen den storm, werd hij bijna verblind door een bliksemstraal, en hij bad vurig tot Buddha om bescherming. Nadat hij dit had gedaan, keek hij om zich heen, en tot zijn verbazing zag hij een klein jongetje, dat lachte en kraaide, terwijl het op den grond lag.

Bimbo nam het knaapje in zijn armen, en droeg het teeder naar zijn nederige woning, waar zijn vrouw het met verrassing en genoegen begroette. Het kind werd Raitaro, het Kind van den Donder, genoemd, en leidde bij zijn pleegouders een gelukkig leven, terwijl het zich tegenover hen zeer gehoorzaam gedroeg. Hij speelde nooit met andere kinderen, want hij vond het heerlijk in de velden rond te dolen en den stroom gade te slaan en de snelle vlucht der wolken boven zijn hoofd.

Met de komst van Raitaro kwamen ook welvaart en voorspoed in Bimbo's woning binnen, immers Raitaro kon de wolken naar zich toe wenken en ze bevelen, regendroppels uitsluitend te doen neervallen op het veld van zijn pleegvader. Toen Raikaro tot een schoonen jongeling van achttien jaar was opgegroeid, bedankte hij het echtpaar nog eens voor alles wat zij voor hem gedaan hadden, en deelde hun mede, dat hij nu afscheid van hen moest nemen.

Bijna voordat de jongeling had uitgesproken, veranderde hij plotseling in een kleinen witten draak, bleef nog een oogenblik talmen en vloog toen weg.

Het oude paar rende naar de deur. Naarmate de witte draak in den hemel opsteeg, werd hij al grooter en grooter, totdat hij achter een groote wolk was verdwenen.

Toen Bimbo en zijn vrouw gestorven waren, werd een witte draak op hun graftombe gebeeldhouwd ter herinnering aan Raitaro, het Kind van den Donder.

Shokuro en de Dondergod.

Shokuro, die op goeden voet wilde staan met Toru, het hoofd van zijn district, beloofde hem den Dondergod te zullen pakken. "Indien ik", zoo sprak Shokuro, "den navel van een mensch zou kunnen vastbinden aan het uiteinde van een vlieger, en dien op een stormachtigen dag zou oplaten, zou ik Raiden zeker kunnen pakken, daar de Dondergod niet in staat zou zijn aan zulk een maaltijd weerstand te bieden. Het is echter moeilijk een navel meester te worden."

Met dit doel ging Shokuro op reis, om voedsel voor den Dondergod te zoeken. Toen hij een boschje bereikte, zag hij een schoone vrouw, Chiyo genaamd. Zonder de minste gewetenswroeging doodde hij het meisje, en na zijn doel te hebben bereikt, wierp hij haar lijk in een diepe gracht. Hij ging toen met een verlicht gemoed op weg.

Raiden zag, terwijl hij op een wolk gezeten was, het lijk van het meisje in een gracht liggen. Hij daalde snel neer, en daar hij onder de bekoring kwam van de schoonheid van Chiyo, nam hij een navel uit zijn mond, en gaf haar het leven terug, waarna zij samen de lucht in vlogen.

Eenige dagen later was Shokuro buiten, terwijl hij jacht maakte op den Dondergod, en zijn vlieger met zijn afgrijselijk aanhangsel hoog over de boomen heen en weer vloog in den krachtigen wind. Chiyo zag den vlieger, en daalde hoe langer hoe meer. Eindelijk pakte zij hem en zag zij, wat er aan bevestigd was. Ten diepste verontwaardigd keek zij naar beneden, om te zien wie den vlieger opliet, en was zij ten hoogste verbaasd, toen zij haar moordenaar herkende. Op dat oogenblik daalde Raiden woedend neer, doch alleen om zwaar gekastijd te worden door Shokuro, die daarna vrede sloot met Chiyo, en later een beroemd man in zijn dorp werd. Dit is inderdaad een vreemde geschiedenis!

HOOFDSTUK XXII. DIERENLEGENDEN.

Dieren met Tooverkracht.

Een aantal van de volgende verhalen zijn sprookjes, die een Japansche moeder aan haar kind vertelt, want verhalen van dieren maken over de geheele wereld een diepen indruk op het gemoed van het kind. Wel werden zij in het algemeen beschouwd als sprookjes, maar er zit toch een zóó groote legendarische achtergrond achter, dat het noodzakelijk is, ze op te nemen in een boek als het onze, daar zij er toe bijdragen, ons onderwerp in een lichtere gemoedsstemming te illustreeren, waar het wonderbaarlijke met het humoristische vermengd is. Wij hebben een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan vossenlegenden, omdat dit onderwerp zoo belangrijk is, maar wij moeten toch in het oog houden, dat de bovennatuurlijke karakteristieke eigenschappen van dat dier evenzeer van toepassing zijn op den das en de kat, immers in de Japansche legenden worden alle drie dieren in verband gebracht met onnoemelijk veel kattekwaad en boosaardigheid.

De Haas.

Men neemt aan, dat de haas, evenals de vos, de schildpad, de kraanvogel en de tijger, een fabelachtig hoogen leeftijd bereikt, die zich tot niet minder dan duizend jaar uitstrekt. In Taoïstische legenden wordt vermeld, dat de haas in de maan woont, en dat hij met stamper en vijzel de kruiden fijnstampt, waaruit het Levenselixir bestaat, terwijl hij volgens andere legenden, zooals wij vroeger hebben gezien, rijst fijnstampt. Shaka Muni (Buddha) zou zich volgens de legenden in den vorm van een haas hebben opgeofferd, ten einde den honger van Indra te stillen, die het dier naar de maan sleepte, ten einde zijn bewondering te toonen. Het vel van den haas wordt wit, zoodra hij vijfhonderd jaar oud is. Wij geven hieronder de beroemde legende uit de _Kojiki_, bekend als "De Witte Haas van Inaba".

De Witte Haas van Inaba.

In oude dagen waren er één en tachtig broeders, die Prinsen van Japan waren. Met uitzondering van één broeder waren zij twistziek van aard, en brachten zij hun tijd door met zich jegens elkander op allerlei manieren kinderachtig jaloersch te betoonen. Ieder wenschte over het geheele rijk te heerschen, en bovendien had ieder het ongeluk, dat hij met Prinses van Yakami, in Inaba, wilde trouwen. Hoewel die tachtig Prinsen het in bijna alles oneens waren, in één opzicht waren zij eensgezind, en dat wel in hun hardnekkigen haat tegen den éénen broeder, die in ieder opzicht zachtmoedig en vredelievend was.

Eindelijk besloten, na heel wat nijdige woorden, de tachtig broeders, de Prinses van Yakami te gaan bezoeken, terwijl ieder der broeders het vaste besluit had genomen, de gelukkige minnaar te zullen zijn. De zachte en vriendelijke broeder vergezelde hen, niet om naar de hand der Prinses te dingen, maar als een bediende, die een grooten en zwaren zak op zijn rug droeg.

Eindelijk kwamen de tachtig Prinsen, die hun zoo slecht behandelden broeder ver achter zich hadden gelaten, bij kaap Keta aan. Zij waren op het punt, hun reis te vervolgen, toen zij een witten haas op den grond zagen liggen, die er ellendig uitzag, en die geheel van zijn haren was beroofd.

De tachtig Prinsen, die bijzonder schik hadden in den treurigen toestand van den haas, zeiden: "Als gij wilt, dat uw haren weer aangroeien, dan moet gij in zee gaan baden, en als gij dat hebt gedaan, loop dan naar den top van een hoogen berg, en laat den wind over u waaien." Na dit gezegd te hebben, vervolgden de tachtig hartelooze Prinsen hun weg.

De haas ging onmiddellijk in zee, verheugd over het vooruitzicht, dat hij zijn mooi wit vel weer zou terugkrijgen. Na gebaad te hebben, liep hij naar den top van een berg en ging daar liggen; maar spoedig begreep hij, dat de koude wind, die blies op een vel, dat pas in zout water was ondergedompeld geweest, dat vel deed barsten en aan stukken springen. Bij de vernedering, dat hij geen haren meer had, voegde zich nu de lichamelijke pijn, en hij kwam tot de ontdekking, dat de tachtig Prinsen hem schandelijk hadden bedrogen.

Terwijl de haas daar onder ondragelijke pijnen op den berg lag, kwam de vriendelijke en zachtaardige broeder aanstappen met loome schreden, moeilijk vooruitkomend, omdat hij zulk een zwaren zak had te dragen. Toen hij den weenenden haas zag, vroeg hij, hoe het kwam, dat het arme dier er zoo ongelukkig aan toe was.

"Wees zoo vriendelijk, even te blijven stilstaan," sprak de haas, "en ik zal u vertellen, hoe dat alles is geschied. Ik wilde van het eiland Oki naar Kaap Keta oversteken, daarom zeide ik aan de krokodillen: 'Ik zou zoo gaarne willen weten, hoeveel krokodillen er in zee, en hoeveel hazen er op het land zijn. Staat mij toe, dat ik begin met u te tellen.' Na deze woorden te hebben gesproken, plaatsten de krokodillen zich op een lange rij, die zich uitstrekte van het eiland Oki tot Kaap Keta. Ik liep over hun harde lichamen heen, en telde ieder afzonderlijk, terwijl ik overstapte. Toen ik den laatsten krokodil bereikt had zeide ik: 'O dwaze krokodillen, het kan mij niets schelen, hoeveel krokodillen er in zee zijn, of hoeveel hazen op het land! Ik had u alleen als een brug noodig, om mijn bestemming te kunnen bereiken.' Helaas! mijn ellendige pocherij kwam mij duur te staan, want de laatste krokodil tilde zijn kop op en beet mijn geheele vel af!"

"Nu", zoo sprak de zachtmoedige broeder, "ik moet zeggen, dat gij ongelijk hadt en verdiendet voor uw dwaasheid gestraft te worden. Is dit het einde van uw verhaal?"

"Neen," zoo vervolgde de haas. "Nauwelijks had ik die onwaardige behandeling ondergaan, of de tachtig Prinsen kwamen bij mij, en maakten mij wijs, dat ik zou kunnen worden genezen door zout water en wind. Helaas! Daar ik niet wist, dat zij mij voor den gek hielden, volgde ik hun voorschriften op, met het ellendige gevolg, dat mijn lichaam gebarsten is en mij vreeselijk pijn doet."

"Baad u in helder zoet water, arme vriend", zoo sprak de goede broeder, "en als gij dat gedaan hebt, strooi dan het stuifmeel van duinhelm over den grond en rol u daar in. Dit zal zeer zeker uw pijn stillen, uw vel genezen en uw haren weer doen groeien."

De haas wandelde langzaam naar de rivier, baadde in het water en rolde zich in het stuifmeel van duinhelm. Nauwelijks had hij dit gedaan, of zijn vel was genezen, en weer was hij bedekt met een dik haren kleed. De dankbare haas rende naar zijn weldoener. "Die tachtig gemeene en wreede broeders van u", zoo sprak hij, "zullen nooit de hand van de Prinses van Inaba winnen. Gij zijt het, die met haar zult huwen, en die over het land zult regeeren."

De voorspelling van den haas werd vervuld, immers de tachtig Prinsen slaagden niet in hun zending, terwijl de broeder, die goed en vriendelijk was geweest voor den witten haas, met de schoone Prinses trouwde en de Koning van het land werd.

De Knetterende Berg.

Een oude man en zijn vrouw hielden een witten haas. Op zekeren dag kwam een das, die het voedsel opat, dat voor het troetelkind bestemd was. Het boosaardige dier was op het punt de plaat te poetsen, toen de oude man, die zag wat er gebeurd was, den das aan een boom vastbond, en daarna naar een naburig bosch ging, om hout te hakken.

Toen de oude man vertrokken was, begon de das te huilen en de oude vrouw te smeeken, het touw los te maken. Nauwelijks had de vrouw dat gedaan of de das zwoer wraak over de behandeling, hem door den ouden man aangedaan, en holde weg.

Toen de goede witte haas hoorde, wat geschied was, ging hij op weg, om zijn meester te waarschuwen; maar tijdens zijn afwezigheid kwam de das terug, doodde de oude vrouw, nam haar gedaante aan, en veranderde haar lichaam in soep. "Ik heb een heerlijke soep klaar gemaakt," zoo sprak de das, toen de oude man van den berg was teruggekeerd. "Gij zult wel honger hebben en vermoeid zijn: ga zitten en eet smakelijk!"

De oude man, die volstrekt niet op verraad bedacht was, at de soep op en zeide, dat zij heerlijk was.

"Heerlijk?" zoo bespotte hem de das. "Ge hebt uw eigen vrouw opgegeten! Haar beenderen liggen daar ginds in den hoek", en na die woorden gesproken te hebben, verdween hij.

Terwijl de oude man overstelpt was door smart, en terwijl hij weende en zijn lot betreurde, keerde de haas terug, begreep onmiddellijk den toestand, en liep snel naar den berg, vast besloten den dood van zijn ongelukkige oude meesteres te wreken.

Toen de haas den berg bereikte, zag hij den das, die een bundel stokken op zijn rug droeg. Zachtjes kroop de haas nader en stak, zonder dat de das het merkte, de stokken in brand, die onmiddellijk begonnen te knetteren. "Wat een vreemd geluid is dit," zeide de das. "Wat is het?"

"De Knetterende Berg", antwoordde de haas.

Het vuur begon den das te branden, daarom sprong hij in een rivier en bluschte de vlammen uit; maar toen hij weer uit het water kwam, bleek het, dat zijn rug deerlijk verbrand was, en de pijn, die hij leed, veroorzaakt was door een pap met peper er in, die de verheugde haas voor dat doel had klaargemaakt.

Toen de das weer genezen was, zag hij toevallig den haas bij een boot staan, die deze had vervaardigd.

"Waar gaat gij in dat vaartuig naar toe?" vroeg de das.

"Naar de maan," antwoordde de haas, "Hebt ge misschien lust met mij mede te gaan?"

"Niet in jouw boot!" zeide de das. "Ik ken uw streken op den Knetterenden Berg maar al te goed. Maar ik zal een boot van klei voor mij zelf bouwen, en wij zullen naar de maan reizen."

De houten boot van den haas en de boot van klei van den das dreven de rivier af. Maar spoedig begon de boot van den das te breken. De haas lachte hem hoonend uit en doodde zijn vijand met zijn roeispaan. Toen het trouwe dier later naar den ouden man was teruggekeerd, ontving hij veel lof en ondervond hij de meest liefderijke verzorging van zijn dankbaren meester.

De Das.

De das heeft in de legenden veel gemeen met den vos. Hij kan zoowel de gedaante van een mensch aannemen als die der maan; maar in een aantal legenden wordt hij beschreven als een wezen vol humor, dat genoegen schept in een oolijke grap. De das wordt in de legende en in de kunst dikwijls uitgebeeld _terwijl hij een taptoe_ slaat op zijn vooruitstekenden buik, die den vorm heeft van een trommel, en om die reden worden Japansche clowns in Engeland dikwijls dassen genoemd.

Kadzutoyo en de Das.

Op zekeren dag gingen Kadzutoyo en zijn onderhoorige uit visschen. Zij hadden heel wat visch gevangen, en waren op het punt naar huis terug te keeren, toen een vreeselijke regenbui losbarstte, zoodat zij gedwongen waren te schuilen onder een wilgenboom. Nadat zij een tijd geschuild hadden, bleek het, dat er nog geen sprake van was dat de regen zou ophouden, en daar het reeds donker werd, besloten zij, in weerwil van het ongunstige weder, hun reis te vervolgen. Zij waren nog niet veel verder voortgetrokken, toen zij een jong meisje zagen, dat bitter weende. Kadzutoyo keek haar met argwaan aan, maar zijn onderhoorige was bekoord door de groote schoonheid van het meisje en vroeg wie zij was, en waarom zij in zulk een stormachtigen nacht buiten bleef toeven.

"Ach! goede heer," zeide het meisje, nog steeds weenende, "mijn verhaal is erg droevig. Ik heb langen tijd de beleedigingen en wreedheden van mijn slechte stiefmoeder verdragen, die mij bitter haat. Maar van daag spuwde zij mij en sloeg zij mij. Ik kon die bittere vernedering niet langer verdragen, en ik was op weg naar mijn tante, die in gindsch dorp woont, om daar rust en een schuilplaats te vinden, toen ik neergeveld werd door een vreemde ziekte, en gedwongen werd hier achter te blijven, totdat de pijn was bedaard."

Deze woorden maakten op den goedhartigen onderhoorige een vreeselijken indruk, en hij werd smoorlijk verliefd op het schoone meisje, maar Kadzutoyo trok, na de zaak met groote zorgvuldigheid te hebben overwogen, zijn zwaard en sloeg haar het hoofd af.

"Ach! heer," zeide de onderhoorige, "wat een vreeselijke daad is dit! Hoe kunt ge een onschuldig meisje dooden? Geloof mij, gij zult voor uw dwaasheid moeten boeten".

"Gij begrijpt het niet," antwoordde Kadzutoyo, "maar het eenige wat ik vraag, is dat gij over de zaak het stilzwijgen bewaart".

Toen zij thuiskwamen, viel Kadzutoyo spoedig in slaap; maar zijn onderhoorige ging, nadat hij had liggen tobben over den moord op het schoone meisje, naar de ouders van zijn heer en vertelde hun de geheele treurige geschiedenis.

De vader van Kadzutoyo was woedend van drift, toen hij het droevige verhaal hoorde. Hij ging dadelijk naar de kamer van zijn zoon, maakte hem wakker, en zeide: "O, ellendige moordenaar! Hoe is het mogelijk, dat gij een onschuldig meisje hebt kunnen dooden, zonder dat zij daartoe eenige aanleiding heeft gegeven! Gij hebt den eervollen naam van een _Samurai_ te schande gemaakt, een naam, die een waarborg moet zijn voor ware ridderlijkheid en voor de verdediging van zwakken en hulpeloozen. Gij hebt schande over ons huis gebracht, en het is mijn plicht, u het leven te benemen." Na die woorden gesproken te hebben, trok hij zijn zwaard.

"O Heer", antwoordde Kadzutoyo, zonder bij het flikkerende wapen een spier te vertrekken, "gij, evenmin als mijn onderhoorige begrijpt de zaak. Het is mij gegeven, enkele geheimen op te lossen, en gewapend met die wetenschap, verzeker ik u, dat ik mij niet schuldig heb gemaakt aan een dergelijke misdaad als gij u voorstelt, maar dat ik mij den eervollen naam van _samurai_ waardig heb gemaakt. Het meisje, dat ik met mijn zwaard onthoofdde, was niet sterfelijk. Ga morgen, dit verzoek ik u, met een bediende naar de plaats, waar dit tooneel zich heeft afgespeeld. Als gij het lijk van een meisje vindt, behoeft gij mij het leven niet te benemen, want dan zal ik mij zelf de buik opensnijden".

Den volgenden morgen vroeg, toen de zon nauwelijks aan den hemel was verschenen, trok de vader van Kadzutoyo, te gelijk met zijn bedienden, op reis. Toen zij de plaats bereikten, waar het drama zich had afgespeeld, zag de vader niet, zooals hij gemeend had, het lijk van een mooi meisje op den weg liggen, maar het lijk van een grooten das, waarvan de kop was afgesneden.

Toen de vader weer thuis kwam, ondervroeg hij zijn zoon: "Hoe komt het dat, wat aan uw onderhoorige een meisje toescheen, aan u een das leek te zijn?"

"O Heer", antwoordde Kadzutoyo, "het schepsel, dat ik verleden nacht zag, leek mij een meisje, maar haar schoonheid was een vreemde, en volstrekt niet zooals de schoonheid van aardsche vrouwen. Bovendien bemerkte ik, dat hoewel het hard regende, de kleeren van dat wezen niet nat werden, en toen ik dat vreemde verschijnsel had opgemerkt, begreep ik dadelijk, dat de vrouw niemand anders was dan de ééne of andere kwade geest. Het schepsel nam de gedaante aan van een lieftallig meisje, ten einde mij door haar tallooze bekoringen te betooveren, in de hoop, dat zij onze visch zou krijgen."

De oude vorst was met bewondering vervuld over de slimheid van zijn zoon. Toen hij zooveel scherpzinnigheid en voorzichtigheid had ontdekt, besloot hij afstand te doen van de regeering en Kadzutoyo in zijn plaats tot Vorst uit te roepen.

De Wonderbaarlijke Theeketel.

Op zekeren dag zette een priester van den Morinji-tempel zijn ouden theeketel op het vuur, om een kop thee te zetten. Nauwelijks had de ketel het vuur aangeraakt, of hij veranderde plotseling in den kop, den staart en de pooten van een das. De jonge priesters werden in den tempel geroepen om dat buitengewone verschijnsel te aanschouwen. Terwijl zij in stomme verbazing toekeken, sprong de das op met het lichaam van een ketel, vloog de kamer door en vloog eindelijk door de lucht. De uitgelaten das vloog voortdurend de kamer rond, en de priesters slaagden er eerst na een aantal pogingen in, het dier te vangen en het in een doos op te bergen.

Korten tijd nadat dit geschied was, kwam een ketellapper in den tempel, en de priester meende, dat het een uitstekend denkbeeld zou zijn, als hij den goeden man er toe kon brengen, zijn merkwaardigen theeketel te koopen. Daarom haalde hij den ketel uit zijn doos, want deze had nu weer zijn gewonen vorm aangenomen, en begon hij te onderhandelen, met het gevolg, dat de niets vermoedende ketellapper den ketel kocht en met zich meenam, in de overtuiging dat hij dien dag goede zaken had gemaakt bij den koop van een zoodanig artikel voor een zoo redelijken prijs.

Dien nacht werd de ketellapper wakker bij het hooren van een vreemd geluid dicht bij zijn hoofdkussen. Hij keek van onder de dekens uit en zag, dat de ketel, dien hij gekocht had, volstrekt geen ketel was, maar een slimme en levende das.