Mythen & Legenden van Japan

Chapter 19

Chapter 193,727 wordsPublic domain

Kobo Daishi werd, naarmate de tijd voortschreed, voortdurend heiliger. Gedurende een godsdienstig twistgesprek vloeide het Goddelijke Licht van hem uit, en steeds bleef hij voortgaan, een aantal wonderen te volbrengen. Hij maakte brak water zuiver, gaf de dooden het leven weder, en bleef in gemeenschap en in overleg met enkele goden. Bij een zekere gelegenheid verscheen Inari [61], de God van de Rijst, op den berg Fushimé, en nam uit de handen van den grooten heilige het offer in ontvangst, dat hij opdroeg. "Wij samen, gij en ik", zoo sprak Kobo Daishi, "zullen dit volk beschermen".

De Dood van Kobo Daishi.

Die merkwaardige heilige stierf in het jaar 834 na Christus, en volgens de berichten weende een groote menigte, zoowel leeken als priesters, op het kerkhof te Okunoin, in Koya, waar hij begraven is. Zijn dood maakte echter volstrekt niet plotseling een einde aan de wonderen, die door hem werden verricht; immers toen Keizer Saga stierf, "werd zijn doodkist op geheimzinnige wijze door de lucht naar Koya gebracht en Kobo zelf verrichtte, na uit zijn graf te zijn verrezen, de begrafenis-ceremoniën." En ook dit was nog niet het einde van de door hem verrichte wonderen, immers Keizer Uda ontving van Kobo Daishi den heiligen Doop. Toen de Keizerlijke Boodschapper, die den tempel bezocht, waar Kobo Daishi vereerd werd, niet in staat was, het gelaat van dien grooten heilige te zien, "leidde Kobo de hand van den aanbidder, en liet hem zijn knie aanraken. Nooit, zoolang hij leefde, vergat de Boodschapper dat gevoel!"

Het Wonderdadige Beeld.

In Kawasaki is een tempel, aan Kobo Daishi gewijd. De legende van die plaats schrijft haar roep van heiligheid toe aan een beeld van Kobo Daishi, dat door dien heilige zelf was gesneden tijdens zijn verblijf in China, en dat door hem aan de golven was toevertrouwd. Het dreef naar de kust, waar het gevangen werd in het net van een visscher, en verrichtte, toen het aan land was gebracht, een aantal buitengewone wonderen. De boomen in het park om den tempel, die gekweekt zijn in de gedaante van jonken onder zeil, zijn een getuigenis van de vereering, door de zeelieden aan dit heilige beeld bewezen. [62]

Nichiren.

Nichiren was de stichter der Buddhistische secte, die naar hem heet. Zijn naam beteekent Zonnelotus, en werd hem gegeven, omdat zijn moeder droomde, dat de zon op een lotus rustte, toen hij verwekt werd. Nichiren was een beeldenstormer van een zeer geprononceerd karakter. Hij had door openbaring een volledige kennis van Buddhistische mysteriën gekregen, hoewel men, als men de geschiedenis van zijn leven leest, zou hebben ondersteld, dat hij zijn merkwaardige godsdienstige kennis door inspannende studie had verworven. Tijdens zijn leven werd Japan geteisterd door een vreeselijke aardbeving, gevolgd door een verwoestenden orkaan, door pest en hongersnood. Die rampen waren zóó verschrikkelijk, dat men bad, liever te mogen sterven dan te midden van zulk een algemeene ellende te moeten leven. Nichiren zag in die groote rampen de hand van het Noodlot. Hij zag, dat godsdienst en politiek verdorven waren geworden, en dat de Natuur in opstand was gekomen tegen het groote aantal ongerechtigheden, die toen bestonden. Nichiren zag in, dat het Buddhisme niet langer uit de eenvoudige leerstellingen van Buddha bestond. Hij had zóó ijverig gestudeerd in de boeken der verschillende Buddhistische secten, dat het hem bleek, dat de priesters Shaka Muni (den Buddha) hadden verwaarloosd en in zijn plaats Amida aanbaden, een vorm, waarin zich Buddha openbaarde. En dit was nog niet het einde van hun ketterij, want het bleek hem, dat priesters en bevolking ook Kwannon en andere godheden aanbaden. Nichiren wenschte die godheden aan kant te zetten en het Buddhisme in zijn oude zuiverheid en eenvoud van opvatting te herstellen. Hij riep in één van zijn leerredenen uit: "Ontwaakt, mannen, ontwaakt! Ontwaakt en ziet om u heen. Niemand is geboren met twee vaders of met twee moeders. Ziet naar den hemel boven u: er zijn geen twee zonnen aan den hemel. Ziet naar de aarde aan uw voeten: geen twee koningen kunnen gelijktijdig over een land regeeren." Met andere woorden, hij duidde hiermede aan, dat niemand twee meesters kan dienen, en de eenige meester, dien hij waardig achtte gediend en aanbeden te worden, was Buddha zelf. Door dit geloof trachtte hij de gewone _mantra_, _Namu Amida Butsu_ weer te vervangen door _Namu Myoho Renge Kyo_ ("O, de Schrift van den Lotus der Wonderbaarlijke Wet!")

Nichiren schreef _Rissho Ankoku Ron_ ("Boek om het Land tot Rust te Brengen"), dat de voorspelling bevatte van een Mongoolschen inval en een aantal heftige aanvallen tegen de andere Buddhistische secten. Eindelijk was Hojo Tokiyori verplicht hem voor den tijd van dertig jaar naar Ito te verbannen. Hij ontsnapte echter en hernieuwde zijn heftige aanvallen op de andere secten. De vijanden van Nichiren zochten hulp bij den Regent Tokimune, die besloot, dat de monnik onthoofd moest worden, en de wraakgierige Nichiren werd ten slotte naar de kust van Koshigoye gezonden, om ter dood te worden gebracht. Terwijl hij den noodlottigen slag afwachtte, bad Nichiren tot Buddha en het zwaard brak, toen het zijn hals aanraakte. En dit was niet het eenige wonder, want onmiddellijk na het breken van het zwaard trof een bliksemschicht het paleis te Kamakura, en een hemelsch licht omgaf den heiligen Nichiren. De beambte, die met de terechtstelling was belast, kwam sterk onder den indruk van die bovennatuurlijke gebeurtenissen, en hij zond een bode naar den Regent, om uitstel der terechtstelling te vragen. Tokimune had echter reeds iemand te paard gezonden, die het bericht bracht, dat aan Nichiren genade was geschonken, en beide mannen kwamen elkaar te gemoet bij een rivier, die thans Yukiai genoemd wordt ("Ontmoetingsplaats.")

De wondervolle redding van Nichiren werd gevolgd door een nog heviger aanval op hen, die hij beschouwde als niet tot den waren godsdienst te behooren. Weer werd hij verbannen, en eindelijk koos hij den berg Minobu tot verblijfplaats. Men zegt, dat een schoone vrouw naar dien berg kwam, terwijl Nichiren bezig was te bidden. Toen de groote heilige haar zag, zeide hij: "Neem weer uw natuurlijke gedaante aan." Nadat de vrouw water had gedronken, veranderde zij in een slang van omstreeks twintig voet lengte, met ijzeren tanden en gouden schubben.

Shodo Shonin.

Shodo Shonin was de stichter van den eersten Buddhistischen tempel te Nikko, en de volgende legende heeft, naar men meent, geleid tot den bouw der heilige brug van Nikko. Toen Shodo Shonin op zekeren dag op reis was, zag hij vier wolken van een vreemden vorm van de aarde in de lucht opstijgen. Hij haastte zich voort, ten einde ze duidelijker te kunnen zien, maar kon niet ver voorttrekken, daar het hem bleek, dat zijn weg versperd werd door een woesten bergstroom. Terwijl hij bad om een middel, om zijn reis voort te zetten, verscheen een reusachtige gestalte vóór hem, gekleed in blauwe en zwarte kleederen, met een halsband van doodshoofden. Het geheimzinnige wezen schreeuwde hem van den overkant deze woorden toe: "Ik zal u helpen, zooals ik vroeger Hiuen heb geholpen." Na die woorden te hebben gesproken, wierp de Godheid twee blauwe en groene slangen over de rivier heen en zoo was de priester in staat over de brug van slangen den bergstroom over te trekken. Toen Shodo Shonin de andere oever had bereikt, verdwenen de God en zijn blauwe en groene slangen.

HOOFDSTUK XX. WAAIERS.

De Beteekenis van den Japanschen Waaier.

"Hare wapenen zijn een glimlach en een kleine waaier." Die aanhaling uit Yone Noguchi geeft slechts een beeld van één gedaante van den Japanschen waaier, de gedaante, waarmede wij, Europeanen, bekend zijn. De Japanschen waaier is niet alleen een sierlijk vrouwelijk speelgoed, dat gebruikt moet worden te zamen met een glimlach of met oogen, die van achter het ééne of andere voortreffelijk bloemenpatroon te voorschijn gluren. De waaier van Nippon heeft een bekoorlijke geschiedenis, die geheel valt buiten de innemende kunst van coquetteeren, en zij die in dit onderwerp belangstellen, doen goed, het werk van Mevrouw C.M. Salwey, _Japansche Waaiers_ te bestudeeren. Daarin zal de lezer vinden, dat de waaier uit het Land der Rijzende Zon een aantal belangrijke diensten heeft bewezen. Hij is door oude krijgslieden op het slagveld gebruikt als een middel, hun bevelen kracht bij te zetten. Bij één gelegenheid was hij het mikpunt van den boog van Nasu no Yoichi, en hoewel de door de zon duidelijk uitkomende waaier in den wind wapperde, gebonden aan een stok, die aan den dolboord van één der schepen van de Taira bevestigd was, wist Yoichi hem neer te halen.

"Helaas, de waaier! Nu wrakhout op zee. De naam van vorst Nasu Yoichi, bekwaam met den boog. Is overal verspreid."

Een bepaalde Japansche waaier van reusachtige grootte wordt gebruikt bij het feest der Zonnegodin in Ise. Er wordt een aardige geschiedenis verhaald omtrent de weduwe van Atsumori, die non was geworden, en die een priester had genezen, door hem te verkoelen door middel van den eersten dichtslaanden waaier, die door haar zou zijn uitgevonden. Één der meest belangrijke gedeelten van de Japanschen waaiers, zooals trouwens van de waaiers in het algemeen, is de haak, en daarover is de volgende legende bekend. Kashima stak bij zekere gelegenheid zijn zwaard door de aarde, met het doel de wereld te doen stilstaan, en aldus aardbevingen te voorkomen, een verschijnsel, dat nog steeds in Japan ontzettend veel voorkomt. Daarop veranderde het zwaard in steenen, en werd het _Kanamé ishi_ of de Haakrots genoemd, en dit zou de oorsprong zijn van den naam _Kanamé_, die op Japansche waaiers wordt toegepast.

Mevrouw C.M. Salwey verhaalt ons in een artikel, dat tot titel draagt: _Over symboliek en symbolische ceremoniën der Japanners_ [63], dat de dichtslaande waaier een symbool is van het leven. Zij schrijft: "De haak aan het uiteinde is het symbool van den aanvang, de daarvan straalsgewijze uitgaande leden drukken den levensweg uit... De uitwendige deelen van het raam stellen de ouders voor, de inwendige de kinderen, om aan te toonen, dat kinderen hun geheele leven onder toezicht moeten staan." Op het raam is dikwijls het oog van een kat aangebracht, wat een beeld is van het snel voortschrijden van den tijd, of ook wel vindt men er een reeks cirkels op, de ééne in den anderen geschakeld--een niet volledig patroon, dat moet aantoonen, dat "leven en wijsheid nooit kunnen worden uitgeput."

Er is een legende met betrekking tot den Japanschen waaier, die allerliefst is, en waarbij noch van oorlog, noch van wijsbegeerte sprake is. Hoewel de verhalen van den Japanschen waaier wijd verspreid en van zeer afwisselenden aard zijn, de meer teedere zijde spreekt het sterkst tot ons. De Japansche waaier, waarop een liefdedicht is geschreven en waarbij een liefdeshistorie op den achtergrond staat, is de waaier, die altijd het dierbaarst zal zijn voor hen, die nog steeds in hun hart een plaatsje vrij hebben voor het romantische. De volgende legende is ontleend aan _het Dagboek van een Winde_.

De Liefde van Asagao.

"De morgenstralen Hebben met bloemblad en bloemkelk in 't ronde Het hengsel van mijn emmer omwonden. Ik wil niet gaarne verbreken de banden Van die zachte lieflijke handen. Den put en den emmer liet ik dus staan, Ach, bied mij, beroofde, wat water aan".

_Uit het Japansch_. (Naar _Sir Edward Arnold_.)

Komagawa Miyagi, een onderhoorige van één der _daimio's_, kwam in een voorstad van Kyoto. Daar het een warme zomeravond was, huurde hij een boot, en terwijl hij al zijn zorgen op zijde zette, volgde hij met den blik een aantal meisjes met licht gekleurde kleeren, die bezig waren glimwormen te vangen. Die heldere insecten glinsterden in de lucht en op het gras, zoodat de lachende meisjes gelegenheid te over hadden, die levende juweelen te vangen, en ze een oogenblik in het haar te plaatsen, op haar opgehouden vinger, of tegen een zijden bloem op een _kimono_.

Terwijl Komagawa dit aardige tooneel gadesloeg, zag hij, dat één der dames moeite had met haar boot. Komagawa kwam haar onmiddellijk te hulp en dadelijk werd hij smoorlijk op haar verliefd. Zij bleven samen in een koelen inham der rivier toeven, en bekommerden zich niet langer om glimwormen, daar beiden vurig begeerden elkander hun liefde te betuigen.

Om hun huwelijksbeloften te bezegelen, ruilden beide gelieven, volgens een oud gebruik, hun waaiers. Op den waaier van Miyuki was een winde geteekend. Komagawa schreef een gedicht over die liefelijke bloem op zijn eigen waaier, voordat hij dien aanbood aan het meisje, dat hij beminde. Zoo wisselden zij niet alleen hun huwelijksbeloften, maar ook hun waaiers, en de winde zoowel in beeld als in vers werd het pand van hun trouw.

Na een tijd gingen de gelieven van elkander weg, om eenige dagen later elkander weer te Akasha te ontmoeten, waar hun booten toevallig vlak langs elkander heen voeren. Toen zij heel wat vriendelijke en lieve woordjes hadden gewisseld, keerden zij ieder naar hun eigen woning terug.

Toen Miyuki haar woning bereikte, nog stralend van geluk bij het denken aan haar trouwe liefde, ontdekte zij, dat haar ouders reeds een huwelijk voor haar hadden in orde gemaakt met iemand, dien het arme meisje nooit te voren had gezien.

Miyuki hoorde dat bericht met een droevig hart. Zij wist, dat kinderen verplicht waren, hun ouders te gehoorzamen, en toen zij op haar _futon_ neerlag, deed zij haar uiterste best aan den wensen harer ouders te gehoorzamen. Maar de strijd bleek vruchteloos te zijn, immers het beeld van haar minnaar kwam haar voortdurend voor den geest, en evenzoo de rivier en de flikkerende glimwormen. Zij stond dus op, kroop het huis uit en wandelde naar een bepaalde stad, in de hoop Komagawa te vinden, doch bij haar aankomst bleek het haar, dat hij vertrokken was, niemand wist waarheen.

Die bittere teleurstelling trof Miyuki ontzettend, en dagen achtereen weende zij. Haar zilte tranen stroomden zóó aanhoudend, dat zij spoedig stekeblind werd, een even hulpeloos wezen als "een vogel zonder veeren of een visch zonder vinnen".

Nadat Miyuki eenigen tijd aan haar smart had toegegeven, kwam zij tot de overtuiging, dat zij, als zij niet van gebrek wilde omkomen, iets moest doen, om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij besloot gebruik te maken van haar uitstekende stem, en op straat of in theehuizen te zingen. Haar stem, verbonden met haar schoon en roerend gelaat, vond onmiddellijk erkenning. Het publiek weende over haar droevig gezang zonder te weten waarom. Zij zong met voorliefde het kleine gedicht over de winde, dat Komagawa op zijn waaier had geschreven, daarom noemde het publiek, dat haar hoorde zingen, haar Asagao ("Winde").

Het blinde meisje werd van de ééne plaats naar de andere geleid door haar vriendin Asaka ("Zachte Geur") totdat deze door iemand vermoord werd, en Asayo dus alleen achterbleef, om haar duistere tochten te volbrengen, zonder een vriendelijke hand om haar te geleiden. Er was slechts één gedachte, die Asagao troostte, en dat was deze, dat zij misschien tijdens haar zwerftochten toevallig haar minnaar zou ontmoeten.

Toen een paar jaren voorbij waren gegaan, wilde het toeval, dat Komagawa, vergezeld van Iwashiro Takita, door zijn Daimio voor zaken was uitgezonden. Op hun reis kwamen zij een theehuis binnen. Iwashiro Takita was knorrig en uit zijn humeur, en zat in somber stilzwijgen neder, zonder dat hij zich verwaardigde, op zijn omgeving te letten. Komagawa echter keek rond, en zag op een scherm het gedicht, dat hij op de winde had vervaardigd, hetzelfde gedicht, dat hij zoo liefdevol voor Asagao had opgeteekend. Terwijl hij over die zaak nadacht, kwam de eigenaar van het theehuis het vertrek binnen. Komagawa ondervroeg hem over dit kleine minnedicht, en de eigenaar van het theehuis deed het volgende verhaal:

"Het is een uiterst treurige geschiedenis", zoo sprak hij. "Het gedicht werd gezongen door een arm blind meisje. Zij liep weg uit haar huis, omdat zij niet kon huwen met den man, dien haar ouders voor haar hadden gekozen. Zij was niet in staat in die verbintenis toe te stemmen, omdat zij reeds een minnaar had 'en dien minnaar' zoekt zij over het geheele land, steeds dit liedje over de winde zingend, in de hoop, dat zij te eeniger tijd het geluk mag hebben, hem te ontmoeten. Edele Heer, zij is juist op dit oogenblik in mijn theetuin!"

Komawaga kon nauwelijks zijn vreugde verbergen, terwijl hij verzocht, dat de eigenaar van het theehuis de blinde vrouw zou binnen brengen.

Een oogenblik later stond Asagao vóór hem. Hij zag in haar fijn en teer gelaat nog een nieuwe schoonheid, en wel die van de hoop, de schoonheid van een liefde, die helder en rein was gebleven gedurende de lange, droevige jaren van wachten.

Asagao tokkelde de _samisen_ [64]. Liefelijk en zacht zong zij:

"De stroom van zilvren regen viel, zij bevochtigde d'arme winde, De zachte dauw op de blaadjes en bloemen werd door de afgunstige zonne verwijderd."

Komagawa luisterde gespannen toe, verlangend te mogen spreken, verlangend zijn liefde te openbaren, maar hij bleef zwijgen, omdat zijn slecht opgevoede reisgenoot in de kamer bleef. Hij keek naar haar donkere oogen, die naar hem toe gekeerd waren, maar zij waren zonder uitdrukking, daar zij niets konden zien. Nog steeds tokkelde zij de _samisen_, en nog steeds klonk haar stem liefelijk en zacht en onuitsprekelijk aandoenlijk in het vertrek. Met een diep bedroefd hart en zonder een woord van liefde stuurde hij haar weg met de gebruikelijke gave. Zij vertrok uit het vertrek, als het ware bewust van een nieuwe, bittere smart. Er was iets in de stem van haar begunstiger, dat bijzonder teeder was, iets dat haar diep trof, en dit deed haar hart pijn, en deed haar smartelijk aan, zonder dat zij wist waarom.

Den volgenden dag gaf Komagawa den eigenaar van het theehuis een waaier, terwijl hij zeide: "Geef dezen waaier met dit geld aan Asagao. Zij zal het wel begrijpen." Na die woorden gesproken te hebben, vervolgde Komagawa met zijn metgezel zijn reis.

Toen Asagao den waaier had ontvangen, betastte zij dien heftig met haar kleine, witte vingers. "Wie heeft mij dien waaier en dat geld gegeven?" vroeg zij. "Ach, vertel mij, hoe de waaier er uit ziet. Is er ook een teekening van een winde op?"

De eigenaar van het theehuis keek haar vriendelijk aan. "Hij, voor wien gij gisterenavond gezongen hebt, gaf u dien waaier," zeide hij. "Er is een teekening van een winde op".

Asagao gaf een kreet van vreugde. "Gisterenavond," sprak zij zacht, "was ik weer samen met mijn minnaar! En nu, en nu ......"

Op datzelfde oogenblik kwam een bediende uit de oude woning van Asagao, die zeide, dat hij door haar ouders was gezonden, om haar weer terug te brengen. Maar Asagao, die haar oude liefde getrouw bleef, besloot ook nu nog in haar tegenstand te volharden.

Nu wilde het toeval, dat de eigenaar van dit theehuis vroeger in dienst was geweest bij den vader van Asagao. Hij had in die hoedanigheid een groote misdaad gedaan, die den dood verdiende; maar de vader van Asagao had medelijden met hem gehad. Hij had hem met een som gelds ontslagen, waardoor de misdadiger in staat werd gesteld, een zaak voor zichzelf op te zetten. Bij deze gelegenheid dacht de eigenaar van het theehuis na over de goedheid, die hem betoond was, en besloot hij _seppuki_ te plegen, opdat het kind van zijn vroegeren meester haar gezicht zou herkrijgen door middel van zijn lever. [65]

Zoo pleegde dus de eigenaar van het theehuis zelfmoord, en Asagao kreeg haar gezicht weer terug. Dienzelfden nacht trok zij, hoewel een vreeselijke storm was losgebroken, op weg, om haar minnaar te zoeken, vergezeld door een trouwe kleine schaar bedienden. Den geheelen nacht reisde het meisje over ruwe en hobbelige wegen. Zij lette nauwelijks op den heftigen regen of op haar bloedende voeten. Zij werd aangezet door een gelukkige liefde, door de zoete hoop, haar minnaar terug te zien.

Toen zij een berg beklom, die nu in het zonlicht baadde, verbeeldde zij zich een stem te hooren, die haar naam riep. Zij keek om zich heen en ontdekte Komagawa. Toen daalde vrede over haar neer. Al de ellende van een langdurig zoeken en bijna eindeloos wachten was voorgoed vergeten, en binnen korten tijd huwden de gelieven. De winde, of de glorie van den morgen, is een bloem, die slechts enkele uren bloeit; maar de liefde van Asagao had de schoonheid der winde, verbonden met de kracht en den langen levensduur van den pijnboom. In hun huwelijksleven bleven zij trouw aan de gelofte, die zij op hun waaiers hadden afgelegd, en na haar blindheid en na veel lijden kon Asagao haar liefelijk hoofd opheffen naar den dauw en den zonneschijn der beschermende armen van haar minnaar.

HOOFDSTUK XXI. DONDER.

"De aarde is vol salpeter en zwavel, die opstijgen in den vorm van nevel, en die, na zich in de lucht te hebben verbonden, een damp worden, die de eigenschap van buskruit heeft. Als die damp de hevige hitte der zon bereikt, ontploft hij, als een natuurlijk gas; en het ontzettende geluid wordt over de geheele wereld gehoord. De schok, die dieren treft en vogels, die door de wolken trekken, slingert ze op den grond. Daarom zijn donder en bliksem, en de schepselen, die uit de wolken neerslaan, niet één en dezelfde zaak."

"_Shin-rai-ki_." (Verslag van den Donder).

Raiden.

Er zijn een aantal vreemdsoortige legenden met betrekking tot den donder, en in Bakins _Kumono Tayema Ama Yo No Tsuki_ [66] ("De Maan, die door een Scheur in een Wolk schijnt in een Regenachtigen Nacht"), heeft de beroemde Japansche romanschrijver, die een innig geloof heeft in een aantal bijgeloovigheden van zijn land, heel wat te vertellen met betrekking tot Raiden, den God van den Donder, en de bovennatuurlijke wezens, die met hem in betrekking staan. Raiden wordt gewoonlijk uitgebeeld met een roode huid, met het gelaat van een boozen geest, met twee klauwen aan iederen voet, terwijl hij op zijn rug een groot wiel van trommels draagt. Men vindt hem dikwijls in gezelschap van Fugin of van zijn zoon Raitaro. Toen de Mongolen een inval trachtten te doen in Japan, werd hun dat belet door een grooten storm, en volgens de legende ontsnapten slechts drie man om de gebeurtenis te verhalen. De bijstand van Raiden ten gunste van Japan wordt in de Japansche kunst dikwijls uitgebeeld. Hij wordt voorgesteld als zittende op de wolken, terwijl hij den bliksem uitzendt, en een stortvloed van pijlen op de invallers afschiet. In China wordt de Dondergod beschouwd als een wezen, dat steeds op den uitkijk staat naar slecht volk. Als hij die vindt, schiet de Godin van den bliksem een spiegel af op hen, die de God wil treffen.

Het Donderdier.