Mythen & Legenden van Japan

Chapter 18

Chapter 183,857 wordsPublic domain

De Goden waren gewoon in de maand October bijeen te komen in een grooten tempel te Izumo; het doel van hun bijeenkomst was, de liefdesaangelegenheden van het volk in orde te brengen. Toen de Goden in den tempel zaten, zeide één van hen: "Waar is Miwa Daimyo-jin?" Alle Goden keken overal naar hem uit, maar hij kon niet gevonden worden. Nu was Miwa Daimyo-jin erg doof, en daardoor had hij zich vergist in den grooten dag, waarop de Goden te zamen kwamen. Toen hij te Izumo aankwam, was de bijeenkomst reeds ontbonden en alle Goden lachten uitgelaten, toen zij dit hoorden, een gelach, dat jaar aan jaar wordt herhaald bij het Lachfeest, waarover wij hebben gesproken.

De Torii.

Wij hebben in dit hoofdstuk en reeds vroeger melding gemaakt van de _torii_, en hoewel de verschillende autoriteiten op dit gebied verschillen in hun opvatting omtrent gebruik en oorsprong, is het onderwerp zeer aantrekkelijk en de studie overwaard. Volgens de populaire opvatting beteekent het woord _torii_ "hoenderplaats" of "vogelrustplaats." Op den top van dien indrukwekkende poort verkondigden de hoenders het aanbreken van den dageraad, en waarschuwden door hun gekraai de priesters om met hen morgengebeden te beginnen. In één legende wordt ons medegedeeld, dat de zon op aarde neerdaalt in den vorm van den Ho-Ho Vogel, den bode van liefde, vrede en welgezindheid, en dat zij op één der _torii_ rust.

Chamberlain is van meening, dat de afleiding van "vogelrustplaats" en de daaraan ontleende theorieën onjuist zijn, en gelooft, dat de _torii_ oorspronkelijk uit Azië afkomstig zijn. Hij schrijft in _Japansche Zaken_: "De Koreanen richten daarmede veel overeenkomende poorten op in de nabijheid van hun koninklijke paleizen; de Chineesche _p'ai lou_, die dienen, om de deugden van mannelijke of vrouwelijke verdienstelijke personen te vermelden, schijnen in vorm en in gebruik verwant te zijn; en het voorkomen van het woord _turan_ in Noord-Indie en van het woord _tori_ in Centraal-Indië, waarmede poorten worden aangeduid met vormen, die met de _torii_ treffend overeenkomen, geeft ons veel te denken." Dr. Aston is evenzeer de meening toegedaan, dat de _torii_ van buiten zijn ingevoerd, "maar is van oordeel, dat er vroeger een andere naam aan verbonden was, die oorspronkelijk 'drempel' moet hebben beteekend, voordat er de tegenwoordige gewijde begrippen aan verbonden waren." [56]

Mevrouw Salway schrijft naar aanleiding van den bouw van die poorten: "De oudste _torii_ van Japan... waren vervaardigd van gewoon ongevernist hout. Zij werden gemaakt van rechte, hooge boomstammen in hun natuurlijken toestand, hoewel zij somtijds beroofd waren van hun buitenschors. Later werd het hout geverfd in een donkere vermiljoenkleur, misschien wel om het effect te verhoogen als de achtergrond dicht begroeid was". Hoewel de _torii_ oorspronkelijk met het Shintoïsme verbonden waren, werden zij later ook door de Buddhisten overgenomen, die de eenvoudige maar schoone constructie aanzienlijk wijzigden door de hoeken der horizontale balken naar boven te buigen, en door opschriften daarop aan te brengen en verschillende soorten van versieringen.

"Het Voetbankje van den Koning".

Wat ook de oorsprong en de beteekenis der Shinto _torii_ mogen zijn, niemand zal hun bijzondere schoonheid ontkennen, en velen zullen met ons van oordeel zijn, dat het de schoonste poort ter wereld is. Misschien is de schoonste _torii_ die, welke voor den tempel van Itsukushima staat op het eiland Myajima, en deze wordt "Het Voetbankje van den Koning", "De Poorts des Lichts", of "de Waterpoort van het Heilige Eiland" genoemd.

Mevrouw Salway schrijft: "Is niet die Poort het symbool van de Goede Richting, volgens de leerstellingen van den Shinto Eeredienst, het Doel, waarnaar het gelaat moet gericht worden--'De Weg der Goden'. Zijn het niet waarschuwers, die hun mystieke boodschap als in eigenaardige teekens van den Heerscher der Goden voor de opkomende en ondergaande zon schrijven, terwijl zij door hun tegenwoordigheid de dichte weelderigheid der geheimzinnige lanen vergrooten, en zich weerspiegelen in de donkere, stille rivieren of de zilveren rimpels der Binnenzee?" Wij moet tevreden zijn met die liefelijke verklaring van het symbolisme der _torii_, want zij voert ons door de poort van tegenstrijdige theorieën, en geeft ons iets, dat ons meer voldoet dan de ingewikkelde vertakkingen der woordafleiding.

HOOFDSTUK XVIII. DE LANTAARN MET PIOENROZEN. [57]

"Ochtenddauw".

Tsuyu ("Ochtenddauw") was de eenige dochter van Iijima. Toen haar vader hertrouwde, vond zij, dat zij niet gelukkig met haar stiefmoeder kon samenwonen, zoodat er voor haar een afzonderlijke woning werd gebouwd, waar zij met haar dienstbode Yoné woonde.

Op zekeren dag kreeg Tsuyu een bezoek van den huisdokter, Yamamoto Shijo, die vergezeld was van een schoonen jongen _samurai_, Hagiwara Shinzaburo genaamd. De jongelieden werden op elkander verliefd, en bij het vertrek fluisterde Tsuyu tot Shinzaburo: "_Denk er om! als gij mij niet weer komt opzoeken, zal ik zeker sterven!_"

Shinzaburo had het beste voornemen, de schoone Tsuyu zoo dikwijls mogelijk te bezoeken. Maar de etiquette verbood hem, haar alleen te spreken, zoodat hij verplicht was te vertrouwen op de belofte van den ouden geneesheer, dat hij hem zou medenemen naar de villa, waar zijn geliefde woonde. De oude dokter echter, die meer had gezien dan het jonge volk had gemeend, onthield er zich met opzet van, zijn belofte te houden.

Tsuyu, die meende, dat de jonge schoone _samurai_ haar ontrouw was geworden, kwijnde langzaam weg en stierf. Haar trouwe dienstbode Yoné stierf eveneens kort daarna, daar zij zich niet in staat gevoelde zonder haar meesteres te leven, en zij werden naast elkander begraven op het kerkhof van Shin-Banzui-In.

Korten tijd nadat die droevige gebeurtenis had plaats gegrepen, bezocht de oude dokter Shinzaburo en vertelde hem in alle bijzonderheden den dood van Tsuyu en haar dienstbode.

Shinzaburo voelde den slag hevig. Dag en nacht was het meisje in zijn gedachten. Hij schreef haar naam op een grafsteen, plaatste offers daarvoor, en zegde een aantal gebeden op.

De Dooden keeren terug.

Toen de eerste dag van het Doodenfeest aanbrak, zette hij voedsel op de Plank der Zielen en hing hij lantarens op, om de geesten gedurende hun kort aardsch verblijf den weg te wijzen. Daar de nacht warm was en het juist volle maan was, ging hij in zijn warande zitten en bleef hij wachten. Hij was er van overtuigd, dat al die voorbereidselen niet vergeefsch zouden zijn, en hij geloofde in zijn hart, dat de ziel van Tsuyu bij hem zou komen.

Plotseling werd de stilte verbroken door het geluid van _kara-kon, kara-kon_, het zachte geklepper van de _geta_ van vrouwen. Er was iets vreemds en spookachtigs in dat geluid. Shinzaburo stond op en keek over de heining heen. Hij zag twee vrouwen. De ééne droeg een langwerpige lantaarn met zilveren pioenrozen aan den bovenkant vastgestoken; de andere droeg een mooi kleed, bedekt met patronen van herfstbloesems. Een volgend oogenblik herkende hij de liefelijke gedaante van Tsuyu en haar dienstbode Yoné.

Toen Yoné had medegedeeld, dat de gemeene oude dokter beiden had verhaald, dat Shinzaburo dood was, en de jonge _samurai_ zijn bezoeksters evenzoo had medegedeeld, dat hij ook uit dezelfde bron had vernomen, dat zijn geliefde en haar dienstbode uit het leven waren gescheiden, traden beide vrouwen het huis binnen, en brachten zij daar den nacht door, terwijl zij even vóór het opkomen der zon naar huis terugkeerden. Nachten achtereen kwamen zij op diezelfde geheimzinnige wijze en altijd droeg Yoné de brandende lantaarn met pioenrozen, terwijl beiden altijd op hetzelfde uur vertrokken.

Een Spion.

In zekeren nacht hoorde toevallig Tomozo, een der bedienden van Shinzaburo, die naast zijn meester huisde, het geluid van een vrouwenstem in het vertrek van zijn meester. Hij loerde door een spleet in één der schuifdeuren, en zag bij het licht der lantaarn, die binnen de kamer brandde, dat zijn meester met een vreemde vrouw sprak onder het muskietennet. Hun gesprek had iets zóó eigenaardigs, dat Tomozo besloot, te trachten het gelaat der vrouw te aanschouwen. Toen dit hem eindelijk gelukte, rezen zijn haren te berge en beefde hij vreeselijk, daar hij het gelaat van een doode vrouw zag, een vrouw, die reeds lang gestorven was. Er was geen vleesch op haar vingers, immers wat vroeger haar vingers geweest waren, was nu een bos rammelende beenderen. Alleen het bovengedeelte van haar lichaam was stoffelijk; beneden haar middel was niets dan een flauwe, zich bewegende schaduw. Terwijl Tomozo met afschuw op een zoo afschrikwekkend tafereel staarde, sprong de gestalte van een tweede vrouw binnen in de kamer op. Zij vloog af op de spleet en op het oog van Tomozo daarachter. Met een kreet van schrik vluchtte de spionneerende Tomozo naar het huis van Hukuodo Yusai.

De Raad van Yusai.

Yusai was een man, doorkneed in alle soorten van mysteries; maar toch maakte de geschiedenis van Tomozo een diepen indruk op hem, en hij luisterde naar iedere bijzonderheid met de groote verbazing. Toen de bediende de toedracht der zaak volledig had verteld, deelde Yusai hem mede, dat zijn meester een veroordeeld man was, als het bleek, dat de vrouw een geest was, daar liefde tusschen een levende en een doode steeds eindigde met den ondergang van den levende.

Doch onafhankelijk van die critische beoordeeling van die vreemde gebeurtenis, deed Yusai bovendien practische stappen, om den jongen _samurai_ voor een zoo droevig lot te bewaren. Den volgenden morgen besprak hij de zaak met Shinzaburo, en vertelde hem tamelijk duidelijk, dat hij een geest had liefgehad, en dat het, hoe eer hij zich van dien geest had losgemaakt, des te beter voor hem zou zijn. Hij eindigde zijn gesprek, met den jongen man den raad te geven, naar het district Shitaya, in Yanaka-no-Sasaki, te gaan, de plaats, waar die vrouwen volgens haar bewering woonden.

Het Geheim wordt onthuld.

Shinzaburo volgde den raad van Yusai, maar nergens in Yanaka-no-Sasaki kon hij de woonplaats van Tsuyu vinden. Toen hij op de terugreis was, liep hij toevallig door den tempel Shin-Banzui-In. Daar zag hij twee graven naast elkander, het ééne zonder eenig bijzonder kenteeken en zeer eenvoudig, het andere echter groot en schoon, versierd met een lantaarn met pioenrozen, die zachtjes door den wind werd bewogen. Shinzaburo herinnerde zich, dat die lantaarn volkomen gelijk was aan die, welke door Yoné werd gedragen, en een altaardienaar deelde hem mede, dat die graven die van Tsuyu en Yoné waren. Toen begreep hij de vreemde beteekenis van de woorden van Yoné: "_Wij gingen weg, en vonden een zeer kleine woning in Yanaka-no-Sasaki. Wij kunnen daar nauwelijks leven, door eenigen privaten arbeid te verrichten._" Haar huis was dus een graf. De geest van Yoné droeg de lantaarn met pioenrozen, en de geest van Tsuyu sloeg haar vleeschlooze armen om den hals van den jeugdigen _samurai_.

Heilige Toovermiddelen.

Shinzaburo, die nu ten volle bewust was van het afgrijselijke van den toestand, keerde haastig naar huis terug en vroeg raad aan den wijzen, verzienden Yusai. Die geleerde man bekende, dat hij niet in staat was, hem verder in die zaak te helpen, maar raadde hem aan, naar Ryoseki den hoogepriester van den tempel Shin-Banzui-In, te gaan, en gaf hem een brief mede, waarin was uitgelegd, wat er was geschied.

Onbewogen luisterde Ryoseki naar het verhaal van Shinzaburo, daar hij zooveel verhalen had gehoord, die op hetzelfde onderwerp, de noodlottige macht van Karma, betrekking hadden. Hij gaf den jongen man een klein gouden beeld van Buddha, en zeide hem, dat hij dit op zijn bloote lichaam moest dragen, daar het dan den levende tegen den doode zou beschermen. Ook gaf hij hem een heilige _sutra_, "Schatten-Regenende Sutra" genaamd, terwijl hij hem aanbeval, die iederen avond in huis op te zeggen; en ten slotte gaf hij hem een pakje heilige teksten. Hij moest iedere heilige strook over een opening in zijn huis plakken.

Tegen den nacht was alles in het huis van Shinzaburo in orde gebracht. Alle openingen waren met heilige teksten beplakt, en de lucht weerklonk van het opzeggen der "Schatten-Regenende Sutra", terwijl het kleine gouden beeld van Buddha zich op de borst van den _samurai_ heen en weer bewoog. Maar toch keerde de vrede dien nacht niet terug in het gemoed van Shinzaburo. Geen slaap sloot zijn vermoeide oogen, en juist op het oogenblik, dat een klok uit den tempel ophield te luiden, hoorde hij weer op nieuw het oude _karan-koron, karan-koron_, het zacht geklepper der spookachtige _geta_! Daarna hield het geluid op. Vrees en vreugde streden met elkander in het hart van Shinzaburo. Hij hield op met het opzeggen der heilige _sutra_ en keek naar buiten in het donker. Weer zag hij Tsuyu en haar dienstbode met de lantaarn met pioenrozen. Nooit had Tsuyu er zoo schoon en verlokkelijk uitgezien; maar een namelooze vrees hield hem terug. Met doodelijken angst hoorde hij de vrouwen samen spreken. Hij hoorde Yoné vertellen, dat zijne liefde verdwenen was, daar zijn deuren gesloten waren, om hem tegen haar te beveiligen; en hij hoorde Tsuyu klagen en weenen. Eindelijk liepen de vrouwen rond naar de achterzijde van het huis. Maar noch van achteren noch van voren konden zij het huis binnentreden, zóó groot was de macht van de heilige woorden van Buddha.

Het Verraad.

Toen alle pogingen van Yoné, om in het huis van Shinzaburo binnen te komen, vruchteloos waren, ging zij nacht aan nacht naar Tomozo en smeekte hem, de heilige teksten uit de woning van zijn meester te verwijderen. Telkens op nieuw beloofde Tomozo uit ontzetttende vrees, dit te doen, maar bij het aanbreken van den dag werd hij weer moedig en besloot hij den man niet te bedriegen, die altijd zoo goed voor hem was geweest, en wien hij zooveel verschuldigd was. In zekeren nacht weigerde Yoné echter, nog langer zich voor den gek te laten houden. Zij bedreigde Tomozo met haar afschuwelijken haat, als hij niet één der heilige teksten verwijderde, en bovendien trok zij een zóó verschrikkelijk gezicht, dat Tomozo bijna van schrik bezweek.

Toevallig werd Miné, de vrouw van Tomozo, wakker en hoorde zij een vreemde vrouw met haar man spreken. Toen de vrouwelijke geest verdwenen was, gaf Miné haar echtgenoot den listigen raad, dat hij er in zou toestemmen, aan het verzoek van Yoné te voldoen, als deze hem met honderd _ryo_ zou willen beloonen.

Twee nachten later, toen die slechte dienaar zijn belooning had ontvangen, gaf hij Yoné het gouden beeldje van Buddha, nam één van de heilige teksten uit het huis van zijn meester weg, en verbrandde op een akker de _sutra_, die zijn meester placht op te zeggen. Dit stelde Yoné en haar meesteres in staat, nog eens het huis van Shinzaburo binnen te treden, en van dat oogenblik af begon weer die afgrijselijke liefde voor de doode, onder den invloed van de geheimzinnige macht van Karma.

Toen Tomozo den volgenden ochtend het huis betrad, om zooals gewoonlijk zijn meester te roepen, kreeg hij op zijn kloppen geen antwoord. Eindelijk trad hij het vertrek binnen en daar lag zijn meester dood onder het muskietennet, en naast hem lagen de witte beenderen van een vrouw. De beenderen van "Morgendauw" waren gestrengeld om den nek van hem, die haar te zeer had bemind, van hem, die haar zóó hartstochtelijk had liefgehad, dat het ten slotte zijn verderf was geweest.

HOOFDSTUK XIX. KOBO DAISHI, NICHIREN, EN SHODO SHOHIN.

"Toen hij stierf, was het alsof een helder licht in het midden van een donkeren nacht was uitgegaan."

_Namudaishi_ (Naar _Arthur Lloyd)_.

De "Namudaishi".

Kobo Daishi [58] ("Eer aan den Grooten Leeraar"), die in het jaar 774 na Christus geboren was, was de heiligste en beroemdste van de Japansche Buddhistische heiligen. Hij stichtte de Shingon-Shu, een Buddhistische secte, die bekend was om haar tooverformulieren en om haar duistere en geheimzinnige leerstellingen, en men verhaalt ook, dat hij de uitvinder is van het _Hiragana_ lettergrepenschrift, een vorm van loopend schrift. In de _Namudaishi_, een Japansch gedicht over het leven van dien grooten heilige, lezen wij, dat Kobo Daishi uit China een molensteen medebracht, en enkele zaden van de theeplant, en zoo weer het gebruik van dien drank deed herleven, die in onbruik was geraakt. In hetzelfde gedicht wordt ook vermeld, dat het Kobo Daishi was, die de wereld het gebruik van steenkool leerde. Hij was vermaard als een groot prediker, maar was niet minder beroemd als schoonschrijver, schilder, beeldhouwer en reiziger.

"Een Goddelijk Wonder."

Kobo Daishi is echter voornamelijk bekend wegens de buitengewone wonderen, die hij volbracht heeft, en talloos is het aantal legenden, waarbij hij betrokken is. Reeds bij zijn geboorte werden wonderen waargenomen, immers toen hij geboren werd, scheen er een helder licht, en hij kwam ter wereld, met gevouwen handen, als in gebed. Toen hij slechts vijf jaar oud was, zat hij reeds onder de lotusbloemen en hield hij gesprekken met Buddha en hij hield alle wijsheid, die hij zoo verwierf, geheim. Zijn hart werd bewogen door de droefheid en pijnen der menschheid. Toen hij op den berg Shashin stond, trachtte hij zijn eigen leven op te offeren als zoenoffer, maar werd daarin verhinderd door een aantal engelen, die niet wilden, dat die vurige ziel door den dood onderging, voordat hij zijn bestemming had bereikt. Bij zekere gelegenheid bouwde hij een pagode van klei, en onmiddellijk werd hij omringd door de Vier Hemelsche Koningen (oorspronkelijk Hindu-godheden). De Keizerlijke Bode, die juist voorbijkwam, toen dit wonder geschiedde, was uiterst verbaasd, en beschreef den jongen Kobo Daishi als "een goddelijk wonder". Terwijl hij te Muroto was in Tosa, en met zijn gebeden bezig was, viel, zooals ons in de _Namudaishi_ wordt medegedeeld, een heldere ster uit den Hemel en kwam in zijn mond, terwijl tegen middernacht een kwaadaardige draak op hem aanviel, "maar hij spuwde daarop, en doodde hem met zijn speeksel."

In zijn negentiende jaar droeg hij de zwarte zijden kleeren van een Buddhistenpriester, en met een ijver, die hem nooit in den steek liet, zocht hij naar meer licht. "Velen zijn de wegen", zoo sprak hij, "maar het Buddhisme is de beste weg van alle." Gedurende zijn mystieke studiën kreeg hij een boek in handen, dat de Shingon-leer bevatte, een leer, die treffende overeenkomst heeft met oude Egyptische bespiegelingen. Het boek was zóó duister, dat het zelfs Kobo Daishi niet gelukte, het volkomen meester te worden; maar volstrekt niet afgeschrikt, kreeg hij van den Keizer verlof naar China te reizen, waar hij ten slotte de diepe geheimen van dat boek ontwarde, en een zóódanigen trap van heiligheid bereikte, dat deze aan het wonderbaarlijke grensde.

Gohitsu-Osho.

Toen Kobo Daishi in China was, ontbood hem de Keizer, die van zijn roem gehoord had, en vroeg hem, of hij den naam van één der kamers in het Keizerlijk paleis nog eens wilde schrijven, daar die naam was weggevaagd door den uitwisschenden vinger van den Tijd. Kobo Daishi schreef, met een penseel in iedere hand, één in zijn mond en twee tusschen de teenen, de verlangde letters op den muur, en naar aanleiding van die buitengewone verrichting noemde de Keizer hem Gohitsu-Osho ("De Priester, die met vijf penseelen schrijft").

Het schrijven op de Lucht en op het Water.

Terwijl Kobo Daishi nog in China was, ontmoette hij een jongen knaap, die aan den oever van een rivier stond. "Als gij Kobo Daishi zijt", zoo sprak deze, "wees dan wel zoo goed en schrijf op de lucht, want ik heb gehoord dat geen wonder boven uw macht is."

Kobo Daishi tilde zijn penseel op; dit bewoog zich snel in de lucht, en in de blauwe lucht werd schrift gezien, en wel letterteekens, volmaakt van vorm en verwonderlijk schoon.

Toen de knaap eveneens op de lucht had geschreven en daarbij geen mindere vaardigheid had getoond, zeide hij tot Kobo Daishi: "Wij hebben beiden op de lucht geschreven. Nu verzoek ik u, te willen schrijven op die stroomende rivier."

Kobo Daishi stemde onmiddellijk toe. Weer bewoog zich het penseel, en nu kwam er een gedicht op het water te voorschijn, en wel een gedicht tot lof van die bijzondere rivier. De letters bleven een oogenblik staan en werden toen door den snellen stroom weggevoerd.

Er schijnt een wedstrijd in tooverkracht te hebben bestaan tusschen de beide bewerkers van wonderen, immers nauwelijks waren de letters uit het gezicht verdwenen, of ook de knaap schreef op het stroomende water het teeken van den Draak en dit bleef stil staan.

Kobo Daishi, die een groot geleerde was, bemerkte onmiddellijk, dat de knaap de _ten_ had vergeten, een punt, die bij dit teeken behoorde. Toen Kobo Daishi hem op die vergissing opmerkzaam maakte, erkende de knaap, dat hij de _ten_ had vergeten, en vroeg, of de beroemde heilige die er in wilde plaatsen. Nauwelijks had Kobo Daishi dit gedaan, of het teeken van den Draak veranderde in een werkelijken Draak. Zijn staart zweepte de wateren, donderwolken ijlden door de lucht en de bliksem flikkerde. Een volgend oogenblik rees de Draak uit het water op en steeg ten hemel.

Hoewel de toovermacht van Kobo Daishi die van den knaap overtrof, vroeg hij hem, wie hij toch was en de knaap antwoordde: "Ik ben Monju Bosatu, de Meester der Wijsheid". Na die woorden te hebben gesproken, werd hij verlicht door een stralend licht; de schoonheid der Goden scheen op zijn gelaat, en evenals de Draak steeg hij ten hemel.

Hoe Kobo Daishi de Ten schilderde.

Bij zekere gelegenheid vergat Kobo Daishi de _ten_ op een tegel, die boven één der poorten van het paleis des Keizers was geplaatst [59]. De keizer beval, dat ladders zouden worden gebracht, maar Kobo Daishi bleef op den grond staan, zonder van de ladders gebruik te maken en wierp zijn penseel in de hoogte, dat de _ten_ teekende en toen weer in zijn hand terugviel.

Kino Momoye en Onomo Toku.

Kino Momoye maakte zich eens vroolijk over enkele van de letterteekens van Kobo Daishi, en zeide, dat één van die karakters geleek op een verwaanden worstelaar. Den nacht, nadat hij die flauwe grap had verteld, droomde Momoye, dat een worstelaar hem slag op slag toediende, en zelfs dat zijn tegenstander op zijn lichaam sprong en hem vreeselijke pijnen berokkende. Momoye werd wakker, en schreeuwde hard in zijn doodsangst; terwijl hij schreeuwde, zag hij, dat de worstelaar plotseling veranderde in het letterteeken, waarover hij zoo onverstandig had gelachen. Het steeg in de lucht en keerde terug naar de plaats, waar het vandaan was gekomen.

Momoye was niet de eenige, die onvoorzichtig spotte met het werk van den grooten Kobo Daishi. De legende verhaalt, dat een zekere Onomu Toku zeide, dat het letterteeken _Shu_ van den heilige veel meer had van het letterteeken "rijst". Dien nacht was er voor Onomu Toku alle reden, berouw te hebben over zijn dwaasheid, immers in zijn droom kreeg het letterteeken _Shu_ een menschelijke gedaante en werd het een reiniger van rijst, die het lichaam van den boosdoener op en neer bewoog op de wijze van hamers, die gebruikt werden om de rijst te kloppen. Toen Onomu Toku ontwaakte, bleek het, dat zijn lichaam met builen bedekt was, en dat zijn vleesch op verschillende plaatsen bloedde.

De Terugkeer van Kobo Daishi.

Toen Kobo Daishi op het punt stond China te verlaten en naar zijn eigen vaderland terug te keeren, ging hij naar het strand der zee en wierp hij zijn _vajra_ [60] over de golven der zee, en men vond die later hangen aan den tak van een pijnboom te Takano, in Japan.

Wij weten geen bijzonderheden omtrent de reis van Kobo Daishi naar zijn eigen land; maar onmiddellijk na zijn aankomst bracht hij dankoffers voor de goddelijke bescherming, die hij gedurende zijn reizen had genoten. Op den Naakten Berg maakte hij gebruik van zóó krachtige tooverformulieren, dat de vroeger geheel dorre berg overdekt werd met bloemen en boomen.