Chapter 17
1. Makura Daikoku, de gewone vorm, met een Hamer op een lotusblad. 2. Ojikara Daikoku, met zwaard en _vajra_. 3. Bika Daikoku, een priester met een Hamer in de rechter hand en een zwaard met een _vajra_-gevest in de linker hand. 4. Yasha Daikoku, met het Wiel der Wet in de rechter hand. 5. Shinda Daikoku, een knaap, zittend met een kristal in de linker hand. 6. Mahakara Daikoku, een zittende vrouw, met een baal rijst op haar hoofd.
Ebisu.
Ebisu en zijn vader Daikoku worden gewoonlijk te zamen uitgebeeld: de God van den Rijkdom gezeten op balen rijst, terwijl hij de Roode Zon met één hand tegen zijn borst drukt, en met de andere den rijkdom schenkenden Hamer vasthoudt, terwijl Ebisu wordt uitgebeeld met een hengel en een grooten _tai_ visch onder den arm.
Hotei.
Hotei, de God van het Lachen en der Tevredenheid, is één der komiekste der Japansche Goden. Hij wordt als uitermate dik voorgesteld, terwijl hij op zijn rug een linnen zak (ho-tei) draagt, waaraan hij zijn naam ontleent. In dien zak pakt hij de kostbare zaken in, maar als hij in een bijzonder speelsche bui is, gebruikt hij dien als een bewaarplaats voor vroolijke en nieuwsgierige kinderen. Somtijds wordt Hotei voorgesteld, gezeten in een gebroken en bijzonder haveloos rijtuig, dat wordt voortgetrokken door jongens; in die gedaante is hij bekend als de Wagen-Priester. Ook wordt hij geschilderd met een Chineeschen waaier in de ééne hand, en zijn zak in de andere, of terwijl hij op het ééne uiteinde van een stok den zak met kostbare zaken en op het andere uiteinde een knaap laat balanceeren.
HOOFDSTUK XVI. POPPEN EN VLINDERS.
"Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: 'Hoe kan een pop leven?' 'Wel,' antwoordde zij, 'als gij er genoeg van houdt, zal zij leven!'"
_Lafcadio Hearn._
De Engelsche en Japansche Poppen.
Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers, als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden, zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden: "Papa! Mama!" en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur, haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar, dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere wijze voor goed beschadigt.
In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: "En als gij een dergelijke, door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien, dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien, een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is." Het is die treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is.
Levende Poppen.
Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen werkelijk levend werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende, en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk.
De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen, die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de jongenspop van Tokutaro-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven.
In een zeker gezin was er een Tokutaro-San, die bijna niet minder vereerd werd dan Kishibojin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen en kinderen bidden. Die Tokutaro-San werd door kinderlooze echtparen geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop, die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een kind te verhooren. Tokutaro-San was volgens de legende zeer levendig en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den tuin in, om zich te redden!
De Laatste Rustplaats van een Pop.
Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kojin gewijd, een godheid, die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich voor, dat Kojin huist in een _enoki_-boom, en tegenover dien boom is een klein altaar en _torii_. Hier worden de overblijfselen van een oude pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken, zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige _begeerte_ het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden.
Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend als _Jomi no Sekku_, of _Hina Matsuri_, of het Poppenfeest.
Vlinders.
"Waar bijeenverzameld liggen Zachte bloesems, dra vergaan, Waait daar soms een enkel blaadje Op zijn vroeg'ren boomtak aan? Neen, 't was een vlinder, zoo licht als een blad, Die zich in 't luchtruim verheven had."
_Arakida Mortitake_. (Naar _Clara A. Walsh_.)
De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden en folk-lore. De Chineesche geleerde Rosan had, zoo wordt gezegd, bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde vleugels.
Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Japansche dichters en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te kiezen zooals "Vlinderboom", "Eenzame Vlinder", "Vlinderhulp" en dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Genso was gewoon de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer.
Vlinders, die iets goeds, en die iets slechts voorspelden.
In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs, dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met den vlinder vereenzelvigd was.
De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyoto het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen, dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed afscheid nemen van het lichaam.
"De Vliegende Haarspeld van Kocho".
Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als _De Vliegende Haarspeld van Kocho_, pleegt de heldin, Kocho, zelfmoord, op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kocho's haarspeld in een vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger, die al die ellende heeft veroorzaakt.
De Witte Vlinder.
Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een huisje achter het kerkhof van den tempel van Sozanji. Hij was een uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd, hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit, dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken naar intiemen omgang met vrouwen.
Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten.
Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant gelegen was, waar hij bleef zitten op het graf van een vrouw en daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader beschouwde, zag hij, dat er de naam "Akiko" op was geschreven, en tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld.
Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien.
"Akiko?" mompelde zijn moeder. "Toen uw oom jong was, was hij met Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende ziel." Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok, kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi:
"Daar waar de bloemen slapen, Slaap ik, Goddank! van avond. O, kom, o vlinder kom. [53]
HOOFDSTUK XVII. FEESTDAGEN.
Nieuwjaar.
De _San-ga-nichi_, of "drie dagen" van het Nieuwe Jaar, is één van de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid, om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende winterschoonmaak plaats. "In oude tijden", zoo schrijft Mevrouw Salwey, "werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den Shogun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers, om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken, dat water beteekende, aan te duiden." Niet alleen wordt het geheele huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open _shoji_ te werpen, of ook wel papiersnippers.
Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel, dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken, in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan, worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend op zuiver witte bakken. Een andere belangrijke versiering mag niet over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen.
Één van de meest schilderachtige gebruiken, dat met dit feest in verband staat en dat in het bijzonder op kinderen een grooten indruk maakt, is het Spookschip met de Zeven Goden van het Geluk aan boord, waarover wij reeds vroeger hebben gesproken. [54]
De Feestdag voor Jongens.
De _Tango no Sekku_, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op den 5_den_ Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd, zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd, beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen, speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere worden overgegeven.
Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol, en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht, dat zij tegen de krachtigste stroomingen van den tegenspoed kan strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen, en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg.
Het Doodenfeest.
Het Doodenfeest, of _Bommatsuri_, moet hier worden besproken, omdat het veel bevat, dat mythisch is. De opvatting van den Japanschen boer omtrent een toekomstig leven is niet bijzonder opgewekt. Na den dood wordt het lichaam onmiddellijk gewasschen en geschoren en dan gestoken in een helder wit gewaad--in werkelijkheid het gewaad van een pelgrim. Om den nek wordt een zakje gehangen met drie of zes _rin_ [55], welk aantal afhangt van de gewoonten der plaats, waar de overledene gewoond heeft, en die _rin_ worden met den overledene begraven. Het denkbeeld, om munten met dooden te begraven, is ontleend aan het geloof, dat allen die sterven, met uitzondering van kinderen, moeten reizen naar de Sanzu-no-Kawa, of "De Rivier der Drie Wegen". Aan den oever van die sombere rivier wacht Sodzu-Baba, de Oude Vrouw der Drie Wegen, de komst af van de zielen, te gelijk met haar echtgenoot, Ten-Datsu-Ba. Als geen drie _rin_ aan de Oude Vrouw worden betaald, neemt zij de witte kleeren van den doode weg, en hangt zij die, zonder op zijn smeekingen te letten, aan de boomen op. Dan is er nog de niet minder angstwekkende Emma-O, de Heerscher der Dooden; en als wij bij die sombere figuren nog voegen enkele van die verschrikkingen van de hellen der Buddhisten, dan behoeft het geen verbazing te wekken, dat de zachtzinnige en poëtische Japanner een feest heeft ingesteld, dat een aangename, zij het dan ook slechts een korte vertroosting schenkt van de verschrikkingen van den Hades.
Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook van snel wegsmeltende sneeuw.
Als de ochtend van den 13_den_ Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten.
Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander--dat wil zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar was--gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld.
Op den avond van den 15_den_ Juli worden de geesten van den Kring der Boetedoening of Gakido gevoed, en bovendien al die geesten, die onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakido te bezoeken. Hij had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer, als zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote priesters in alle landen "op den vijftienden dag der zevende maand" te spijzigen. Toen dit geschied was, keerde Mokenren terug en vond zijn moeder weer, springende van vreugde. In dien gelukkigen dans na veel beproevingen vinden wij de sporen terug van den oorsprong der _Bon-odori_, die plaats heeft in den derden nacht van het feest.
Als de avond van den derden nacht aanbreekt, worden voorbereidselen gemaakt voor het vertrek der geesten. Duizenden bootjes worden volgeladen met voedsel en met vriendelijke afscheidsgroeten. De vertrekkende geesten stappen in die bootjes. Liefhebbende handen plaatsen die brooze bark op rivier, meer of zee. Een kleine lantaren brandt aan den voorsteven, terwijl lichtblauwe wolken van wierook van den achtersteven opstijgen. Hearn schrijft: "Langs alle kreken, rivieren en kanalen gaan de spookachtige vloten flikkerend naar zee; en de geheele zee glinstert over den geheelen horizon van de lichten der dooden, en de zeewind is welriekend door het wierook."
Er is een pathetische bekoring in dat feest. Het is volstrekt niet alleen in Japan, dat het gevierd wordt; immers het komt overeen met het Indische _Sraddha_; maar in Japan wordt het aangeraakt door een fijnere en meer betooverende schoonheid. Niemand is tot nu toe in staat geweest, den oorsprong der _Torii_ onfeilbaar vast te stellen, die wonderlijke poort, die nergens heenleidt. Wat een bekoorlijke ingang of uitgang voor een troep ronddolende schimmen! Wat een prachtige plaats voor geesten is een Japansche tuin, met zijn meren en maanvormige brug, zijn steenen lantarens, zijn paden met zilverzand, om daarin te spelen en bij tijden te droomen! En wat een prachtige straat om daarin te wandelen is voor geesten de Eeuwigdurende Straat, die zóó nabij is aan de straat van Oude Mannen! In de volgende bewoordingen geeft Yone Noguchi de tooverpracht weer van een Japansche nacht, één van die drie nachten, als de zielen in aanraking komen met oude aardsche herinneringen:
"De geurig purpren bries van een Japanschen nacht! De oude maan, die als een tooverschip vol goud Begint te wieg'len door de zee der droomen: (Ik hoor den nooit gehoorden Schoonheidszang in 't schip der maan, Ik hoor zelfs 't zacht gefluister van hun gouden kleed). Die honderden lantarens, in liefde brandend en gebed, Bewegen zich langs weg en straat, als dolende herinnering. De zilveren muziek van 't houten schoeisel der Japansche meisjes! Zijn dit niet kleine geesten, gekomen uit den boezem van den ouden tijd? Heeft hun terugkomst soms ten doel, hun duizend wenschen, reeds vergeten, te vervullen? Hoe groot is toch de fantaisie van den Japanschen nacht Geboren uit de oude liefde en onvervulde wenschen! De droeve minnezang in den Japanschen nacht, De _samisen_ muziek van hartstocht en van tranen! De droeve harteklacht door duisternis en liefde!"
Het Lachfeest van Wasa.
In den loop van het jaar worden er een aantal andere Japansche feesten gevierd, en twee daarvan, het Poppenfeest en het Feest van Tanabata, het Wevende Meisje, zijn reeds vroeger door ons besproken. Misschien is het Lachfeest van Wasa wel het meest vreemde onder al de Japansche feesten. Gedurende de maand October vormen een aantal oude mannen een optocht, waarbij zij twee kisten vol met sinaasappelen dragen, en persimonpruimen op stokken gestoken. Die oude mannen worden gevolgd door kinderen met dezelfde vruchten op bamboestokken. Op het oogenblik, waarop de aanvoerder den tempel nadert, draait hij zich om en trekt een allerbespottelijkst gezicht, dat onmiddellijk gevolgd wordt door een onbedaarlijke lachbui. Die onweerstaanbare vroolijkheid berust op de volgende legende.