Mythen & Legenden van Japan

Chapter 16

Chapter 163,863 wordsPublic domain

Vervolgens is er Jiu-ichi-men-Kwannon, de Kwannon met-de-Elf-Gezichten. Hier wordt het gelaat van Kwannon voorgesteld als "lachend met eeuwigdurende jeugd en oneindige teederheid", en in haar schitterend uiterlijk wordt het ideaal van het goddelijk vrouwelijke voorgesteld met een onbegrensde schoonheid van opvatting. In de tiara van Jiu-ichi-men-Kwannon zijn heerlijke koppen, als het ware een straling van kleine Kwannons. Somtijds neemt de tiara van Kwannon een anderen vorm aan, zooals bij Bato-Kwannon, of Kwannon-met-den-Paardekop. De naam is eenigszins misleidend, immers zulk een sierlijk schepsel heeft in geen van de vormen, waaronder het optreedt, iets van een paardekop. Afbeeldingen van dien bijzonderen Kwannon doen ons een paard zien, in de tiara uitgesneden. Bato-Kwannon is de Godin tot wie de landbouwers bidden voor de veiligheid en de redding van hun paarden en hun vee, en men verhaalt, dat Bato-Kwannon niet alleen stomme dieren beschermt, vooral die, welke werken voor het menschdom, maar dat zij haar macht ook zóóver uitstrekt, dat zij hun geesten beschermt, en hun kalmte schenkt en een gemakkelijker leven dan zij op aarde leidden. In scherpe tegenstelling met de Kwannons, die wij reeds hebben beschreven, is Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon, die slechts één enkel gebed wil beantwoorden. De Goden der Liefde en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met die Godin, en de "Acht en Twintig Volgelingen" zijn personificaties van bepaalde sterrenbeelden. Maar in alle vormen, waarin Kwannon optreedt, behoudt zij steeds dezelfde maagdelijke schoonheid, en die Godin der Barmhartigheid wordt zeer eigenaardig, en niet ten onrechte, wel eens de Japansche Madonna genoemd.

Kwannon in de Chineesche Mythen.

In China staat Kwannon bekend onder den naam van Kwanjin, en als de geestelijke zoon van Amitâbha, maar die godheid treedt steeds op als godin, zooals haar beeltenissen zoowel in China als in Japan ons aantoonen. De Chineezen maken er aanspraak op, dat Kwanjin van Chineeschen oorsprong is, en dat zij oorspronkelijk de dochter was van den Koning der Tschou-dynastie. Zij werd door haar vader ter dood veroordeeld, omdat zij weigerde te huwen, maar het zwaard van den beul brak af, zonder een wond te veroorzaken. Men verhaalt, dat haar geest later weer ter helle ging. Er was iets zóó stralend schoon in den geest van Kwanjin, dat het feit harer tegenwoordigheid de Hel in het Paradijs veranderde. De Koning der Onderwereld zond Kwanjin terug naar de aarde, ten einde het sombere uitzicht van zijn rijk te bewaren; hij liet haar op wonderbaarlijke wijze op een lotusbloem overbrengen naar het eiland Pootoo.

Een Incarnatie van Kwannon.

Chujo Hime, een Buddhistische non, wordt meestal beschouwd als de grootste Japansche kunstenares in het borduren, uit den ouden tijd, en zij was, volgens de legende, een incarnatie van Kwannon. Chujo Hime werd door haar stiefmoeder wreed behandeld, totdat zij zich ten slotte terugtrok in den tempel van Toema-dera, en daar werkte zij aan het wonderbaarlijke borduursel van lotusdraden, dat het Paradijs der Buddhisten voorstelde. De schets is zóó voortreffelijk, dat wij ons goed kunnen voorstellen, dat de Japanners gelooven, dat de Goden de groote kunstenares bij haar werk hielpen.

Kwannon de Moeder.

Er is nog een ander merkwaardig borduurwerk, door Kano Hogai, dat Kwannon voorstelt als de Goddelijke Moeder, die uit een kristallen fleschje het water der schepping giet. Als dit water in een reeks van blaasjes neervalt, blijkt het, dat ieder blaasje een klein kindje bevat met eerbiedig gevouwen handen. Het is een prachtig stuk werk, en als men na de artistieke schoonheid te hebben bewonderd, de technische uitvoering bestudeert, dan zien wij, dat de uitvoering drie jaar heeft geduurd, en dat 12 100 verschillende nuances van zijde, en twaalf van gouddraad zijn gebruikt.

De "Drie en dertig Plaatsen" aan Kwannon Gewijd.

Er zijn drie en dertig tempels, aan Kwannon gewijd. Zij zijn alle nauwkeurig genummerd, en worden gevonden in de provincies, in de nabijheid van Kyoto. De volgende legende geeft misschien wel een verklaring van den eerbied, die voor de Saikoku Sanju-san Sho (de Drie en dertig Plaatsen) gekoesterd wordt.

Toen de groote Buddhistische abt der achtste eeuw, Tokudo Shonin, stierf, werd hij tot voor Emma-O, den Heerscher over de Dooden, geleid. Het kasteel, waarin Emma-O woonde, schitterde van zilver en goud, rose paarlen en alle soorten van glinsterende juweelen. Een licht straalde ook uit van Emma-O, en die schrikwekkende God had een glimlach op zijn gelaat. Hij ontving den uitnemenden abt met de grootst mogelijke wellevendheid, en sprak hem aldus aan:

"Tokudo Shonin, er zijn drie en dertig plaatsen, waar Kwannon haar bijzondere gunst openbaart, want weet wel, in haar grenzenlooze goedheid heeft zij zich in een aantal lichamen verdeeld, zoodat hij, die om hulp roept, niet te vergeefs zal roepen. Helaas! de menschen blijven op het slechte pad voortgaan, want zij weten van die heilige tempels niets af. Zij leven hun schandelijk leven en gaan in een groote en ontelbare menigte naar de Hel. O, hoe blind zijn zij, hoe eigenzinnig, en hoe vol van verdwaasdheid! Als zij maar één enkele bedevaart deden naar die drie en dertig tempels, die aan onze Vrouw van Barmhartigheid zijn gewijd, dan zou een rein en wonderlijk licht van hun voeten afschijnen, die geestelijk krachtig genoeg zouden worden, om alle kwaad te verpletteren en de honderd zes en dertig hellen tot stukken te verbrijzelen. Indien, in weerwil van die bedevaart, iemand bij ongeluk in de Hel valt, dan zal ik zijn plaats innemen en alle lijden op mij nemen; want, indien dit geschiedde, zou mijn verhaal over vrede een leugen zijn, en zou ik werkelijk verdienen te lijden. Hier is een lijst van de drie en dertig heilige tempels van Kwannon. Breng die lijst naar de in onrust zijnde wereld van mannen en vrouwen, en predik de eeuwigdurende barmhartigheid van Kwannon".

Nadat Tokudo zorgvuldig geluisterd had naar alles, wat Emma-O hem mededeelde, antwoordde hij: "Gij hebt mij met een zoodanige zending vereerd, maar stervelingen zijn vol twijfelingen en vol vrees, en zij zouden om het ééne of andere teeken vragen, waaruit de waarheid kan blijken van wat ik hun vertel".

Emma-O gaf den abt onmiddellijk zijn met juweelen bezet zegel, en na afscheid van hem te hebben genomen, zond hij hem weg, na hem twee bedienden te hebben medegegeven.

Terwijl die vreemde gebeurtenissen in de Onderwereld plaats grepen, bemerkten de leerlingen van Tokudo, dat niettegenstaande het lijk van hun meester reeds drie dagen en drie nachten had neergelegen, het vleesch nog niet koud was geworden. De getrouwe volgelingen begroeven het lijk niet, daar zij meenden, dat hun meester nog niet dood was. En dit was inderdaad het geval, want na eenigen tijd ontwaakte Tokudo uit zijn bewusteloosheid, en hield hij in zijn rechter hand het met juweelen bezette zegel van Emma-O.

Tokudo liet er geen tijd overheen gaan, voordat hij zijn vreemde avonturen verhaalde, en toen hij zijn verhaal had geëindigd, ging hij met zijn leerlingen ter bedevaart naar de drie en dertig heilige plaatsen, waarover de Godin der Barmhartigheid het bestuur uitoefent. [50]

Lijst der "Drie en dertig Plaatsen".

Hier volgt een volledige lijst van de "Drie en dertig Plaatsen", aan Kwannon gewijd:

1. Fudaraku-ji, te Nachi, in Kishu. 2. Kimii-dera, bij Wakayama, in Kishu. 3. Kokawa-dera, in Kishu. 4. Sefuku-ji, in Izumi. 5. Fujii-dera, in Kawachi. 6. Tsubosaka-dera, in Yamato. 7. Oka-dera, in Yamato. 8. Hase-dera, in Yamato. 9. Nan-endo, te Nara, in Yamato. 10. Mimuroto-dera, te Uji, in Yamashiro. 11. Kami Daigo-dera, te Uji, in Yamashiro. 12. Iwama-dera, in Omi. 13. Ishiyama-dera, bij Otsu, in Omi. 14. Miidera, bij Otsu, in Omi. 15. Ima-Gumano, te Kyoto, in Yamashiro. 16. Kiyomizu-dera, te Kyoto. 17. Rokuhara-dera te Kyoto. 18. Rokkaku-do, te Kyoto. 19. Kodo te Kyoto. 20. Yoshimine-dera, te Kyoto. 21. Anoji, in Tamba. 22. Sojiji, in Settsu. 23. Katsuo-dera, in Settsu. 24. Nakayma-dera, bij Kobe, in Settsu. 25. Shin Kiyomizu-dera, in Harima. 26. Hokkeji, in Harima. 27. Shosha-san, in Harima. 28. Nareai-ji, in Tango. 29. Matsunoo-dera, in Wakasa. 30. Chikubu-shima, eiland in het Meer Biwa, in Omi. 31. Chomeiji, in Omi. 32. Kwannonji, in Omi. 33. Tanigumi-dera, bij Tarui, in Mino [51].

De "Zaal van de Tweede Maan".

De Buddhistische tempel van Ni-gwarsu-do ("Zaal van de Tweede Maan") bevat een klein koperen beeld van Kwannon. Het heeft de wonderbaarlijke eigenschap, dat het warm is als levend vleesch, en sedert het beeld is weggesloten, worden in den maand Februari bepaalde godsdienstoefeningen gehouden ter eere van Kwannon, en den achttienden van iedere maand wordt het heilige beeld tentoongesteld om aangebeden te worden.

Kwannon en het Hert.

Een oude kluizenaar, Saion Zenji genaamd, koos tot verblijfplaats den berg Nariai, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, de schoonheid te aanschouwen van Ama-no-Hashidate, een smalle landtong met pijnboomen bedekt, die het Meer Iwataki en de Baai Miyazu van elkander scheidt. Ama-no-Hashidate wordt nog steeds beschouwd als één van de _Sankei_, of "Drie Groote Tafereelen" van Japan, en nog steeds wordt de berg Nariai beschouwd als de beste plek, van waar dit bekoorlijke tafereel kan worden bewonderd.

Op den Berg Nariai richtte die vriendelijke en heilige kluizenaar een kleinen tempel op ter eere van Kwannon, niet ver van een eenzamen pijnboom verwijderd. Hij bracht zijn gelukkige dagen door met neer te zien op Ama-no-Hashidate en met de Buddhistische geschriften te zingen, en zijn zoo vriendelijke inborst en vroom gedrag werden zeer op prijs gesteld door het volk, dat kwam bidden in den kleinen tempel, dien hij zoo liefdevol had opgericht voor zijn eigen genoegen en dat van anderen.

De verblijfplaats van den kluizenaar, die bij zacht en zonnig weder zeer liefelijk was, was in den wintertijd somber, immers als het sneeuwde, was de man van den omgang met menschen afgesloten. Op zeker tijdstip viel de sneeuw zóó hevig neer, dat zij op sommige plaatsen tot een hoogte van twintig voet lag opgestapeld. Dag aan dag bleef het strenge weer voortduren, en eindelijk bleek het den armen kluizenaar, dat hij hoegenaamd geen voedsel meer over had. Toen hij op zekeren morgen toevallig naar buiten keek, zag hij een hert dood in de sneeuw neerliggen. Toen hij het arme schepsel aanschouwde, dat doodgevroren was, dacht hij er aan, dat het naar de opvatting van Kwannon tegen de wet was, het vleesch van dieren te eten; maar toen hij de zaak nog eens nauwkeuriger overwoog, kwam het hem voor, dat hij zijn medeschepselen meer goed kon doen door van dat vleesch te eten dan door zich te houden aan de strenge letter der wet en zich te laten verhongeren in het gezicht van den overvloed.

Toen Saion Zenji tot dit verstandige besluit was gekomen, ging hij naar buiten en sneed een stuk van het wild af, kookte het, en at de helft op, onder talrijke dankzeggingen voor zijn behoud. Het overige gedeelte van het wild liet hij in zijn kookpan achter.

Eindelijk smolt de sneeuw, en een aantal menschen gingen op weg van het naburige dorp en bestegen den Berg Nariai, in de verwachting, dat hun goede en teerbeminde kluizenaar, voor goed van deze wereld zou zijn verdwenen. Toen zij den drempel naderden, hoorden zij verheugd, dat de oude man met heldere en luidklinkende stem de heilige Buddhistische Geschriften zong.

Het volk uit het dorp verzamelde zich om den kluizenaar, terwijl hij het verhaal van zijn redding deed. Toen zij uit nieuwsgierigheid eens een blik sloegen in zijn kookpan, zagen zij tot hun stomme verbazing, dat deze geen wild bevatte, maar een stuk hout, met goudblad bedekt. Terwijl zij zich steeds nog verbaasden en niet begrepen, wat dit beteekende, zagen zij naar het beeld van Kwannon in den kleinen tempel en bleek het, dat een stuk uit haar lendenen was gesneden, en toen zij het stuk hout daarin pasten, was de wond genezen. Toen begrepen de oude kluizenaar en het volk, dat zich om hem had verzameld, dat het hert niemand anders geweest was dan Kwannon, die in haar onbegrensde liefde en teedere barmhartigheid haar eigen goddelijk vleesch ten offer had gebracht.

Benten.

"De wilde bloemen worden slap, de ahornblaadren, Door vingers van de vorst geraakt, zij buigen zich ter aard'; Maar op den boezem van de zee Verwelken niet de bloemen uit het nat geboren Der golven, als de bloesems op het land, Noch voelen zij de kilheid van des Najaars hand",

_Yasuhide_ (Naar _Clara A. Walsh_.)

Benten, de Godin der Zee, is tevens één der zeven Godheden van het Geluk, en in romantischen zin wordt zij beschouwd als de Godin van Liefde, Schoonheid en Welsprekendheid. In de Japansche kunst wordt zij voorgesteld, rijdende op een draak of slang, wat wel de verklaring kan zijn van het feit, dat in sommige streken slangen als heilig worden beschouwd. Op afbeeldingen wordt Benten weergegeven met acht armen. Zes handen zijn boven haar hoofd uitgestoken en houden een boog, een pijl, een wiel, een zwaard, een sleutel en een heilig juweel, terwijl zij haar beide overige handen eerbiedig in gebed gekruist houdt. Zij gelijkt in menig opzicht op Kwannon, en beelden van de twee godinnen worden dikwijls bij elkander gezien, maar de tempels van Benten worden gewoonlijk op eilanden gevonden.

Benten en de Draak.

Wij hebben er reeds melding van gemaakt, dat Benten op een draak rijdt, en de volgende legende kan misschien met die bijzondere voorstelling in verband gebracht worden.

In een zeker hol leefde een geduchte draak, die de kinderen van het dorp Koshigoe verslond. In de zesde eeuw besloot Benten een einde te maken aan het ongepaste gedrag van het monster, en na een groote aardbeving te hebben doen ontstaan, ging zij op de loer liggen in de wolken boven het hol, waar de gevreesde draak zijn woonplaats had gevestigd. Benten daalde toen uit de wolken neder, trad het hol binnen, huwde den draak, en was zoo, door haar uitstekenden invloed, in staat, een einde te maken aan de slachting van kleine kinderen. Bij de aankomst van Benten verrees uit de zee het bekende eiland Enoshima [52], dat op den huidigen dag gewijd is gebleven aan de Godin der Zee.

Benten-van-het-Geboorte-Water.

Hanagaki Baishu, een jong dichter en geleerde, woonde een groot feest bij, dat gehouden werd ter viering van den wederopbouw van den tempel van Amadera. Hij wandelde door het schoone park en bereikte op zijn wandeling ook de plaats van een fontein, waar hij dikwijls zijn dorst had gelescht. Hij zag, dat wat oorspronkelijk een fontein was geweest, nu een vijver was geworden, en bovendien, dat aan één der hoeken van den vijver een bord stond, waarop de woorden geschreven waren _Tanjo-Sui_ ("Geboorte-Water") en tevens een kleine, maar aantrekkelijke tempel, aan Benten gewijd. Terwijl Baishu oplettend de veranderingen in het park van den tempel naging, voerde de wind een prachtig geschreven minnedicht naar zijn voeten. Hij raapte het op en ontdekte, dat het door een vrouwenhand was geschreven, dat de letters prachtig gevormd waren, en dat de inkt nog versch was.

Baishu keerde naar huis terug en las en herlas het gedicht. Het duurde niet lang, of hij werd verliefd op de schrijfster, en besloot ten slotte haar te huwen. Eindelijk ging hij naar den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water en riep: "O, Godin, kom mij te hulp, en sta mij bij in mijn pogingen, de vrouw te vinden, die deze door den wind naar mij toegevoerde verzen heeft geschreven!" Na zoo gebeden te hebben, besloot hij een godsdienstoefening van zeven dagen te houden, en den zevenden nacht te bestemmen aan onafgebroken vereering vóór den heiligen tempel van Benten, in het park van Amadera.

Gedurende den zevenden nacht van zijn nachtwake hoorde Baishu een stem, die riep om toegelaten te worden door de hoofdpoort van het park van den tempel. De poort werd geopend, en een oud man, in staatsiekleederen en met een zwarte muts op zijn hoofd, kwam naar voren en knielde zwijgend voor den tempel van Benten. Daarna werd de buitendeur van den tempel geheimzinnig geopend, en een bamboe-gordijn werd gedeeltelijk opgetild, waarbij een schoone knaap te voorschijn kwam, die den ouden man aldus toesprak: "Wij hebben medelijden met een jong man, die een liefdeband wenscht te sluiten, en wij hebben u geroepen, om die zaak te onderzoeken, en na te gaan, of gij de jonge lieden niet samen kunt brengen".

De oude man boog, en trok toen uit zijn mouw een touw, dat hij om het middel van Baishu bond, terwijl hij een uiteinde aanstak aan een lantaarn van den tempel, en onderwijl met de hand wuifde, alsof hij een geest wenkte, om uit den donkeren nacht te voorschijn te komen. In een oogenblik kwam een jonge maagd het park van den tempel binnen, en terwijl zij met haar waaier haar lief gezicht halverwege bedekte, knielde zij naast Baishu neder.

Daarna sprak de schoone knaap Baishu aldus toe: "Wij hebben uw gebed gehoord, en het is ons gebleken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt geleden. De vrouw, die gij lief hebt, is nu naast u geplaatst". En na die woorden te hebben gesproken, vertrok de goddelijke jongeling, en de oude man verliet het park bij den tempel.

Toen Baishu zijn dank had gebracht aan Benten-van-het-Geboorte-Water, ging hij naar huis. Toen hij de straat bereikte buiten het park, zag hij een jong meisje, en herkende hij haar dadelijk als het meisje, dat hij liefhad. Baishu sprak haar aan, en toen zij antwoordde, vervulden de vriendelijkheid en liefelijkheid van haar stem den jongen man met vreugde. Zij wandelden te zamen door de stille straten, totdat zij ten slotte aan het huis kwamen, waar Baishu woonde. Er was een oogenblik van diep zwijgen, en daarna zeide het meisje: "Benten heeft mij u tot vrouw gegeven", en de gelieven traden beiden het huis binnen.

Het huwelijk was buitengewoon voorspoedig, en de gelukkige Baishu ontdekte, dat zijn vrouw, behalve in andere huiselijke deugden, ook volmaakt bedreven was in de kunst, bloemen te rangschikken, en dat haar fijne manier van schrijven niet minder aangenaam was te zien dan haar bekoorlijke schilderijen. Baishu wist niets van haar familie af, maar daar zij hem geschonken was door de godin Benten, achtte hij het onnoodig, haar daarnaar te vragen. Er was slechts één ding, dat den verliefden Baishu vreemd voorkwam, en dat was, dat de buren totaal onkundig schenen te zijn van de tegenwoordigheid van zijn vrouw.

Toen Baishu op zekeren dag in een afgelegen gedeelte van Kyoto wandelde, zag hij, dat een bediende hem van de voordeur van een particuliere woning toewenkte. De man kwam naar hem toe, boog eerbiedig en zeide: "Wilt gij u wel verwaardigen, dit huis binnen te treden? Mijn meester verlangt er naar, de eer te hebben, met u te spreken". Baishu, die niets afwist van den bediende of van diens meester, was niet weinig verbaasd over die vreemde begroeting, maar hij liet zich toch naar de ontvangkamer geleiden en daar sprak de bewoner van het huis hem aldus toe:

"Ik bied u zeer nederig mijn verschooning aan voor de weinig vormelijke wijze, waarop ik u heb uitgenoodigd, maar ik meen gehandeld te hebben in overeenstemming met een boodschap, die ik van de godin Benten heb ontvangen. Ik heb een dochter, en daar ik er zeer op gesteld ben, een goeden echtgenoot voor haar te vinden, heb ik de door haar geschreven gedichten naar alle tempels van Benten in Kyoto gezonden. De Godin is mij nu in een droom verschenen en heeft mij medegedeeld, dat zij een uitnemenden echtgenoot voor mijn dochter had, en dat hij mij den volgenden winter zou bezoeken. Ik heb eerst niet veel gewicht gehecht aan dien droom; maar den vorigen nacht is Benten mij weer in den droom verschenen, en zeide zij mij, dat den volgenden dag de echtgenoot, dien zij voor mijn dochter had gekozen, mij een bezoek zou brengen, en dat ik dan alles omtrent het huwelijk kon in orde brengen. De Godin beschreef het uiterlijk zóó nauwkeurig, dat ik er zeker van ben, dat gij de aanstaande echtgenoot van mijn dochter zijt."

Die vreemde woorden vervulden Baishu met droefenis, en toen zijn beleefde gastheer voorstelde, hem met het meisje in kennis te brengen, was hij niet moedig genoeg, om zijn zoogenaamden schoonvader te vertellen, dat hij reeds een vrouw had. Baishu volgde zijn gastheer in een ander vertrek en tot zijn verbazing en vreugde bleek het hem, dat de dochter des huizes niemand anders was dan zijn eigen vrouw! En toch was er een fijn onderscheid tusschen beiden, immers de vrouw, die hem nu toelachte, was het lichaam van zijn vrouw, en zij die hem verschenen was voor den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water, was haar ziel. Men verhaalt ons, dat Benten dit wonder had volbracht ter wille van haar vereerders, en zoo geschiedde het, dat Baishu een vreemdsoortig dubbel huwelijksleven had met de vrouw, die hij liefhad.

Daikoku.

Daikoku, de God van den Rijkdom, Ebisu zijn zoon, de God van den Arbeid, en Hotei, de God van het Lachen en van de Tevredenheid, behooren tot dien kring der godheden, die bekend staan onder den naam van de Goden van het Geluk. Daikoku wordt voorgesteld met een Tooverhamer, die het teeken draagt van den Juweel, die den mannelijken en vrouwelijken geest personifieert, en beteekent een scheppende godheid. Een slag van zijn hamer brengt rijkdom, en zijn tweede attribuut is de Rat. Daikoku is, zooals men licht zal begrijpen, een bijzonder populaire godheid, en hij wordt dikwijls geschilderd als een voorspoedige Chineesche mijnheer, rijk uitgedost, terwijl hij meestal wordt voorgesteld staande op balen rijst, met een zak vol kostbare zaken op zijn schouder. Die vroolijke en weldadige God wordt ook wel voorgesteld, zittende op balen rijst, of zijn schatten vertoonend aan een of ander gretig kind, dat vol verwachting naar die schatten ziet; ook wel wordt hij voorgesteld, de Roode Zon met de ééne hand tegen zijn borst houdend, terwijl hij den Tooverhamer met de andere hand vasthoudt.

De Rat van Daikoku.

Het attribuut van Daikoku, een Rat, heeft een zinnebeeldige en een zedelijke beteekenis, in verband met den rijkdom, die in den zak van den God verborgen is. De Rat wordt dikwijls voorgesteld òf in een baal met rijst, waaruit zijn kop uitsteekt, of terwijl deze binnen in den zak zit, òf terwijl hij met den Hamer speelt; somtijds ziet men een groot aantal ratten.

Volgens een oude legende werden de Buddhisten afgunstig op Daikoku. Zij overlegden samen, en besloten ten slotte, dat zij den te populairen Daikoku uit den weg zouden ruimen, aan wien de Japanners gebeden en wierook aanboden. Emma-O, de Heerscher der Dooden, beloofde zijn sluwsten en verstandigsten _oni_, Shiro te zenden, die, zooals hij zeide geen moeite zou hebben, den God van den Rijkdom te overmeesteren. Shiro, wien door een musch den weg werd gewezen, ging naar het kasteel van Daikoku, maar hoewel hij hoog en laag speurde, hij kon den eigenaar niet vinden. Eindelijk ontdekte Shiro een groot magazijn, waarin hij den God van den Rijkdom zag zitten. Daikoku riep zijn Rat en beval hem te onderzoeken, wie het waagde hem lastig te vallen. Toen de Rat Shiro zag, rende hij in den tuin en bracht een takje hulst mede, waarmede hij den _oni_ verjoeg. Tot op den huidigen dag blijft Daikoku één der meest populaire Japansche Goden. Men zegt, dat deze gebeurtenis de oorsprong is van het oudejaarsavond-toovermiddel, dat bestaat uit een hulstblad en een vleeschpin, of een hulsttakje, bevestigd op den drempel van de deur van een huis, om den terugkeer van den _oni_ te beletten.

De Zes Daikoku's.