Mythen & Legenden van Japan

Chapter 15

Chapter 153,897 wordsPublic domain

De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen, die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes, den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven, waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen, dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Sakurai aan te bieden, een gelukkig denkbeeld, daar _matsu_, _ume_ en _sakura_ de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom.

De Gelieven onder den Pijnboom.

"De dageraad nadert, En de rijp valt neer Op de dennetakken; Maar der blaad'ren groen Verandert niet. Ochtend en avond Worden de blaadren verwijderd Onder hun schaduw. Toch ontbreken zij nooit. Het is een feit, Dat die denneboomen Niet al hun blaadren doen vallen; Frisch blijft hun groen, Lange eeuwen, Als de slepende Masaka wijnstok; Zelfs onder altijd groene boomen-- Het beeld van 't onveranderlijke-- Is hun roem verspreid. Als tot het laatst der dagen een symbool-- De faam der dennen, die te zamen Zijn oud geworden."

_Takasago_ (Naar _W.G. Aston_).

De _Takasago_ wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder de _No_, of classieke drama's. De _No_ werd opgevoerd door schoon gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: "Een Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien." Het onderwerp van de _Takasago_ schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst, die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd groenen boom leeren kennen:

"En nu, eindelooze wereld, Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen In priesterlijk gewaad Schadelijke invloeden wegjagen; Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten, Zullen allen het geluk omvatten; Het loflied van duizenden herfsten Het zal het volk geluk en zegen brengen, En de zang van tienduizend jaren Het leven des vorsten verlengen. En al dien tijd Zal de stem van het windje, Dat waait door de dennen, Die samen oud worden, Vreugde ons schenken.

Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere No drama ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago, waarover wij in de volgende legende zullen verhalen.

In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden, die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: "Ik zal die dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag."

Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het volgende lied:

"De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht, Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn. Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn."

Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo, die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten, waar het visschersgezin met hun dochter woonde.

Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij, dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op zekeren morgen in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat.

Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte.

Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur van dennenaalden.

Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed voor den volgenden dag.

Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven, die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt.

HOOFDSTUK XIV. SPIEGELS.

"Zooals het zwaard de ziel is van een _samurai_, zoo is de spiegel de ziel van een vrouw."

"Als de spiegel dof is, is de ziel onrein."

_Japansche Spreekwoorden._

De Beteekenis der Japansche Spiegels.

De oude Japansche metalen spiegels zijn cirkelvormig, met een bol oppervlak, terwijl de achterzijde versierd is met relieffiguren van bloemen, vogels en andere natuurtafereelen. Professor Chamberlain schrijft: "Een bijzondere eigenaardigheid kenmerkt sommige van die Japansche spiegels: het zonlicht, dat op de _voorzijde_ wordt teruggekaatst, geeft een lichtend beeld van de figuren op de _achterzijde!_ Een dergelijke vreemd verschijnsel heeft natuurlijk de aandacht der geleerden getrokken." Het is hier de plaats niet, de verschillende theorieën te vermelden, hierover gegeven; het verschijnsel zelf boezemt ons meer belang in dan verklaring van het verschijnsel; ongetwijfeld verklaart ons dit vreemde feit eenigermate de magische beteekenis van spiegels uit Nippon.

De groote grondgedachte, die aan de legenden omtrent Japansche spiegels ten grondslag ligt, is deze, dat de spiegel, door het voortdurend terugkaatsen van het gelaat van den eigenaar, de ziel zelf van den bezitter naar zich toe trekt, en zooals wij later zullen zien, kan men iets van datzelfde denkbeeld terugvinden, waar het oude, maar zeer geliefde Japansche poppen betreft.

Hidari Jingoro.

De beroemde beeldhouwer Hidari Jingoro werd bij zekere gelegenheid plotseling verliefd op een zeer bekoorlijke vrouw, die hij op straat ontmoette, toen hij zich naar zijn atelier begaf. Hij was zóózeer betooverd door haar zeldzame schoonheid, dat hij, zoodra hij zijn bestemming had bereikt, een beeld van haar begon te houwen. Tusschen de gebeitelde kleeren plaatste hij een spiegel, en wel dien, welken de bekoorlijke vrouw had laten vallen en dien haar ontstuimige minnaar dadelijk had opgeraapt. Omdat die spiegel duizenden malen dat schoone lichaam had teruggekaatst, had hij in zijn glinsterende oppervlakte lichaam en ziel van zijn eigenares opgenomen, en ten gevolge daarvan kwam het beeld tot leven, tot groote zaligheid zoowel van den beeldhouwer als van het meisje.

De Goddelijke Spiegel.

Reeds lang voordat de Japansche spiegel een voorwerp van dagelijksch gebruik in het huisgezin was geworden, had hij reeds een diepe godsdienstige beteekenis in verband met het Shintoisme. De Goddelijke Spiegel, waarin de zonnegodin staarde, berust te Isé. Er worden andere spiegels gevonden in Shinto-tempels; die spiegels vormen in werkelijkheid een voornaam bestanddeel van een tempel, die om zijn eenvoud bekend is. De spiegel "stelt een menschelijke hart voor, dat, als het volkomen vredig en zuiver is, het beeld van de godheid zelf weerkaatst." Wij lezen in de _Kojiki_, dat Izanagi zijn kinderen een gepolijste zilveren schijf aanbood, en hen beval dagelijks 's morgens en 's avonds daarvoor te knielen en het teruggekaatste beeld te onderzoeken. Hij beval hen ook, daarbij te denken aan hemelsche dingen, hun hartstochten en alle slechte gedachten te onderdrukken, opdat de schijf een reine en beminnelijke ziel zou weerkaatsen.

De Ziel van een Spiegel.

De tempel van Ogawachi-Myojin geraakte in verval, en de Shinto-priester, die belast was met het toezicht op dien tempel, Matsumura, reisde naar Kyoto, in de hoop, dat zijn verzoek aan den Shogun, dat hij zijn toestemming zou geven tot het herstel van den tempel, met een gunstigen uitslag zou worden bekroond.

Matsumura en zijn gezin namen hun intrek in een huis te Kyoto, dat den naam had bijzonder ongelukkig te zijn, en vele bewoners hadden zich reeds in den put geworpen, die aan den noordoostelijken kant van het huis gelegen was. Maar Matsumara trok zich van die verhalen niets aan, en was volstrekt niet bevreesd voor booze geesten.

In den zomer van dat jaar heerschte er in Kyoto groote droogte. Hoewel de beddingen der rivieren opdroogden en een aantal putten bij gebrek aan regen geen water meer bevatten, was de put in den tuin van Matsumura tot overloopens vol. De ellende, die het gevolg was van het gebrek aan water, dwong vele arme menschen, om bij Matsumura om water te verzoeken, en niettegenstaande zij voortdurend water schepten, verminderde het water in dien put volstrekt niet.

Op zekeren dag vond men een lijk in den put liggen, en wel dat van een bediende, die water was komen halen. In dit geval was zelfmoord volkomen uitgesloten en het scheen onmogelijk, dat hij bij toeval in het water was gevallen. Toen Matsumura van het ongeluk hoorde, ging hij een onderzoek bij den put instellen. Tot zijn verbazing bewoog zich het water met een vreemde schommelende beweging. Toen de beweging verminderde, zag hij in het heldere water de gedaante van een schoone jonge vrouw teruggekaatst. Zij raakte haar lippen aan met _beni_. Eindelijk lachte zij hem toe. Het was een vreemdsoortige glimlach, die Matsumura duizelig maakte, een glimlach, die alles uitwischte behalve het prachtige gelaat der vrouw. Hij voelde een bijna onweerstaanbaar verlangen, zich in het water te werpen, opdat hij toch die betooverende vrouw mocht bereiken en vasthouden. Hij streed echter krachtig tegen dat vreemde gevoel, en was na korten tijd in staat het huis binnen te treden, waar hij bevel gaf, dat een schutting om den put zou worden gebouwd, en dat van dat oogenblik af niemand, onder welk voorwendsel ook, daar water mocht scheppen.

Korten tijd daarna hield de droogte op. Gedurende drie dagen en drie nachten viel het water voortdurend bij stroomen neder, en een aardbeving deed de geheele stad schudden. Den derden nacht van den storm werd er hard geklopt op de deur van Matsumura. De priester ging zelf onderzoeken, wie zijn bezoeker wel zou zijn. Hij opende de deur op een kier en zag nog eens de vrouw, die hij in den put had gezien. Hij weigerde haar toe te laten, en vroeg, waarom zij zooveel onschuldige en argelooze menschen aan den dood had prijs gegeven.

De vrouw antwoordde hierop: "Helaas, goede priester, ik heb nooit begeerd, menschelijke wezens in den dood te lokken. Het is de Vergif-Draak, die in dien put huisde, en die mij tegen mijn wil dwong de menschen in den dood te lokken. Maar nu hebben de Goden den Vergif-Draak gedwongen, ergens anders te wonen, zoodat ik van nacht in staat was de plaats te verlaten, waar ik gevangen zat. Er is nu maar weinig water in den put, en als gij daarin een onderzoek doet, zult gij mijn lichaam vinden. Zorg er ter wille van mij goed voor, en ik zal niet in gebreke blijven, u te beloonen voor uw goedheid." Na die woorden te hebben gesproken, verdween zij even plotseling als zij verschenen was.

Den volgenden dag werd de put door putten-reinigers nagezien en deze vonden er oude haarversierselen in en een ouden metalen spiegel.

Daar Matsumura een verstandig man was, nam hij den spiegel en reinigde hij dien, in de meening, dat deze hem een oplossing van het geheim zou geven.

Op de achterzijde van den spiegel ontdekte hij verschillende letterteekens. Een aantal van die eigenaardige letterteekens waren te zeer uitgewischt om nog leesbaar te zijn, maar toch gelukte het hem, "derde maand, de derde dag" te ontcijferen. In oude tijden heette de derde maand Yayoi of Maand van Aangroeiïng, en daar hij zich herinnerde, dat de vrouw zich Yayoi had genoemd, begreep Matsumura, dat hij waarschijnlijk een bezoek had ontvangen van de Ziel van den Spiegel.

Matsumura droeg zooveel mogelijk zorg voor den spiegel. Hij liet dien op nieuw verzilveren en polijsten en toen dit geschied was, legde hij hem in een doos, die daarvoor opzettelijk was vervaardigd, en spiegel en doos werden geplaatst in een daarvoor bestemd vertrek in het huis.

Op zekeren dag, toen Matsumura in het vertrek gezeten was, waar de spiegel geplaatst was, zag hij Yayoi vóór zich staan, die er nog schooner uitzag dan ooit te voren, en de glans van haar schoonheid was als het maanlicht in den zomer. Nadat zij Matsumura had begroet, deelde zij hem mede, dat zij inderdaad de Ziel van den Spiegel was, en verhaalde zij, hoe zij in het bezit geraakt was van Kamo, een adellijke dame van het Keizerlijke Hof, en hoe zij een erfstuk geworden was van het Huis Fujiwara, totdat zij gedurende het tijdperk van Hogen, toen de geslachten der Taira en Minamoto in strijd geraakt waren in een put werd geworpen en daar vergeten was. Nadat zij al die dingen had medegedeeld en al de gruwelen, die zij had ondergaan onder de tyrannie van den Vergift-Draak, smeekte Yayoi, dat Matsumura den spiegel ten geschenke zou geven aan den Shogun, den Edelen Yoshimasa, die een afstammeling was van haar vroegere eigenaars, terwijl zij den priester grooten voorspoed beloofde, als hij dat deed. Voordat Yayoi vertrok, raadde zij Matsumura aan, zijn woning onmiddellijk te verlaten, daar het door een grooten watervloed zou worden weggespoeld.

Den volgenden dag verliet Matsumura het huis, en zooals Yayoi had voorspeld, werd bijna onmiddellijk daarna zijn laatste verblijfplaats weggespoeld.

Eindelijk was Matsumura in de gelegenheid, den spiegel aan den Shogun Yoshimasa aan te bieden, te gelijk met een geschreven verhaal van die vreemde gebeurtenis. De Shogun was zóó ingenomen met het geschenk, dat hij niet alleen Matsumura persoonlijk een aantal geschenken gaf, maar dat hij den priester ook een belangrijke som gelds aanbood voor het wederopbouwen van zijn tempel.

Een Spiegel en een Klok.

Toen de priesters van Mugenyama een groote klok voor hun tempel noodig hadden, vroegen zij de vrouwen in de buurt, om hare oude bronzen spiegels ten geschenke te geven, als bijdragen voor het benoodigde metaal.

Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en alle werden gaarne aangeboden, met uitzondering van den spiegel, door de vrouw van een landbouwer geschonken. Zoodra zij haar spiegel aan den priester had ingeleverd, begon zij er berouw over te hebben, dat zij dien had afgestaan. Zij herinnerde zich, hoe oud die spiegel was, hoe hij de glimlachjes en tranen van haar moeder had weerkaatst, en zelfs die van haar overgrootmoeder. Zoo dikwijls de vrouw van den landbouwer naar den tempel ging, zag zij den spiegel, die zij zoo gaarne terug had, op een grooten hoop achter een hek liggen. Zij herkende hem aan een teekening op de achterzijde, die bekend was onder den naam van de _Sho-Chiku-Bai_, of de drie zinnebeelden van den Pijnboom, den Bamboe en de Pruim. Zij verlangde vurig, haar arm uit te steken tusschen de tralies, en haar geliefden spiegel weg te rukken. Haar ziel was gelegen in de spiegelende oppervlakte, en was vermengd met de zielen, die daarin hadden gestaard, voordat zij geboren was.

Toen men bezig was met het gieten van de klok van Mugenyama, ontdekten de klokkengieters, dat één spiegel niet wilde smelten. De werklieden zeiden, dat het metaal niet wilde smelten, omdat de eigenares later berouw had gehad van haar gift, waardoor het metaal even hard was geworden als het zelfzuchtige hart van de vrouw.

Spoedig wist iedereen, wie de geefster geweest was van den spiegel, die niet wilde smelten, en daarom verdronk zich de vrouw van den landbouwer uit boosheid en schaamte, nadat zij eerst het volgende had geschreven: "Als ik dood ben, zult gij mijn spiegel kunnen smelten en alzoo de klok kunnen gieten. Mijn ziel zal naar hem toekomen, die de klok bij het luiden breekt, en ik zal hem groote rijkdommen schenken."

Toen de vrouw gestorven was, smolt haar oude spiegel onmiddellijk, en de klok werd gegoten en op haar gewone plaats opgehangen. Daar een aantal personen gehoord hadden van de boodschap, door de overleden vrouw van den landbouwer achtergelaten, kwam er een groote menigte naar den tempel, die één voor één de klok met ontzaglijk geweld luidden, in de hoop haar te breken en dus groote rijkdommen te verkrijgen. Dagen aaneen duurde dat luiden voort, totdat geraas ten slotte zóó ondragelijk was, dat de priesters de klok in een moeras rolden, waar zij voor het gezicht verborgen was.

De Spiegel van Matsuyama.

In oude tijden leefden in een afgelegen gedeelte van Japan een man en zijn vrouw; zij waren gezegend met een klein meisje, dat de lieveling en de afgod van haar ouders was. Op zekeren dag werd de man voor zaken weggeroepen naar het verwijderde Kyoto. Voordat hij wegging, zeide hij zijn dochter, dat hij, als zij braaf was en aan haar moeder gehoorzaam zou zijn, haar een geschenk zou medebrengen, dat zij op hoogen prijs zou stellen. Daarna nam de goede man afscheid, terwijl moeder en dochter hem uitgeleide deden.

Eindelijk kwam hij weer thuis, en nadat zijn vrouw en kind hem zijn grooten hoed hadden afgenomen en zijn sandalen hadden uitgetrokken, ging hij op de witte matten zitten en opende hij een mand van bamboe en lette op den verlangenden blik van zijn dochtertje. Hij nam er een prachtige pop uit en een verlakte doos met gebak, en plaatste die in haar uitgestrekte handen. Nog eens stak hij zijn hand in de mand en haalde er een metalen spiegel uit voor zijn vrouw. Zijn bolle oppervlakte was schitterend gepolijst, terwijl op de achterzijde pijnboomen en ooievaars waren gegraveerd.

De vrouw van den goeden man had nooit te voren een spiegel gezien, en toen zij er in keek, kreeg zij den indruk, dat een andere vrouw haar aankeek, zoo dikwijls zij met toenemende verbazing een blik in den spiegel sloeg. Haar man verklaarde haar het geheim, en verzocht haar, goed voor den spiegel te zorgen.

Korten tijd na die gelukkige thuiskomst en de uitdeeling dier geschenken, werd de vrouw ernstig ziek. Even vóór haar dood liet zij haar dochtertje bij zich komen en zeide: "Lieveling, zorg, als ik dood ben, goed voor uw vader, Als ik u heb verlaten, zult gij mij zeer missen. Maar neem dien spiegel, als gij u erg eenzaam en verlaten voelt, kijk dan in den spiegel, en gij zult mij steeds zien." Nadat zij die woorden had gesproken, stierf zij.

Na verloop van tijd hertrouwde de man weer, en zijn vrouw was volstrekt niet vriendelijk voor haar stiefdochter. Maar de kleine, die zich de laatste woorden van haar moeder herinnerde, trok zich dan in een hoekje terug en keek verlangend in den spiegel, waar het haar toescheen, alsof zij het gelaat van haar dierbare moeder zag, niet door smart verwrongen, zooals zij het op haar doodsbed had gezien, maar jong en schoon.

Op zekeren dag zag de stiefmoeder van het kind haar toevallig in een hoek neergehurkt over een voorwerp, dat zij niet goed kon onderscheiden, terwijl het in zich zelf iets mompelde. Die onwetende vrouw, die een hekel had aan het kind en meende, dat haar stiefdochter van haar kant ook een hekel aan haar had, verbeeldde zich, dat de kleine de ééne of andere vreemde tooverkunst volbracht--misschien wel, dat zij een beeldje maakte en daarin spelden stak. Vol van die gedachte ging de stiefmoeder naar haar echtgenoot en vertelde hem, dat zijn ondeugend kind haar best deed, haar door toovenarij te dooden.

Toen het hoofd van het gezin dit ongeloofelijke verhaal had gehoord, ging hij onmiddellijk naar de kamer van zijn dochter. Hij overviel haar onverhoeds, en zoodra het meisje hem zag, liet zij den spiegel in haar mouw vallen. Voor het eerst van haar leven werd haar vader, die zooveel van haar hield, boos op haar, en hij vreesde, dat er werkelijk eenige waarheid was in hetgeen zijn vrouw hem had verteld, en onmiddellijk deelde hij haar dat mede.

Toen zijn dochter die onrechtvaardige beschuldiging had gehoord, was zij verbaasd over de woorden van haar vader, en zij zeide hem, dat zij hem veel te veel liefhad, om ooit te trachten zijn vrouw te dooden of zelfs haar dood te wenschen, daar zij wist, hoeveel hij van deze hield.

"Wat houdt gij in uw mouw verborgen" vroeg haar vader, nog maar half overtuigd, en nog altijd niet wetende, wat hij er van moest denken.

"Den spiegel, dien gij moeder hebt geschonken, en dien zij mij op haar sterfbed heeft gegeven. Zoo dikwijls ik in het glinsterende oppervlak van den spiegel staar, zie ik het gelaat van mijn lieve moeder, jong en schoon. Als mijn hart bedroefd is--en ach! dit is in den laatsten tijd zoo dikwijls gebeurd--dan neem ik den spiegel in de hand, en het gelaat van mijn moeder, met haar zachten, vriendelijken lach, brengt mij vrede, en stelt mij in staat harde woorden en onvriendelijke blikken te verdragen".

Toen begreep de man alles en had zijn kind nog des te meer lief om haar kinderliefde. Zelfs de stiefmoeder van het kind was, toen zij wist, wat werkelijk was geschied, beschaamd en vroeg vergiffenis. En het kind, dat geloofde, dat het moeders gelaat in den spiegel had gezien, vergaf wat geschied was, en zorgen en verdriet verdwenen uit het huis.

HOOFDSTUK XV. KWANNON EN BENTEN. DAIKOKU, EBISU EN HOTEI.

"Aanbidding aan de groote barmhartige Kwannon, die boven het geluid van het gebed naar beneden ziet."

_Een Opschrift._

Kwannon.

Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, gelijkt in menig opzicht op den niet minder barmhartigen en vriendelijken Jizo; immers beiden deden afstand van de vreugde der Nirwana, ten einde vreugde en geluk aan anderen te brengen. Kwannon is echter een godheid van een meer ingewikkeld karakter dan Jizo, en hoewel zij meestal wordt uitgebeeld als een zeer schoone en heilige Japansche vrouw, neemt zij toch een aantal verschillende gedaanten aan. Wij kennen enkel Indische goden en godinnen met tallooze handen, en Kwannon wordt somtijds afgebeeld als Senjiu-Kwannon, of Kwannon-met-de-Duizend-Handen. [49] Iedere hand bevat het ééne of andere voorwerp, als moest hierdoor worden uitgedrukt, dat hier inderdaad een godin is, die in haar liefde bereid is, al het mogelijke te schenken en zooveel als in haar vermogen is, gebeden te verhooren.