Mythen & Legenden van Japan

Chapter 14

Chapter 143,800 wordsPublic domain

"Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, 'hoe kan nu de kersen-bloesem het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.' Hun twistgesprek beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide: 'Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult gij niet langer haar schoonheid vergeten.' Dit was werkelijk een kiesch en vriendelijk gezegde".

_"De Tuin van Japan"_, door _F.T. Piggott._

Kers en Pruim.

De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim, die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter Motoöri schrijft: "Indien iemand u zou vragen naar het hart van een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de zon", en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang, die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken is blijven hangen.

De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd, omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, die rijk voorzien is van een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit verbleekt. Korunushi zong aldus:

De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht, Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht, Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn. Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn"!

Naar _B.H. Chamberlain._

De hoogste lof, dien Japan aan de kers heeft gebracht, is deze: "De kersenboomen in de dorpen, gelegen in het verwijderde gebergte moesten hun bloesems terughouden totdat de bloemen in de stad verwelkt zijn, immers dan zou het volk naar buiten trekken om ook die te zien." De schoonheid van een Japansche vrouw wordt dikwijls in verband gebracht met den bloesem der kersen, terwijl haar deugd wordt vergeleken met den bloesem der pruimen.

De Camelia.

De Kostbare-Camelia van Yaegaki, met haar dubbelen stam en ontzaglijken top is reeds zeer oud en wordt als zóó heilig beschouwd, dat zij omgeven is door een schutting en dat steenen lampen daar omheen worden geplaatst. De eigenaardige gedaante van den boom, met zijn dubbelen stam, die weer in het midden samengroeit, heeft het aanzijn geschonken aan het geloof, dat die buitengewone boom het symbool is van een gelukkig huwelijksleven, en bovendien, dat goede geesten er in wonen, die altijd bereid zijn, de vurige gebeden van minnaars te verhooren.

De cameliaboom is niet altijd goed gezind. Er is een legende omtrent een boom van die soort, die in den nacht in den tuin van een _samurai_ te Matsue rondwandelde. De vreemde en onvermoeide wandelingen van den boom werden zóó talrijk, dat ten laatste de boom werd neergehouwen en men zegt, dat hij, toen hij neerviel, een stroom van bloed uitspoot.

De Cryptomeria.

Een andere boom, die hoog vereerd wordt, is de indrukwekkende cryptomeria, en er is een van die boomen, die zich uitstrekt van Utsunomiya tot Nikko, een afstand van ruim dertig kilometers. Één van die boomen heeft een middellijn van twee meters; men verhaalt, dat deze geplant is "door een deputatie, die achthonderd Buddhistische nonnen uit de provincie Wakasa vertegenwoordigde." In een verder gedeelte van dit hoofdstuk geven wij een legende, die met dien bijzonderen boom in betrekking staat.

Een Pijnboom en de God der Wegen.

In den tuin van de groote _hakaba_ (kerkhof) der Kwannondera staat een pijnboom, die rust op vier groote wortels, welken den vorm hebben van reusachtige voeten. In de nabijheid van dien boom vindt men een schutting, een altaar en een aantal _torii._ Voor het altaar rusten miniatuurpaardjes, van stroo vervaardigd. Dit zijn offers aan Koshin, den God der Wegen, als bede, dat de werkelijke paarden, waarvan zij het symbool zijn, bewaard mogen blijven voor dood of ziekte. De pijnboom staat echter niet altijd in verband met Koshin. Hij kan met recht beschreven worden als de meest huiselijke Japansche boomen, want hij neemt een in het oog vallende plaats in bij het Nieuwjaarsfeest [44]--een boom, die aan de tuindeur moet worden geplant, omdat hij geacht wordt geluk te brengen, en vooral gelukkige huwelijken.

Een Boomgeest.

Zooals wij in de volgende legenden zullen zien, is meer dan één der Japansche boomsoorten bedeeld met bovennatuurlijke macht. Er is een boomgeest, bekend als Ki-no-o-baké, die in staat is rond te wandelen en verschillende vormen aan te nemen. De boomgeest spreekt slechts weinig, en als hij gestoord wordt, verdwijnt hij in den stam of tusschen de bladeren. De geest van den God Kojin [45] huist in den _enoki_-boom aan dien God zijn alle oude kinderpoppen gewijd.

De Wonderbaarlijke Kastanje.

Prinses Hinako-Nai-Shinno verzocht, dat haar kastanjes zouden worden voorgezet; maar zij nam er slechts één, beet daarop en wierp die weg. Deze schoot wortel, en op alle kastanjes, die later daaruit voortkwamen, stonden de afdrukken van de kleine tandjes der Prinses. De kastanjeboom had, toen hij haar bij haar dood wilde vereeren, zijn toewijding op die wijze geopenbaard.

De Stille Pijnboom.

Keizer Go-Toba, die een vreeselijken hekel had aan het kwaken van kikvorschen, werd op zekeren dag gehinderd door een pijnboom, die door den wind werd bewogen. Nadat Zijne Majesteit den boom luide had bevolen, stil te zijn, bewoog zich de pijnboom nooit meer één enkel oogenblik. Die gehoorzame boom was zóózeer onder den indruk van het bevel, dat de hevigste wind niet alleen de takken niet bewoog, maar zelfs de duizenden dennenaalden volkomen onbewegelijk liet.

Wilgevrouwtje. [46]

"Ik hoorde van 't magische wierook, dat oproept de ziel van wie weg is; Ach, kon ik wat daarvan branden, 's nachts, als ik eenzaam moet wachten."

_Uit het Japansch._

In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij bleven praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met fonkelende sneeuw.

Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom, en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder zijn takken, en knielde daar neder om te bidden.

Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen, en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor timmerhout te gebruiken.

"Voor timmerhout?" zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in zijn handen verborg. "Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit, nooit, oude man!"

Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden wilgeboom wilden sparen.

De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had.

Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken.

"Achtbare dame", zoo sprak hij, "ik zal naar huis gaan. Ik zie, dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen, die liefhebben.

"Hij komt nu niet meer", antwoordde het meisje lachend.

"Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?"

"Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer."

"En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?"

"Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen wilgeboom." En met een stralenden glimlach verdween het meisje.

Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel, alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over den wilgeboom, waaronder zij zaten.

Op zekeren avond zeide hij tot haar: "Lieve kleine, wilt gij mijn vrouwtje worden--gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?"

"Ja," zeide het meisje. "Noem mij Higo ('Wilg') en vraag, ter wille van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder, en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen."

Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk gezegend met een kind, dat zij Chiyodo noemden. Hun woning was eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste menschen van geheel Japan.

Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten, kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De oud-Keizer Toba wilde in Kyoto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon [47], en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften, dat hij andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij, noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als den grooten wilgeboom.

Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: "Ach, vrouwtje", zoo sprak hij, "zij zijn op het punt onzen dierbaren wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er misschien ter eeniger tijd overheen komen".

Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden kreet. "Heitaro" zeide zijn vrouw, "het wordt donker!" De kamer is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet vallen, niet waar?"

"Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!" snikte Heitaro.

"Beste man", zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig, met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: "Ik ga u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodo wachten--Mijn haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!"

Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje was verdwenen!

De Boom van den Eenoogigen Priester.

In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak vervuld, en één van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was, werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een _tengu_ [48] veranderde.

Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond, en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden, dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen.

Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden, het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit, bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het jonge volk gepleegd.

Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde zij met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone, doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp, en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige wijze van den goeden weg lokte.

De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten cryptomeria-boom op Oki-Yama.

Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus toe: "O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat, zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere verblijfplaats voor u te zoeken."

Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was, den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. "Gij zult ze aan boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg", zoo voegde de geest van Yenoki er aan toe. "Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof, naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen, om een edeler en reiner leven te leiden." En na die woorden te hebben gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom.

Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg en bevrijdde de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp, dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama.

Het Verbranden van Drie Dwergboompjes.

Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was, trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen, om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken.

Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending, en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden, was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote, zou zijn, een schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten, en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit, met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden.

Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje.

Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn juiste waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen tegenzin, dat hij een _samurai_ was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten.

Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien _samurai_, en sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. "Maar in weerwil hiervan", zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast, die met de grootste oplettendheid toeluisterde, "zal ik, als er ooit een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen van mijn armoede verlicht."

Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst, nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast.

Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen plaats door het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur, onder de schitterende gelederen der _samurai_, die bij hem stonden, naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen, dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in zulk een armoedige uitrusting.