Chapter 13
In het Doodenfeest zien wij het krachtigste argument voor de liefde van den Japanner voor de Natuur. Dat Doodenfeest is voortgekomen uit de gedachte van een vrouw, en er is iets zóó teeders, zóó klagends in, dat het alleen van een vrouw kan afkomstig zijn. In Juli keeren de geesten van de dooden uit hun donkere woning terug. Kleine maaltijden worden voor dat groote aantal geesten gereed gemaakt, en de lantarens hangen op de kerkhoven en op de pijnboomen, die als het zinnebeeld van voorspoed aan de tuindeuren staan. De Japanners waren gewoon _hara-kiri_ [39] toe te passen, maar wij moeten niet vergeten, dat hun zielen weer terugkomen om te wandelen in een land, dat één groote tuin schijnt te zijn. En waarom komen zij terug? Zij komen met hun zachte voetstappen terug over de heuvelen en ver weg van over de zee, om nog eens naar de bloemen te zien en te wandelen in de tuinen, waar zij zoovele gelukkige uren hadden doorgebracht. Zij komen, die onzichtbare troep, als de zon helder straalt, als het schijnt, alsof de bloesems, die op den wind drijven, plotseling in vlinders veranderen, als het leven op zijn hoogtepunt is, als zij den dood en de duistere plaats, waar Emma-O heerscht, niet langer kunnen verdragen. Wat een tijd, om weer terug te keeren! Wat een stille hulde aan de Natuur, dat die groote menigte zielen weer in haar armen terugkeert tijdens het schitterendste gedeelte van den zomer.
De Japansche Vlag en de Chrysanthemum.
De meesten onzer zijn bekend met de Japansche vlag, waarop een roode zon op een witten achtergrond is geschilderd, en onze eerste gedachte is natuurlijk, dat dit zinnebeeld oorspronkelijk samenhing met de Zonnegodin. Doch wij zouden ons in dat geval zeer vergissen. Astrologische voorstellingen werden in oude dagen gevonden op de Chineesche vlaggen, en Chamberlain beschrijft ze als volgt: "De Zon met de Kraai met Drie Pooten, die daarop woont, de Maan met haar Haas [40] en haar Cassiaboom, de Roode Vogel, die de Zeven sterrenbeelden voorstelt van het zuidelijke deel van den Dierenriem, de Donkere Strijder (een Schildpad), die de zeven noordelijke sterrenbeelden omhelst, de Azuren Draak, die de zeven oostelijke, de Witte Tijger, die de zeven westelijke sterrenbeelden omhelst, en een zevende vlag, die den 'Noordelijken Schepel' (Groote Beer) voorstelt." De Chineesche vlaggen, waarop de zon en de maan geteekend waren, waren in het bijzonder van belang, omdat de zon een voorstelling is van den oudsten broeder van den Keizer en de maan van zijn zuster. In de zevende eeuw namen de Japanners die vlaggen over; maar na verloop van tijd schaften zij een aantal van de vreemde astrologische teekeningen af, die zoo dierbaar waren aan het hart der Chineezen. Toen in het jaar 1859 een nationale vlag noodzakelijk was, werd de zonnevlag zonder eenige toevoeging aangenomen; maar een enkele bol zonder stralen was niet voldoende, en een meer uitgewerkte teekening werd uitgevoerd,--de chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. Wij kunnen niet anders dan een vermoeden uitspreken omtrent het verband tusschen de zon en de chrysanthemum. Beide werden in het oude China vereerd, en wij mogen aannemen, dat de Japansche kunstenaar, toen hij de stralen van de zon wilde uitbeelden, uitstekend materiaal vond, door de bloem van een wilden chrysanthemum na te teekenen.
De chrysanthemum is de nationale bloem van Japan, en aan Nippon danken wij het kweeken van die bloem in onze streken. Mythologische tooneelen, vooral dat van het schip met wonderschatten met de Goden van het Geluk aan boord, zijn een geliefkoosde teekening, geheel gemaakt uit tallooze chrysanthemums. Booten, kasteelen, bruggen en verscheidene andere voorwerpen zijn met de grootste handigheid uit diezelfde bloem gevormd. Japan is altijd gelukkig geweest in zijn keuze van namen, en dit is nergens meer het geval geweest dan bij de namen, die het aan zijn verschillende chrysanthemums heeft gegeven. Er is poëzie in namen als "Slaperig Hoofd", "Gouden Dauw", "Witte Draak" en "Sterrennacht".
De chrysanthemum is ongetwijfeld een passend symbool voor de Keizerlijke vlag. Eens heeft hij, evenals de Engelsche roos als een herkenningsteeken dienst gedaan in den Oorlog der Chrysanthemums, een langdurigen burgeroorlog, die de natie verdeeld hield in twee vijandige partijen. Thans is de chrysanthemum het symbool van een vereenigd Rijk.
Vrouw Wit en Vrouw Geel.
Lang geleden groeiden in een weide een witte en een gele chrysanthemum vlak naast elkander. Op zekeren dag kwam een oude tuinman er langs, die een bijzondere voorliefde kreeg voor Vrouw Geel. Hij zeide haar, dat, als zij met hem mede wilde gaan, hij haar nog veel bekoorlijker zou maken, dat hij haar lekker voedsel zou geven en prachtige kleederen.
Vrouw Geel was zóó verrukt over wat de oude man zeide, dat zij haar witte zuster geheel vergat en er in toestemde, opgetild te worden, te worden gedragen in de armen van den ouden tuinman, en in zijn tuin te worden geplaatst.
Toen Vrouw Geel en haar meester vertrokken waren, weende Vrouw Wit bitter. Haar eigen eenvoudige schoonheid was geminacht; maar, wat nog veel erger was, zij was verplicht alleen in de weide achter te blijven, zonder met haar zuster, aan wie zij zoozeer was gehecht, te kunnen spreken.
Dag aan dag werd Vrouw Geel in den tuin van haar meester al schooner en schooner. Niemand zou nu de gewone veldbloem meer hebben herkend; maar hoewel haar bloemblaadjes lang en gekruld waren en haar bladeren zoo helder en goed verzorgd, dacht zij toch somtijds aan Vrouw Wit, die eenzaam op het veld stond, en verbaasde zij er zich over, hoe zij het uithield gedurende al die lange en eenzame uren.
Op zekeren dag kwam een dorpshoofd in den tuin van den ouden man, om een volmaakten chrysanthemum te zoeken, om dien naar zijn Heer te brengen als een schets voor zijn wapen [41]. Hij deelde den ouden man mede, dat hij geen mooien chrysanthemum noodig had met een aantal lange bloemblaadjes. Wat hij noodig had, was een eenvoudige witte chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. De oude man nam het dorpshoofd mede, om Vrouw Geel te zien; maar die bloem beviel hem niet, en hij nam afscheid, na den tuinman voor zijn moeite te hebben bedankt.
Op den terugweg kwam hij bij toeval op een veld, waar hij Vrouw Wit zag weenen. Zij vertelde hem de droevige geschiedenis van haar verlatenheid, en toen zij haar treurig verhaal had geëindigd, zeide haar het dorpshoofd, dat hij Vrouw Geel had gezien, maar dat hij die niet half zoo mooi vond als haar. Na die bemoedigende woorden droogde Vrouw Wit haar oogen, en zij sprong zóó hoog op, dat zij bijna van haar voetjes afbrak, toen de vriendelijke man haar meedeelde, dat hij haar wilde hebben voor het wapen van zijn heer!
Een oogenblik later werd de gelukkige Vrouw Wit in een draagstoel weggevoerd. Toen zij het paleis van den _daimio_ bereikte, prezen allen om het zeerst de merkwaardige volmaaktheid van haar vormen. Groote kunstenaars kwamen van verre en nabij, zaten naast haar en schetsten de bloem met de grootste bekwaamheid. Zij had spoedig geen spiegel meer noodig, want na niet langen tijd zag zij haar schoon, wit gelaat op de meest kostbare eigendommen van den _Daimio_. Zij zag het op zijn wapenrusting en op zijn doozen, met goudlak bedekt, op zijn dekens, kussens en kleeren. Als zij naar boven keek, kon zij haar gelaat zien in groote gebeeldhouwde paneelen. Zij werd geschilderd, als dreef zij een stroom af, en op alle mogelijke eigenaardige en schoone manieren. Iedereen was het er over eens, dat de witte chrysanthemum, met haar zestien bloemblaadjes, het mooiste wapen vormde van geheel Japan.
Terwijl het gelukkige gelaat van Vrouw Wit voor altijd vereeuwigd was op de bezittingen van den _Daimio_, was het lot, dat Vrouw Geel trof, diep beklagenswaardig. Zij had alleen voor zich zelf gebloeid en had den lof harer bezoekers even begeerig ingezogen als den dauw op haar fijn gekrulde bloemblaadjes. Op zekeren dag voelde zij echter een stijfheid in haar beenderen, en een vermindering van haar overmaat van levenskracht. Haar vroeger zoo trotsch hoofd viel voorover, en toen de oude man haar vond, tilde hij haar op en wierp haar op een hoop afval.
"Chrysanthemum-Oude-Man". [42]
Kikuo ("Chrysanthemum-Oude-Man") was de trouwe onderhoorige van Tsugaru. Op zekeren dag werd de strijdmacht van zijn meester vernietigd, en werden zijn kasteel en schoone landgoederen door den vijand in bezit genomen; maar gelukkig waren Tsugaru en Kikuo in staat, naar de bergen te ontsnappen.
Kikuo, die de liefde van zijn meester voor bloemen kende, en vooral voor den chrysanthemum, besloot die bloemen naar zijn beste vermogen te kweeken, en door zoo te handelen het verdriet en de vernedering van zijn meester in diens ballingschap iets te verminderen.
Die pogingen verheugden Tsugaru zeer, maar ongelukkig werd deze spoedig daarna ziek en stierf hij; de trouwe Kikuo weende over het graf van zijn meester. Daarna keerde hij weer naar zijn werk terug, en plantte chrysanthemums rondom het graf van zijn meester, totdat hij een rand van bijna dertig meter breedte gemaakt had, zoodat de roode, witte, rose, gele en bronskleurige bloesems hun welriekende geuren in de lucht verspreidden tot verwondering van allen, die toevallig dien weg uitkwamen.
Toen Kikuo omstreeks twee en tachtig jaar oud was, vatte hij koude en moest hij zijn nederige woning houden, waar hij ontzettende pijnen leed.
Op zekeren herfstnacht, toen hij wist, dat die geliefde bloemen, die aan zijn meester gewijd waren, op haar schoonst waren, zag hij in de veranda een aantal jonge kinderen. Toen hij ze aandachtig gadesloeg, zag hij, dat het geen kinderen van deze wereld waren.
Twee van die kleinen kwamen in de nabijheid van Kikuo en zeiden: "Wij zijn de geesten van uw chrysanthemums, en zijn hier gekomen om u te vertellen, hoezeer het ons spijt, dat gij ziek zijt. Gij hebt ons met zoo groote zorg bewaakt en liefgehad. Er was eens een man in China, Hozo genaamd, die achthonderd jaar oud werd door den dauw te drinken van de bloemen der chrysanthemums. Gaarne zouden wij uw dagen verlengen, maar helaas! de Goden hebben anders beschikt. Binnen dertig dagen zult gij sterven."
De oude man uitte den wensch, dat hij in vrede mocht sterven en drukte zijn leedwezen uit, dat hij gedwongen was, al zijn chrysanthemums achter te laten.
"Luister" zeiden de jonge geesten: "wij hebben u allen liefgehad, Kikuo, om alles wat gij voor ons gedaan hebt. Als gij sterft, zullen ook wij sterven." Nauwelijks hadden zij die woorden gesproken, of een windvlaag blies tegen de woning, en de geesten vertrokken.
Kikuo werd erger in plaats van beter, en op den dertigsten dag stierf hij. Toen bezoekers kwamen om de chrysanthemums te zien, die hij had geplant, was alles verdwenen. De dorpelingen begroeven den ouden man naast zijn meester, en in de meening, dat zij Kikuo genoegen deden, plantten zij chrysanthemums naast zijn graf; maar deze gingen allen dood, zoodra zij in den grond waren geplant. Over het graf groeit nu alleen gras. De kinderzielen der chrysanthemums praten en zingen en spelen met den geest van Kikuo.
De Violen-Bron.
Shingé en haar kameniers maakten een uitstapje naar de Vallei van Shimizutani, die tusschen de bergen Yoshino en Tsubosaka gelegen was. Shingé, vol van vreugde over de lente, liep naar de Violen-Bron, waar zij purperen, welriekende viooltjes in groote menigte ontdekte. Zij was juist op het punt de welriekende bloemen te plukken, toen een groote slang naderde, waarna zij onmiddellijk flauw viel.
Toen haar kameniers haar vonden, zagen zij, dat haar lippen purper gekleurd waren en dezelfde kleur hadden als de viooltjes, die haar omgaven, en toen zij de slang zagen, die zich nog in de nabijheid schuilhield, vreesden zij, dat haar meesteres zou sterven. Matsu had de tegenwoordigheid van geest, om haar mand bloemen naar de slang te werpen, die oogenblikkelijk wegkroop.
Op datzelfde oogenblik verscheen een schoone jongeling, en terwijl hij de meisjes zeide, dat hij geneesheer was, gaf hij Matsu een geneesmiddel, dat zij haar meesteres moest toedienen.
Terwijl Matsu Shingé de poeder in den mond bracht, nam de dokter een stok op, verdween enkele oogenblikken en kwam daarna terug met de doode slang in zijn handen. In dien tijd was Shingé weer bij kennis gekomen, en vroeg zij naar den naam van den geneesheer, die haar het leven had gered. Maar hij boog beleefd, ontweek haar vraag en nam toen afscheid. Alleen Matsu wist, dat de naam van den redder harer meesteres Yoshisawa was.
Toen Shingé naar huis was gebracht, werd zij erger in plaats van beter. De knapste geneesheeren kwamen aan haar bed, maar zij konden niets doen om haar weder gezond te maken.
Matsu wist, dat haar meesteres langzaam wegkwijnde van liefde voor den schoonen man, die haar leven had gered, en daarom besprak zei de zaak met haar meester Zembei. Matsu verhaalde hem, wat geschied was, en zeide, dat, hoewel Yoshisawa van nederige afkomst was, daar hij tot de Eta, de laagste kasten in Japan behoorde, die hun kost verdienen met dieren te dooden en te villen, hij toch bijzonder hoffelijk en welopgevoed was, en, wat vormen en optreden betreft, op een _samurai_ geleek. "Niets", zoo sprak Matsu, "zal uw dochter haar gezondheid teruggeven, als zij niet met dien schoonen geneesheer trouwt."
Zoowel Zembei als zijn vrouw waren door die woorden terneergeslagen, want Zembei was een aanzienlijke _daimio_, en kon zelfs geen oogenblik het denkbeeld verdragen, dat zijn dochter iemand van de Eta-kaste zou huwen. Toch stemde hij er in toe, inlichtingen omtrent Yoshisawa in te winnen, en Matsu keerde naar haar meesteres terug met het bericht, dat de zaak niet geheel hopeloos stond. Toen Matsu Shingé had verhaald, wat haar vader voornemens was ten hare behoeve te doen, nam zij merkbaar in beterschap toe, en was zij in staat weer voedsel tot zich te nemen.
Toen Shingé bijna hersteld was, ontbood Zembei haar en zeide, dat hij een nauwkeurig onderzoek omtrent Yoshisawa had ingesteld, en dat hij onder geen omstandigheden zijn toestemming kon geven tot een huwelijk met dezen.
Shingé weende bitter, en langen tijd peinsde zij met een treurig gemoed over haar verdriet. Den volgenden morgen was zij noch in huis, noch in den tuin te vinden. In alle richtingen werd naar haar gezocht; zelfs Yoshisawa zocht overal naar haar; maar zij die haar zochten, vonden haar nergens. Geheimzinnig was zij verdwenen, beladen met een verdriet zóó ontzettend groot, dat haar vader zich nu eerst rekenschap gaf van zijn wreede beslissing.
Na drie dagen werd zij gevonden op den bodem der Violen-Bron, en korten tijd daarna maakte Yoshisawa, door droefheid overstelpt, op dezelfde wijze een einde aan zijn leven. Men verhaalt, dat men gedurende stormachtige nachten den geest van Shingé op de bron ziet drijven, terwijl men in de nabijheid het geluid hoort van het kermen van Yoshisawa.
De Geest van de Lotus Lelie.
"Hernieuwing, o hernieuwing van Natuur en Leven! O Bron verrijs! De Lotusknoppen splijten, 't hart geopend, En zingen 't luide uit: "Namu Amida!"
_Yone Noguchi_.
De lotus is de heilige bloem van het Buddhisme. Daar hij groeit uit de modder, en zijn steel door het water opkweekt, en er uit zulk een duister en slijkachtig begin een liefelijke bloem wordt voortgebracht, is de lotus vergeleken met een deugdzaam man, die in deze zondige wereld leeft. Dat de bloem voortdurend als zinnebeeld wordt gebruikt, schijnt, zoo zegt Sir Monier Williams, het gevolg te zijn van het feit, dat de bloem de vorm heeft van een wiel, waar de bloemblaadjes de plaats van spaken innemen, zoodat hierin is uitgedrukt de leer der eeuwigdurende kringen van het bestaan. Buddha wordt dikwijls uitgebeeld zittende of staande op een gouden lotus, en de bloem herinnert ons aan de Buddhistische _sutra_, die bekend staat als de "Lotus der Goede Wet".
Lafcadio Hearn beschrijft de lotus van het Paradijs aldus: "Zij tuinieren, die bekoorlijke wezens!--Zij liefkoozen de lotusknoppen, terwijl zij hun bloemblaadjes met iets hemelsch besprenkelen, dat haar bloei bevordert. En wat voor lotusknoppen, met kleuren niet van deze wereld. Sommige zijn opengesprongen; en in hun lichtende harten, in een glans als dien van den dauw, zijn kleine, naakte kindertjes gezeten, ieder met een kleinen lichtkrans. Dit zijn Zielen, nieuwe Buddha's, _hotoke_ geboren tot gelukzaligheid. Sommigen zijn zeer, zeer klein; andere zijn iets grooter; alle schijnen zichtbaar te groeien, want hun bekoorlijke voedsters voeden hen met iets ambrozijns. Ik zie er één die zijn lotuswieg heeft en door een hemelschen Jizo geleid wordt naar de hoogere verwijderde heerlijkheid".
Tot zoover de hemelsche lotus en zijn nauwe betrekking tot het Buddhisme. In de volgende legende zien wij, hoe de bloem de tooverkracht bezit, om kwade geesten weg te houden.
In Kyoto brak een epidemische ziekte uit, waaraan duizenden menschen bezweken. De ziekte verspreidde zich tot Idzumi, waar de Edele Koriyama woonde, en Koriyama, zijn vrouw en kind, werden door de ziekte aangetast.
Op zekeren dag ontving Tada Samon, een hooggeplaatst ambtenaar in het kasteel van Koriyama, een bezoek van een _yamabushi_ of kluizenaar op een berg. Die man was zeer onder den indruk van de ziekte van Koriyama, en zich tot Samon wendend zeide hij: "Al die ellende is het gevolg van het binnenkomen van booze geesten in het kasteel. Ze zijn gekomen, omdat de grachten rondom het kasteel droog zijn en geen lotus bevatten. Als die grachten dadelijk met die heilige bloem beplant waren, zouden de booze geesten vertrekken, en zouden uw meester, zijn vrouw en kind weer herstellen."
Samon was zeer getroffen door die verstandige woorden, en dien kluizenaar werd verlof gegeven, lotus om het kasteel te planten. Toen hij zijn taak had volbracht, vertrok hij op geheimzinnige wijze.
Binnen een week was zoowel de Edele Koriyama, als zijn vrouw en kind in staat op te staan en hun gewone bezigheden te hervatten; immers toen waren de wallen hersteld, de grachten gevuld met zuiver water, dat de knikkende knoppen van tallooze lotusbloemen weerkaatste.
Vele jaren later, nadat ook de Edele Koriyama gestorven was, kwam toevallig een jeugdige _samurai_ langs de grachten van het kasteel. Met bewondering zag hij naar die bloemen, toen hij plotseling twee bijzonder schoone knapen zag spelen aan den oever van het water. Hij was juist op het punt, hen naar een veiliger plaats te brengen, toen zij in de lucht sprongen en bij hun val onder het water verdwenen.
De verbaasde _samurai_, die in de meening verkeerde, dat hij een paar _kappa's_, [43] of booze watergeesten had gezien, trok zich haastig naar het kasteel terug en vertelde daar zijn vreemd avontuur. Toen hij zijn verhaal had gedaan, werden de grachten afgedregd en schoongemaakt, maar niets van de verwachte kappa's kon worden ontdekt.
Een tijd later zag een andere _samurai_, Murata Ippai, bij denzelfden lotus een aantal schoone knaapjes. Hij trok zijn zwaard en sloeg op hen in, terwijl hij den krachtigen geur van die heilige bloem inademde bij iederen slag van zijn zwaard. Toen Ippai om zich heen zag, om te zien, hoeveel van die vreemde wezentjes hij had gedood, steeg een wolk van de meest verschillende kleuren voor hem op, een wolk, die met een fijnen straal op zijn gelaat viel.
Daar het te duister was om zich met zekerheid te vergewissen van den aard en den omvang van zijn slachting, bleef Ippai den geheelen nacht op die plek. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zag hij met groote afschuw dat hij alleen de koppen van een aantal lotusbloemen had afgehakt. Daar hij wist, dat die weldadige bloem het leven van den Edelen Koriyama had gered, en nu dat van zijn zoon beschermde, werd Ippai met schaamte en berouw vervuld. Na een gebed gezegd te hebben aan den oever van het water, pleegde hij _hara-kiri_.
De Geest van de Pioenroos.
Het was vastgesteld, dat Prinses Aya zou huwen met den tweeden zoon van den Edelen Ako. Alle schikkingen waren overeenkomstig de gebruiken in Japan geheel genomen zonder de goedkeuring of toestemming der beide betrokken partijen.
Op zekeren avond wandelde Prinses Aya in den grooten tuin bij haar woning, vergezeld van haar kameniers. De maan scheen helder op haar geliefkoosd perk met pioenrozen naast een vijver, en hulde de welriekende bloesems in een zilveren glans. Hier bleef zij toeven en bukte zij om den geur van die bloemen in te ademen, toen haar voet uitgleed, en zij zou gevallen zijn, als niet een schoone jonge man, gekleed in een gewaad met geborduurde pioenrozen, haar bijtijds had opgevangen. Hij verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was, voordat zij tijd had hem te danken.
Het gebeurde nu, dat Prinses Aya kort na die gebeurtenis ernstig ziek werd, zoodat de dag van haar huwelijk moest worden uitgesteld. De geneeskundige hulp, die werd ingeroepen, was niet in staat, het koortsachtige meisje weer haar gezondheid te doen herwinnen.
De vader van Prinses Aya vroeg de meest geliefde kamenier van zijn dochter, Sadayo, of zij op die droevige geschiedenis eenig licht kon werpen.
Sadayo, hoewel zij tot nu toe tot geheimhouding verplicht was, voelde nu, dat de tijd was gekomen, dat het niet alleen verstandig, maar dringend noodzakelijk was, om alles te vertellen, wat zij omtrent die zaak wist. Zij deelde haar meesteres mede, dat Prinses Aya in vurige liefde was ontstoken voor den jongen _samurai_, die het gewaad droeg, waarop pioenrozen geborduurd waren; en zij voegde er aan toe, dat zij vreesde, dat, als hij niet kon worden gevonden, haar jonge meesteres zou sterven.
Toen dien avond een beroemd muziekspeler de _biwa_ bespeelde in de hoop, de zieke Prinses aangenaam bezig te houden, verscheen weer achter de pioenrozen dezelfde jonge man in hetzelfde zijden gewaad.
Ook den volgenden avond, terwijl Yae en Yakumo op de fluit en op de _koto_ speelden, verscheen de jonge man weer.
De vader van Prinses Aya besloot nu de zaak met groote zorg na te gaan, en beval daartoe Maki Hiogo, zich in het zwart te kleeden en zich den volgenden avond te verbergen in het perk met pioenrozen.
Toen de volgende avond aanbrak, verborg zich Maki Hiogo tusschen de pioenrozen, terwijl Yae en Yakumo liefelijke muziek maakten. Niet lang nadat de muziek weerklonk, verscheen de geheimzinnige _samurai_ weer. Maki Hiogo kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn, met zijn armen stevig om zijn vreemden bezoeker geslagen. Het scheen, alsof uit zijn gevangene een wolk stroomde. Dit maakte hem duizelig, zoodat hij op den grond viel; maar nog altijd hield hij den schoonen _samurai_ stevig vast.
Juist toen een troep soldaten zich haastig naar die plek begaven, kreeg Maki Hiogo het bewustzijn terug. Hij zag naar beneden, in de verwachting zijn gevangene te zien. Maar alles wat hij in zijn armen hield, was een groote pioenroos!
Op dat oogenblik voegden zich Prinses Aya en haar vader bij de verbaasde groep en Vorst Naizen-no-jo begreep oogenblikkelijk den toestand. "Ik zie nu", zoo sprak hij, "dat de geest van de pioenroos een oogenblik geleden en ook bij vroegere gelegenheden de gedaante van een jongen en schoonen _samurai_ heeft aangenomen. Mijn dochter, gij moet die bloem nemen en haar met groote goedheid behandelen."
Prinses Aya behoefde geen nadere verklaring te krijgen. Zij keerde naar huis terug, plaatste de pioenroos in een vaas, en plaatste die naast haar bed. Met den dag werd zij beter, terwijl haar bloem prachtig bloeide. Toen Prinses Aya volkomen hersteld was, kwam de Edele Ako naar het kasteel, met zijn tweeden zoon bij zich, die met de Prinses zou huwen. Na korten tijd werd het huwelijk gesloten, maar op datzelfde oogenblik was de prachtige pioen roos dood.
HOOFDSTUK XIII. BOOMEN.