Mythen & Legenden van Japan

Chapter 11

Chapter 114,003 wordsPublic domain

Vele jaren geleden leefde in de toenmaals onvruchtbare vlakte van Suruga een houthakker, Visu genaamd. Hij was een reus van lichaamsbouw, en woonde in een hut met vrouw en kinderen. In zekeren nacht, toen Visu juist op het punt was in slaap te vallen, hoorde hij een zeer eigenaardig geluid, van onder den grond afkomstig, een geluid, dat krachtiger en verschrikkelijker klonk dan donder. Visu, die meende, dat hij met zijn gezin door een aardbeving zou worden gedood, nam met spoed de jongere kinderen op en ijlde naar de deur van de hut, waar hij een merkwaardig gezicht voor oogen kreeg. In plaats van de vroeger woeste vlakte zag hij een grooten berg, uit welks top vlammentongen opstegen en dichte rookwolken! Het gezicht van dien berg, die onder de aarde was voortgetrokken over een weg van honderden mijlen en zoo plotseling verrees in de vlakte van Suruga, was zóó schitterend, dat Visu, met vrouw en kinderen, op den grond bleef zitten onder de betoovering. Toen de zon den volgenden morgen verrees, zag Visu, dat de berg opalen kleederen had aangetrokken. Dit alles maakte op hem een zóó diepen indruk, dat hij den berg Fuji-yama noemde ("De Nooit-stervende Berg"), en zoo heet hij nog ten huidigen dage. Een zoo volmaakte schoonheid wekte bij den houthakker het denkbeeld op van de eeuwigheid, waardoor ook de gedachte aan het Levenselixir is opgewekt, die zoo dikwijls met dien berg is verbonden.

Dagen aaneen zat Visu daar op den Fuji te staren en juist dacht hij er over na, hoe prachtig het voor een zoo indrukwekkenden berg zou zijn, als hij zijn eigen schoonheid kon aanschouwen, toen zich plotseling een groot meer voor hem uitstrekte, dat de vorm had van een lint, en dat daarom Biwa genoemd werd. [30]

De Avonturen van Visu.

Op zekeren dag kreeg Visu een bezoek van een ouden priester, die aldus tot hem sprak: "Brave houthakker, ik ben bang, dat gij nooit bidt." Visu antwoordde: "Als gij een vrouw en een groot gezin had te onderhouden, zoudt gij ook geen tijd hebben te bidden." Die opmerking maakte den priester boos, en de oude man gaf den houthakker een levendige beschrijving van het afgrijselijke lot, te worden wedergeboren als een pad, of een muis, of een insect, en dat wel gedurende millioenen jaren. Dergelijke sombere bijzonderheden waren Visu niet zeer aangenaam, en daarom beloofde hij den priester, dat hij in het vervolg zou bidden. "Werk en bid", zeide de priester, toen hij afscheid nam.

Ongelukkig echter was het, dat Visu niets anders deed dan bidden. Hij bad gedurende den geheelen dag en weigerde iets te werken, zoodat zijn rijst op het veld verrotte en zijn vrouw en kinderen gebrek leden. De vrouw van Visu, die tot nu toe nooit een hard of bitter woord tot haar echtgenoot had gesproken, werd nu vreeselijk boos, en riep, terwijl zij op de uitgemergelde lichamen van haar kinderen wees: "Sta op, Visu, neem uw bijl ter hand, en doe iets, dat voor ons nuttiger is dan voortdurend gebeden te prevelen!"

Visu was zóó vreeselijk verbaasd over hetgeen zijn vrouw had gezegd, dat het eenigen tijd duurde, eer hij een geschikt antwoord kon vinden. Toen hij eindelijk een antwoord gereed had, kwamen zijn woorden krachtig en driftig tot de ooren der arme, verongelijkte vrouw. "Vrouw", zoo sprak hij, "de Goden gaan voor. Gij zijt een onbeschaamd schepsel, dat gij zoo tot mij durft te spreken, en ik wil niets meer met u te doen hebben!" Visu nam zijn bijl op, en verliet, zonder om te zien of afscheid te nemen, de hut, trok het bosch uit, en besteeg den Fuji-Yama, waar een nevel hem voor aller blikken verborg.

Toen Visu op den berg was gaan zitten, hoorde hij een zacht ritselend geluid, en zag onmiddellijk daarna een vos in het kreupelhout vliegen. Visu vond het nu bijzonder gelukkig, dat hij een vos zag, en sprong op, terwijl hij zijn gebeden vergat, en holde heen en weder in de hoop, dat hij dat kleine schepsel met zijn scherpen neus weer terug zou vinden. Hij was juist van plan de jacht op te geven, toen hij, zoodra hij een open ruimte in een bosch had bereikt, twee dames bij een beek zag zitten, die zich vermaakten met _go_ [31] te spelen. De houthakker geraakte zóó onder de betoovering, dat hij niets anders kon doen dan zich neerzetten en haar gadeslaan. Er werd geen geluid gehoord dan het zachte bewegen der stukken op het bord en het gezang van den stroomenden beek. De dames letten in het geheel niet op Visu, want zij schenen een vreemd spel te spelen, dat geen einde nam, en haar geheele aandacht in beslag nam. Visu kon zijn oogen niet van die bekoorlijke vrouwen afslaan. Hij beschouwde haar lange zwarte haren, en de vlugge handjes, die telkens uit de groote zijden mouwen te voorschijn kwamen, om de stukken te verzetten. Nadat hij daar driehonderd jaar had gezeten, hoewel het hem niet langer was voorgekomen dan een enkelen zomeravond, zag hij, dat één der beide dames een verkeerden zet had gedaan. "Dat is mis, lieftallige dame!" riep hij opgewonden uit. In een oogenblik veranderden die vrouwen in vossen [32] en holden weg.

Toen Visu haar trachtte te achtervolgen, ontdekte hij tot zijn schrik, dat zijn beenderen vreeselijk stijf, en zijn haren ontzettend gegroeid waren, terwijl zijn baard den grond raakte. Tevens ontdekte hij, dat de steel van zijn bijl, hoewel die van het taaiste hout was vervaardigd, tot een hoopje stof was vergaan.

De Terugkomst van Visu.

Na een aantal pijnlijke pogingen was Visu weer in staat op zijn voeten te staan en uiterst langzaam naar zijn kleine woning terug te keeren. Toen hij de plek bereikte, was hij verbaasd, dat hij geen hut meer zag, en toen hij een oude vrouw zag staan, zeide hij: "Beste vrouw, ik ben verbaasd, dat mijne kleine hut verdwenen is. Ik ben in den namiddag eerst vertrokken en nu, met den avond, is zij verdwenen!"

De oude vrouw, die meende, dat een krankzinnige haar toesprak, vroeg naar zijn naam. Toen zij dien hoorde, riep zij uit: "Wel, gij zijt zeker gek! Visu leefde driehonderd jaar geleden! Hij vertrok op zekeren dag en is nooit meer teruggekomen".

"_Driehonderd jaar!_" mompelde Visu. "Dat kan niet mogelijk zijn. Waar zijn mijn goede vrouw en kinderen?"

"Begraven!" kreet de oude vrouw uit, "en als waar is, wat gij zegt, ook uw kleinkinderen. De Goden hebben uw ellendig leven verlengd, als straf, omdat gij uw vrouw en jonge kinderen hebt verwaarloosd".

Dikke tranen rolden langs de verweerde wangen van Visu, toen hij met heesche stem zeide: "Ik heb mijn mannelijken leeftijd laten verloren gaan. Ik heb gebeden, toen mijn lieve vrouw en kinderen gebrek leden en recht hadden op den arbeid van mijn eertijds krachtige handen. Oude vrouw, herinner u mijn laatste woorden: _als gij bidt, werk dan tevens!_"

Wij weten niet, hoe lang de arme, berouwvolle Visu nog leefde, nadat hij van zijn vreemde avonturen was teruggekeerd. Men verhaalt, dat zijn witte geest nog steeds op den Fuji-yama gezien wordt, als de maan helder schijnt.

HOOFDSTUK X. KLOKKEN.

De Klok van Enkakuji.

Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van Chion, te Kyoto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik, heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt, "diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel".

De Terugkeer van Ono-no-Kimi.

Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-O, den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-O: "Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn, weder den weg naar de aarde terug te vinden." En Ono-no-Kimi ging weg van den Rechterstoel, en op het geluid van de klok vond hij den weg terug naar zijn vroegere woonplaats.

De Reuzenpriester.

Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten voorspoed beloond.

Een Vrouw en de Klok van Miidera.

In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen.

Toen een schoone vrouw, die in Kyoto woonde, dit hoorde, werd zij bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was, haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: "Ik ga die wonderlijke klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die grooter en helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en poederen, en mijn haar opmaken."

Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis, waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit, raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl die plek al haar heerlijken glans verloor.

Benkei en de Klok.

Benkei [33], de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt.

Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen; maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing de klok aan het ééne uiteinde, en--vermakelijke trek--zijn papieren lantaarn aan het andere [34], en op die manier droeg hij zijn zwaren last over een afstand van ongeveer zeven mijlen.

Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk om voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn, en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof, de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: "Ik wil terug naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!"

Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw, trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was, en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk, als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer klonk door de lucht: "Ik wil terug naar Miidera!" en of de klok al hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden.

Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen, zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken.

Het Karma.

De macht van het Karma is één van de Buddhistische leerstellingen, en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt Lafcadio Hearn in "Kokoro" de treurige geschiedenis van een priester, die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen.

Het verhaal van "De Bamboesnijder en het Maanmeisje" geeft ons een andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde.

Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en gevolg--alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat, volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana.

Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden.

Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt _joshi_ genoemd, wat beteekent "liefdesdood" of "hartstochtdood". Het Buddhisme verzet zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige liefde, immers _joshi_ is er geen verlangen, de macht van het Karma te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de _Ratrana Sutra_: "Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht; hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht."

Een klok en de Macht van het Karma.

"Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten".

_Bakin._

Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat theehuis was Kiyo, want zij was als "de geur van de witte lelies, wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt."

Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok, anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters visch of vleesch mocht eten of _saké_ mocht drinken, en het was hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, daar zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige gewoonten van het vleesch zouden vallen.

Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen, evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken, maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen.

Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht, zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken.

Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd, maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de ellendige gevolgen van den hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden, uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken.

Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen, merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was, en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte, hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven.

Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij, uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed, en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo [35] stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad.

Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira [36], die alle magische kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees een spook met een langen neus (waarschijnlijk een _Tengu_), die bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der magische en tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was, hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen.

Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten, eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg.

Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in de groote klok van den tempel.

Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin, zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond.

Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel, die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en heeter werd de klok, en zij weerklonk van de deerniswaardige kreten van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was.

HOOFDSTUK XI. YUKI-ONNA, DE SNEEUWVROUW.

"De sombre winter houdt de aarde omkneld, Maar toch daalt uit den hemel Een bloesemregen. En fladdrend komen witte blaadjes Op aarde neder. Komt uit de wolken De lente dan zoo vroeg reeds aangesneld?