Chapter 10
Des morgens kwam Tenko in het vertrek van Kimi, maar zijn nicht was verdwenen, en zelfs na een langdurig onderzoek, dat volgde, was hij niet in staat te ontdekken, waar zij gebleven was.
Toen Myokei het antwoord op zijn brief had ontvangen, deelde hij den veelbelovenden kunstenaar mede, dat hij wenschte, dat hij zijn dochter zou huwen, opdat er aldus een schildersfamilie zou worden gesticht; maar Sawara was verbaasd, toen hij dit buitengewone nieuws vernam, en vertelde dat hij de eer, van zijn schoonzoon te worden, niet kon aannemen, omdat hij reeds verloofd was met de nicht van Tenko.
Sawara zond nu, helaas te laat, brieven naar Kimi, en toen hij geen antwoord kreeg, vertrok hij naar zijn oude woonplaats, kort na den dood van Myokei.
Toen hij de kleine woning bereikte, waar hij zijn eerste lessen in de schilderkunst had ontvangen, vernam hij tot zijn groote ergernis, dat Kimi haar ouden oom had verlaten, en na eenigen tijd trouwde hij met Kiku ("Chrysanthemum"), de dochter van een vermogend landbouwer.
Korten tijd na zijn huwelijk werd hem door den Heer van Aki opgedragen, de zeven tooneelen der eilanden Kabakarijima te schilderen, die op gouden schermen moesten worden aangebracht. Hij vertrok dadelijk naar die eilanden en maakte een aantal ruwe schetsen. Terwijl hij daarmede bezig was, ontmoette hij aan het strand een vrouw met een rood kleed om de lendenen, en met loshangend haar, dat over haar schouders viel. Zij droeg kreeften in haar mand, en zoodra zij Sawara zag, herkenden zij hem.
"Gij zijt Sawara en ik ben Kimi", zoo sprak zij, "met wien gij verloofd zijt". "Het gerucht omtrent uw huwelijk met de dochter van Myokei was valsch, en mijn hart is innig verheugd, want niets staat ons huwelijk nu meer in den weg".
"Helaas! arme, vreeselijk verongelijkte Kimi, dat kan niet geschieden", antwoordde Sawara. "Ik dacht, dat gij Tenko hadt verlaten en mij vergeten waart, en daar ik overtuigd was, dat dit werkelijk waar was, heb ik Kiku, de dochter van een landbouwer, gehuwd".
Kimi sprong als een opgejaagd hert, zonder een woord te zeggen, langs het strand en trad haar kleine hut binnen, terwijl Sawara achter haar aan holde en haar voortdurend bij haar naam riep. Hij zag voor zijn oogen, hoe Kimi een mes opnam, en dat in haar hals stak; een volgend oogenblik lag zij dood op den grond. Sawara weende, toen hij haar in den dood aanschouwde, en lette op de vredige schoonheid van den Dood op haar wangen, terwijl hij voor het eerst een stralenkrans zag in haar door den wind uitgespreide haren. Zij was nu zóó schoon en zóó liefelijk, dat hij, zoodra hij zijn tranen had bedwongen, een schets maakte van de vrouw, die hem zóózeer had liefgehad, maar door het lot zóó diep was getroffen. Boven het peil van den vloed begroef hij haar, en toen hij zijn eigen huis had bereikt, haalde hij de ruwe schets te voorschijn, schilderde een beeld van Kimi, en hing die als _Kakemono_ aan den muur.
Kimi vindt vrede.
Dienzelfden nacht werd hij wakker en ontdekte, dat het beeld op de Kakemono tot leven was gewekt, en dat Kimi met de wond in haar hals en met hangende haren vóór hem stond. Elken nacht keerde zij terug, een stil en betreurenswaardig beeld, totdat ten slotte Sawara, die niet langer in staat was, die beproeving te dragen, de _Kakemono_ ten geschenke gaf aan den Tempel van Korinji, en zijn vrouw naar haar ouders terugzond. De priesters van den tempel van Korinji baden dagelijks voor de ziel van Kimi, en langzamerhand vond Kimi vrede en rust, en kwelde zij ook Sawara niet meer.
HOOFDSTUK VIII: DE GELIEVEN, DIE ELKANDER ALLEEN BIJ HELDEREN HEMEL BEZOEKEN, EN HET KLEED VAN VEEREN.
De Sterrenhemel.
Een van de meest romantische der oude Japansche feesten is het feest van Tanabata, het Wevende Meisje. Het wordt gevierd op den zevenden dag der zevende maand, en het was gebruikelijk, dat bij die gelegenheid versch gesneden bamboe's werden geplaatst op de daken der huizen, of dat zij in den grond werden gestoken, vlak bij de huizen. Gekleurde strooken papier werden aan die bamboe's bevestigd, en op iedere papierstrook was een gedicht geschreven ter eere van Tanabata en haar echtgenoot Hikoboshi, zooals bij voorbeeld het volgende: "Daar Tanabata sluimert tot aan het aanbreken van den dageraad, terwijl haar lange mouwen opgerold zijn, wekt haar, o ooievaars, niet door uw geklepper". Men zal zich van dit feest een betere voorstelling maken, als wij de legende hebben beschreven, die daarmede samenhangt.
De God van het Uitspansel had een bekoorlijke dochter, Tanabata genaamd, die het grootste gedeelte van haar tijd doorbracht met het weven van gewaden voor haar doorluchtigen vader. Op zekeren dag, toen zij aan haar weefstoel zat, zag zij toevallig een schoonen jongeling, die een os voortleidde, en onmiddellijk werd zij op hem verliefd. De vader van Tanabata, die haar meest heimelijke gedachten kon raden, stemde onmiddellijk in hun huwelijk toe. Ongelukkig echter hadden zij elkander wel zeer innig, maar onverstandig lief, met dit gevolg, dat Tanabata haar weven veronachtzaamde, terwijl de os van Hikoboshi vrij kon ronddolen over de Hooge Vlakte des Hemels. De God van het Uitspansel werd uiterst vertoornd, en beval, dat die al te vurige gelieven in het vervolg door de Hemelsche rivier zouden gescheiden zijn. In den zevenden nacht der zevende maand vormde, als het weer gunstig was, een groote menigte vogels een brug over de rivier, en op die wijze waren de gelieven in staat elkander te bezoeken. Het was zelfs niet eens zeker, dat dit kort bezoek mogelijk was, immers als het regende, was de Hemelsche rivier te breed, dan dat zij zelfs door een groote brug van eksters kon worden overspannen, en de gelieven waren dan gedwongen, weer een lang treurig jaar te wachten, voordat er weer eenige kans was, elkander te ontmoeten.
Het is dus niet te verwonderen, dat op het Feest van het Wevende Meisje kleine kinderen zongen "_Tenki ni nari_" ("O, weer, wees helder!") In ons land spot liefde met gesloten deuren, maar de Hemelsche Rivier laat, als zij gezwollen is, niet met zich spotten. Als het helder weer is en de Gelieven elkander dus bezoeken, na een jaar van droevig wachten, schitteren de sterren, waarschijnlijk van de Lier en de Arend, in vijf verschillende kleuren--blauw, groen, rood, geel en wit--en dit is de reden, dat gedichten worden geschreven op papierstrooken in die kleuren.
Het Kleed van Veeren. [28]
"O goddelijk geluid, dat klinkt in onze ooren, De feeën zingen. Door het luchtruim doet zich hooren Welluidend klokkenspel. Der englen luiten, Cimbaal en tamboerijn en liefelijke fluiten Weerklinken door de lucht, gekleurd door purperrood, Alsof Someiro's westerglooiïng noodt Van de ondergaande zon den glans en gloed te voelen, Als golven hemelsblauw 't begroeide strand bespoelen. Van Yukishima's wal jaagt de opgezweepte storm De bloemen door het zwerk: maar nog verkwikt de vorm Dier boomen sneeuwbelaân, die schittren in het licht, Door 't prachtig kleurenspel des menschen aangezicht."
_Ha-Goromo_. (Naar _B.H. Chamberlain_.)
Het was lente, en langs het met pijnboomen bedekte strand van Mio werd het geluid van vogels gehoord. De blauwe zee danste en fonkelde in den zonneschijn, en Hairukoo, een visscher, zat daar neer om van het schitterende tooneel te genieten. Terwijl hij dit deed, zag hij bij toeval een prachtig kleed van zuiver witte veeren aan een pijnboom hangen.
Toen Hairukoo op het punt stond het kleed van den boom af te nemen, zag hij, dat een buitengewoon bekoorlijk meisje uit de zee naar hem toekwam, en hem vroeg, of hij haar het kleed wilde teruggeven.
Hairukoo keek met bijzondere bewondering naar het meisje en zeide: "Ik vond het kleed en ben van plan het te houden, want het is een wonder, waardig om geplaatst te worden onder de schatten van Japan. Neen, ik kan het u bij mogelijkheid niet teruggeven."
"Ach", riep het meisje diep ongelukkig. "Ik kan niet door de lucht vliegen zonder mijn kleed van veeren; als gij er dus bij blijft, dat gij het wilt houden, kan ik nooit meer naar mijn hemelsch verblijf terugkeeren. Ach, brave visscher, ik smeek u, geef mij mijn kleed terug!"
De visscher, die wel een zeer hardvochtig man moet geweest zijn, wilde zich niet laten vermurwen. "Hoe meer gij smeekt", zeide hij, "des te meer ben ik besloten, te houden wat ik heb gevonden".
Daarop antwoordde het meisje:
"O, beste visscher, spreek niet uit dat woord; Hebt gij dan nooit van 't vogeltje gehoord, Welks wieken zijn geknakt; kan 'k niet met veeren prijken, Dan tracht ik te vergeefs den Hemel te bereiken",
Na eenige verdere besprekingen over dit onderwerp werd het hart van den visscher eenigszins verteederd. "Ik zal u uw kleed van veeren teruggeven," zoo sprak hij, "als gij oogenblikkelijk voor mij wilt dansen."
Daarop antwoordde het meisje: "Ik zal hier voor u den dans dansen, die het Paleis van de Maan doet ronddraaien, zoodat zelfs een arme sterveling zijn geheimen leert kennen. Maar ik kan niet dansen zonder mijn veeren".
"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef, zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst".
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. "Stervelingen mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend".
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van veeren terug.
"Neen", zeide de visscher wantrouwend. "Als ik u dat kleed geef, zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst".
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking.
"Stervelingen mogen al hun beloften breken", zoo sprak zij, "maar bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend".
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van veeren terug.
Het Gezang van het Maanmeisje.
Toen het meisje haar helder wit kleed had aangetrokken, tokkelde zij de snaren van een luit en begon te dansen, en terwijl zij danste en speelde, zong zij van vele vreemde en schoone dingen in verband met haar verwijderde woning in de Maan. Zij zong van het reusachtige Paleis van de Maan, waarin dertig vorsten heerschten, vijftien in witte gewaden, als de maanschijf vol was, en vijftien in het zwart, als de Maan afnam. Terwijl zij zong en speelde en danste, zegende zij Japan en drukte den wensch uit, "dat het voortdurend meer moge bloeien en groeien".
De visscher mocht zich niet lang verheugen in die vriendelijke vertooning van de bekwaamheid van het Maanmeisje, immers zeer spoedig klopten haar lieflijke voetjes niet langer het zand. Zij steeg op in de lucht, terwijl de witte veeren van haar kleed flikkerden tegen de pijnboomen of tegen de blauwe lucht zelf. Zij steeg al hooger en hooger, nog steeds spelend en zingend, tot boven de toppen der bergen, al hooger en hooger, totdat haar gezang niet meer werd gehoord, en zij het schitterende paleis van de Maan bereikte.
HOOFDSTUK IX. LEGENDEN VAN DEN BERG FUJI.
De Berg van den Lotus en den Waaier.
De Berg Fuji, of Fuji-yama ("De Nooit Stervende Berg"), schijnt wel typisch Japansch te zijn. Zijn groote met een sneeuw kap gedekte kegel gelijkt op een grooten omgekeerden waaier, terwijl de fijne strepen langs zijn helling gelijken op het geraamte van een waaier. Een inboorling uit dit land heeft den berg zeer juist aldus beschreven: "De Fuji beheerscht het leven door zijn rustige schoonheid. Smart wordt gestild, verlangen tot rust gebracht, vrede schijnt te stroomen van die onveranderlijke verblijfplaats van den vrede, den bergtop van den witten lotus". De vergelijking met een witten lotus is even juist als die met den uitgespreiden waaier, want zij heeft betrekking op de heilige bloem van Buddha, en haar acht spitsen zijn voor den geloovigen Buddhist het symbool van de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling, Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking. De algemeene indruk van den Fuji doet dus eendeels aan godsdienst denken, en anderdeels aan een grooten waaier, groot en schoon genoeg, om met sterren en snel voortvliegende wolken te coquetteeren. Dichters en kunstenaars hebben beide in gelijke mate hun schatting aan lof betaald aan dien onvergelijkelijken berg, en wij geven den volgenden keurigen zang over dit blijkbaar onuitputtelijke onderwerp:
"Fuji Yama, Geraakt door een goddlijken adem, Keeren wij weer tot de gedaante van God. Uw zwijgen is zingen. Uw zingen 't gezang van den Hemel: Ons land van koorts en van zorg Wordt tot een woning van heerlijke rust. De woning, ver van het land, Waar menschen komen ter wereld Alleen om te sterven. Wij allen, Japansche dochters en zonen, Die zingen uw pracht en uw majesteit, Den trots van de Godheid, Wij sluiten onze schaduw in uw boezem, De zachtste plaats der eeuwigheid, O, wonder met wit gelaat, Onovertroffen gezicht, O, verhevenheid en schoonheid! De duizend stroomen dragen uw heilig beeld Op hun gelaat; Alle bergen heffen hun hoofden tot u op Gelijk het stroomend getijde, Als wachtten zij op uw beslissend bevel.... Zie! hoe de zeeën, omgevend Japan, Haar zang van hongrigen tand, wolfachtig begeeren, verliezen, Gekust door de wiegelied zingende rust, Bij 't zien van uw schaduw, Als ware het in een droom van een lied. Wij, u omgevend, vergeten te sterven: Wel is lieflijk de Dood. Maar zachter dan Dood is het leven. Wij zijn wel sterf'lijk, maar zijn toch ook goden, Onschuldige makkers van u, O eeuwige Fuji".
_Yone Noguchi._
De Fuji is honderden jaren een bedevaartsoord geweest, en Lafcadio Hearn heeft zijn top genoemd "het Hoogste Altaar der Zon". Nog steeds houden een aantal pelgrims vast aan het oude Shinto gebruik om dien heiligen berg te beklimmen, gekleed in witte gewaden en zeer breede strooien hoeden, terwijl zij herhaaldelijk een bel luiden en zingen: "Mogen onze zes zintuigen rein zijn, en het weer op den eerwaardigen berg goed zijn".
De Fuji was eertijds een bijzonder werkzame vulkaan. De laatste uitbarsting had plaats in de jaren 1707--1708, en bedekte Tokyo, dat op honderd kilometers verwijderd was, met een aschlaag van vijftien centimeters. De naam Fuji zelf is waarschijnlijk afgeleid van Huchi of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainu's; "immers", zoo schrijft Chamberlain, "tot in bijna historische tijden vormde de streek rondom den Fuji een deel van het land der Ainu's, en het geheele oostelijke deel van Japan is bezaaid met namen die aan de Ainu's ontleend zijn".
De Godheden van den Fuji.
Sengen, de Godin van den Fuji, is eveneens bekend onder den naam van Ko-no-hana-saku-ya-hime [29] ("Schitterend-bloeiend-als-de-bloemen-der-boomen"), en haar tempel is op den top gelegen. Men verhaalt, dat de Godin in oude tijden verwijlde in een lichtende wolk boven den krater, waar zij werd bediend door onzichtbare bedienden, die gereed stonden om alle bedevaartgangers naar beneden te werpen, die niet rein van harte waren. Een andere godheid van dien berg is O-ana-mochi ("Bezitter van de Groote Opening, of Krater"). Bovendien hebben wij nog de Lichtende Maagd, die zekeren keizer in zijn verderf lokte. Op de plaats, waar hij verdween werd een kleine tempel opgericht, waar hij nog steeds wordt aangebeden. Men verhaalt, dat bij zekere gelegenheid een stortvloed van kostbare juweelen van dien berg afrolde, en dat het zand, dat over dag wordt opgejaagd door de voeten van tallooze pelgrims, in de diepte neervalt en des nachts weder zijn vorige plaats herneemt.
De Fuji, de verblijfplaats van het Levenselixir.
Het is niet te verwonderen, dat een aantal legenden ten opzichte van dien eerwaardigen en aangebeden berg zijn ontstaan. Zooals zoovele bergen in Japan en ook in andere Oostersche landen, stond hij in verband met het Levenselixir. De woorden van den Japanschen dichter, "Wij, die in uw nabijheid zijn, vergeten te sterven", schijnen, hoewel niet lang geleden geschreven, de oude gedachte weer te geven. Wij hebben reeds gezien in de legende van "De Bamboesnijder en het Maanmeisje", dat de Edele Vrouwe Kaguya had bevolen, den Fuji te bestijgen en daar het Levenselixir te verbranden, te gelijk met een rol papier.
De faam van den Fuji, zoo luidt een oude legende, bereikte de ooren van een Keizer van China. Toen men hem had medegedeeld, dat die berg was ontstaan in één enkelen nacht, vermoedde hij, dat de Fuji het Levenselixir moest leveren. Daarvoor verzamelde hij een aantal schoone jongelingen en meisjes om zich heen, en zette koers naar het Land van de Rijzende Zon. De jonken vlogen voor den razenden wind als een overvloed van gouden bloemblaadjes; maar na eenigen tijd ging de storm liggen, en de Keizer en zijn volgelingen zagen den witten glans van den Fuji vóór zich oprijzen. Toen de jonken op het strand gezet waren, vormde de Keizer zijn volgelingen tot een stoet, en ging hij hun voor naar den top van den berg, langzaam voortgaande. Uren achtereen klom de stoet naar boven, terwijl de Keizer in zijn gouden gewaad steeds vooraan liep, totdat het geluid van de zee niet langer werd gehoord, en de duizend voeten zacht op de sneeuw trapten, waar vrede en het eeuwige leven heerschten. Toen hij het einde van den tocht naderde, ijlde de oude Keizer vroolijk vooruit, daar hij de eerste wilde zijn, die van het Levenselixir dronk. En hij was dan ook de eerste, die proefde van dat Leven, dat nooit oud wordt; doch toen zijn volgelingen hem bereikten, zagen zij, dat hij op zijn rug lag met een glimlach op het gelaat. Hij had inderdaad het Eeuwige Leven gevonden, maar het was langs den weg van den Dood.
Bezoek van Sentaro aan het Land der Eeuwige Jeugd.
Het verlangen om den Fuji het geheim van het Eeuwige leven te ontworstelen, schijnt nooit met een goeden uitslag te zijn bekroond. Een Chinees, Jofuku genaamd, bereikte den heiligen berg met dit doel voor oogen. Hij slaagde evenmin, en keerde nooit naar zijn eigen land terug; maar hij wordt beschouwd als een heilige, en zij, die hetzelfde doel najagen, bidden ernstig aan zijn altaar.
Sentaro bad eens bij zekere gelegenheid aan dat altaar, en ontving daar een kleinen papieren kraanvogel, die, zoodra hij hem in handen had gekregen, ontzaglijke afmetingen aannam. Op den rug van dien grooten kraanvogel vloog Sentaro naar het Land der Eeuwige Jeugd, waar de menschen, tot zijn verbazing, verschillende vergiften innamen, en er naar verlangden te sterven! Sentaro werd dat land spoedig moede, keerde naar zijn eigen land terug en besloot tevreden te zijn met de gewone spanne tijds, die den mensch is toegekend--wat hij wel mocht zijn, als men nagaat, dat hij reeds drie honderd jaar had doorgebracht in het land, waar niemand stierf en ook niemand werd geboren.
De Godin van den Fuji.
De moeder van Yosoji werd, evenals een groot aantal menschen in het dorp waar zij woonde, door de pokken aangetast. Yosoji raadpleegde den toovenaar Kamo Yamakiko hierover, want zijn moeder werd zóó ziek, dat hij ieder oogenblik meende, dat zij hem door den dood zou worden ontrukt. Kamo Yamakiko beval Yosoji naar een kleinen stroom te gaan, die afstroomde vari de zuidwestelijke helling van den Fuji. "Dicht bij den oorsprong van die rivier", sprak de toovenaar, "is een altaar, gewijd aan den God van Langen Adem. Ga daar water halen, en geef het uw moeder, want dat alleen zal haar genezen".
Yosoji spoedde zich vol nieuwen moed op reis, doch toen hij op een plaats gekomen was, waar drie wegen elkander kruisten, was hij in moeilijkheid, welk pad hij zou kiezen. Juist terwijl hij daarover nadacht, trad een bekoorlijk meisje, in het wit gekleed, uit het bosch te voorschijn, en verzocht hem haar te volgen naar de plaats, waar de kostbare stroom vloeide in de nabijheid van het altaar van den God van Langen Adem.
Toen zij den stroom bereikten, kreeg Yosoji het bevel, zelf te drinken, en daarna de flesch met het parelende water voor zijn moeder te vullen. Toen hij dit had gedaan, vergezelde hem het schoone meisje naar de plaats, waar hij haar oorspronkelijk had gezien, en zeide: "Kom weer over drie dagen bij mij op dezelfde plaats, want gij zult een nieuwen voorraad van dit water noodig hebben".
Na vijf bezoeken aan dat gewijde altaar verheugde zich Yosoji er over, dat zijn moeder weer geheel hersteld was, en niet alleen zijn moeder, maar ook een aantal van de dorpelingen, die eveneens het voorrecht gehad hadden van dat water te drinken. De dapperheid van Yosoji werd luide geprezen, en den toovenaar werden geschenken gezonden als belooning voor zijn op het juiste oogenblik gegeven raad; maar Yosoji, die een fatsoenlijke jongen was, wist zeer goed, dat die lof uitsluitend toekwam aan het schoone meisje, dat hem tot gids had gestrekt. Hij wilde haar nog hartelijker danken dan hij tot nu toe had gedaan, en begaf zich met dat doel nog eens op reis naar den stroom.
Toen Yosoji het altaar van den God van Langen Adem bereikte, bleek het hem, dat de stroom was opgedroogd. Ten hoogste verbaasd en tevens erg bedroefd knielde hij neer en bad hij, dat zij, die zoo goed voor zijn moeder geweest was, vóór hem zou verschijnen, opdat hij haar zoo hartelijk kon bedanken als zij verdiend had. Toen hij opstond, zag hij het meisje vóór zich staan.
Yosoji betuigde zijn dankbaarheid in warme en sierlijke bewoordingen, en verzocht, den naam te mogen vernemen van haar, die zijn geleidster was geweest en die zijn moeder haar oude gezondheid en kracht had teruggegeven. Maar het meisje weigerde, terwijl zij hem vriendelijk toelachte, haar naam te noemen. Nog steeds lachend, wierp zij een cameliatak in de lucht, zoodat het scheen, dat de schoone bloesems wenkten naar een onzichtbaren geest op grooten afstand. In antwoord op dien wenk der bloemen kwam een wolk neder van den Fuji; deze omsloot het bekoorlijke meisje en droeg haar naar den heiligen berg, van waar zij gekomen was. Nu wist Yosoji, dat zijn geleidster niemand anders was dan de Godin van den Fuji. Met verrukking boog hij zich ter aarde, toen hij de vertrekkende gestalte nazag. Toen hij haar nastaarde, wist hij in zijn hart, dat niet alleen dankbaarheid maar ook liefde in hem was opgewekt. Terwijl hij nog geknield lag, wierp de Godin van den Fuji den cameliatak neer, als een herinnering, maar misschien ook als een teeken van haar liefde voor hem.
De Rip van Winkle van het Oude Japan.
Wij hebben reeds verhaald, hoe de Fuji in één nacht is ontstaan, en de volgende legende deelt ons mede, hoe dit merkwaardige feit zich heeft voorgedragen. Wij hebben bij die legende nog een tweede gevoegd, die van Chineeschen oorsprong is, omdat die twee goed bij elkander passen en ons merkwaardig materiaal schenken met betrekking tot dien berg.