Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2
Chapter 8
Terwijl M. de moderne richting en Renan heftig aanvalt, wijst hij elders weer op de psychologische en symbolische waarheden, die in mythologische verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament, in het dogma der erfzonde verscholen liggen: een schriftbeschouwing, die de oude mystieken, zonder nog aan de historische feitelijkheid te twijfelen, bij voorkeur hebben toegepast, en die door de wijsgeeren sinds Lessings dagen als de godsdienstig eenig houdbare is beschouwd. Geestig is de wijze waarop hij een loopje neemt met de historiciteit van den wandelenden Jood (I. 800-803) en waarop hij de verwarring schetst in het hoofd van den jongen, die Ovidius' scheppingsgeschiedenis als _mythe_ mag beschouwen, maar die van Genesis als _historie_ moet aannemen, op straffe zijn zaligheid in gevaar te brengen.
Ondanks zijn felle afbreken van alle "goddienery" wordt M. in een sentimenteel oogenblik bekoord door de liefelijkheid van naïef geloof, zooals blijkt uit de geschiedenis der Sainte-Vierge (I. 242), en de figuren van Femke met haren katechismus en de oude pastoorsdienstbode Stijntje uit _Wouter Pieterse_. Maar zijn afkeer van de bekrompen, kleinzielige orthodoxie was zóó hartgrondig, dat hij de poëzie van het naïef geloovige alleen bij Roomschen vermocht te vinden.
Tot wijsgeerig verstaan en waardeeren van het godsdienstig leven is hij niet in staat geweest: hij kende het christendom dan ook niet uit zijn grootste vertegenwoordigers: Augustinus en de mystieken, de groote dogmatische en wijsgeerige vertolkers van het christendom waren hem niet bekend: hij bleef in de opvatting steken, dat godsdienst en wijsbegeerte elkaar uitsluiten. Zijn strijd tegen een persoonlijk God, persoonlijke onsterfelijkheid en tegen het vraaggebed bedoelt hij als vernietiging van het geloof: inderdaad vecht hij tegen uitwassen van het christendom, waartegen sommigen der grootste wijsgeeren en theologen eveneens gestreden hebben.
In de _Ideën_ vinden we twee gedachtenreeksen over de vraag, "wat is waarheid", die voor M. gelijkluidend is met de vraag "wat is God." Als hij de natuur als uitgangspunt zijner redeneering neemt, dan is God gelijk aan de ijzeren wet der noodzakelijkheid; wel had hij "liever te doen met 'n God die vatbaar is voor rede, maar dit kàn nu eenmaal niet".--
"De _noodzakelijkheid_ die dit wil (n.l. dat 1 + 1 = 2), voorschrijft en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlijk, is _God_. Die God bouwt zonnestelsels...
Er is geen bol aan 't firmament, die niet z'n bestaan te danken heeft aan 'n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2.
_Die_ God voegt samen, ontbindt, maakt, vermaakt, richt, wendt, buigt, heft, perst en plet...
Ja, plet! En knipt, als--in die andere plettery--de schaar, die ook niet weet wat ze doet!
Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toetehappen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we gaarne wilden heelhouden!
Bidden zou dus, als 't niet kinderachtig ware, een misdadige poging zyn om de natuur te verlokken tot wanorde." (I. 162-163.)
Gaat hij daarentegen van den mensen uit, dan vormt hij zich een God naar eigen beeld: in de Woutergeschiedenis schetst M. hoe Wouter zijn Godsbegrip opbouwde:
"Geen '_Weg ter Zaligheid_' en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg, en waarmee hy zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo'n Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, als ware hem de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter's stamboom.
"Hoe hy 't aanlei om den god dien hy geschapen had, den god van 't goede overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen." (I. 1083-1084.) En als M. verteederd is door het naïeve geloof van een lief Roomsch vrouwtje en een monnik besluit hij 't verhaal van zijn reisavontuur met de woorden: "En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren die wonderen gewrocht? Door den godsdienst van het goede." Zoo is er tegenstrijdigheid in zijn godsdienstige opvattingen, eene tegenstrijdigheid, die we terugvinden in zijn levensideaal: hoewel overtuigd, dat alles volgens de onverbreekbare wet der noodzakelijkheid zich voltrekt, wil hij, Multatuli, overal ingrijpen om het goede en het rechte te doen zegevieren. Hij wenscht macht en geld om al zijn idealen te verwezenlijken; in zijn gesprek met Keizer Adolf in 't Rijk der Gnomen zet hij dezen het volgende programma uiteen:
"Daarenboven is niet alles zoo goed als het, met eerlijke gebruikmaking van de onveranderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige aarde levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door de menschheid...
--Ik zal ze wat yzer zenden.
--Om 's hemels wil, doe dat niet, Meester! Ze eten het niet, en maken er ballen van om elkaar dood te gooien.
--Wat salpeter?
--Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die ballen voortteblazen. Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en toch hebben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg te samelen, en toch kwynt 'n zeer groot deel der mensheid weg in walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene vreugd, voor genot, voor geluk... en toch, Meester, toch blyven jammer en leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme mensdom!
Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf veel geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m'n voelen tot denken te maken, en verstand te scheppen uit de bron van het hart, sedert dien tyd was me niets zoo bitter als 't aanschouwen van de algemeene ellende die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk algemeen geluk.
En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te bevelen had... _si j'étais roi_!
Ik zocht macht om goed te doen.
Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaaldelyk getracht hebbende goed te doen zònder haar, hoe langer hoe machteloozer werd gemaakt door de velen die belang hebben by 't kwade.
Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats koopen in de volksvertegenwoordiging...
--Worden die plaatsen gekocht?
--Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. Ik moet dan, dóór of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen hooren aan ministers... 'n ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik noodig om zelf koning te zyn, opdat ik 't recht en de macht bezitte goed te doen aan 't volk... liefst zònder ministers. Geld heb ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopen _tot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen_. Geld voor volksbibliotheken...
--Je wilt dat het volk lezen zal?
--Zóóver gaat m'n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat werde gesteld lezen te _leeren_, 'n kunst die nog in haar kindsheid is. De meesten brengen 't daarin niet veel verder dan noodig is voor 'n benoeming tot briefbesteller. Ik heb geld noodig, Meester, tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene hygiène, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaken van watersnood en verzande havens. Geld tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den beul...
--Hè?
--Ja, pensioen. Geld tot ondersteuning _zonder smaad_ van invalide burgers, geld tot betaling van--des-noods onvrywilligen--arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, d. i. _veredelende_ kunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voor _deugd_! En meester, zóóveel geld wenschte ik, dat er nà dat alles nog iets overschoot om m'n lief gezin te behoeden tegen gebrek." (Millioenenstudiën I: 43, 51-52.)
Terwijl hij de macht der noodzakelijkheid zoo klaar besefte, meende hij zelf door Fancy geroepen te zijn, in de hopeloos verwarde samenleving orde te brengen. Deze drang, deze overtuiging heeft hem voortgedreven héél zijn leven door: ieder mensch in nood, in lichte of voorgewende armoede, voelde hij zich gedrongen te helpen. En als helpen met geld onmogelijk of onnoodig was, was hij altijd bereid zich voor zijn medemensch _moeite_ te getroosten. Niet alleen de enkeling wil hij bijstaan, zijn eerzucht gaat er naar uit de _menschheid_ wél te doen, door de afwijkingen van de rede, van Logos weer goed te maken.
In zijn later werk (in de _Millioenenstudiën_ voor 't eerst, later in het tweede gedeelte van de _Woutergeschiedenis_) komt het inzicht dat Fancy zonder Logos niets vermag en Fancy leert hem, dat de dichter het _recht_ niet zal kunnen doen zegevieren met millioenen schats, maar wèl door zijn _ideeën_. "Meent ge dat het mij meer moeite kosten zou, u de _millioenen_ toe te werpen, dan ik aan 't vóórzeggen der _Studiën_ besteed heb", is de vraag waarmede Fancy-logos van M. afscheid neemt. Zijn dichterlijke verbeelding zal de geestelijke waarden moeten scheppen, waardoor recht en goedheid onder de menschen zullen zegepralen.
Na jaren van worsteling om geld en invloed is deze verzoenende gedachte gekomen, dat Fancy door den _geest_ overwint.
Een vat vol tegenstrijdigheden dat was M. óók in zijn wereldbeschouwing. Geweldig voorstander van welvaart en vrijheid van het volk, wilde hij liefst voor zich de rol van een Napoleon spelen. Van 't parlementaire stelsel,--de Tweede Kamer had hèm niet in zijn strijd om den Javaan bijgestaan--verwacht hij niets goeds maar hij weet er niets beters voor in de plaats te stellen! Als staatkundig hervormer roept hij om een "derde partij", die de volkswelvaart en niet het partijbelang zal dienen. Want de onmacht van regeering, Kamers en partijen zijn de oorzaak van de groote ellende van 't volk.
"Ieder weet, dat myn bitterheid over den toestand van ons Volk zich niet bepaalt by de zaken in Indië. Na de Havelaars-geschiedenis, myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plichtvergeten gouverneurs-generaal. Achter zoo'n ellendigen van Twist zat een minister. Achter zoo'n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs 'n Eerste. Wat zoo'n Eerste-Kamer beduidt is onlangs gebleken, toen Duymaer van Twist daarin onverhinderd zitting nam. Niemand drong den man ter deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van zooveel Saïdjah's.
En achter de beide Kamers, zit, staat, ligt--of kruipt, als ge wilt--het Volk, het Nederlandsche Volk!" (I. 583.)
Tot het Volk zal hij zich richten, op de ellende van het Volk zal hij wijzen: hij zal opstandigheid prediken. In zijn tweeden bundel _Ideën_ heeft hij zeer uitvoerig het werk van Le Play over _Les Ouvriers Européens_ behandeld in verband met het welzijn van het Nederlandsche Volk. In deze studie komt o. a. een gedetailleerd arbeidersbudget voor. M. komt tot de slotsom dat de Hollandsche arbeider ja in vele gevallen de kleine burger in ons land onder veel slechter condities leeft en werkt dan de arbeiders in andere beschaafde en half beschaafde landen van Europa, ja zelfs, dat de Hollandsche arbeider er slechter aan toe is dan de zwarte slaaf!
"De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel maar... zy was openlyk, oprecht, frank. En: _de slaaf werd beschermd door de wet_.
Wie beschermt den _witten_ slaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dat is een _gruwel_, filantropen, en een gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid.
De invoering eener _gereglementeerde_ slaverny met verplichting aan den kant des meesters, om z'n eigendom behoorlyk te onderhouden, zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor 'n blanke, en daarom is 't onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven de begrippen, die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid van 't patronaat, met 'n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht.
De christelyke beschaving is fyn en slim in hare berekeningen.
Zy zegt: gy moogt niet _verkocht_ worden... ze meent: ik wil u niet _koopen_. Zy zegt: ik wil niet dat ge _slaaf_ zyt... ze meent: ik wil uw _eigenaar_ niet wezen. Zy zegt: behoudt uw _waarde_ als mensch... ze meent: ik wil myn _kapitaals_waarde niet verliezen. Zy zegt: geen _vernedering_ voor _u_... ze meent: geen _schade_ voor _my_.
Want de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z'n _maag_ levert hem gebonden over aan ieder die hem een maal aardappelen met azyn betaalt. Hy _is_ slaaf, _minus_ 't recht op onderstand, _minus_ registratiekosten, _minus_ gezegelden koopbrief, _minus_ rente en risico.
Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf, die werken kan, en betaalt hem als z'n voorganger met 'n maal aardappelen daags...
Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volk _schandelyk_. Zeven-achtste deel der gehuwde mannen, moeten de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, met minachting neerzien op 't verwaand menschdom, als ze wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom 't aanzit." (Idee 451.)
Als de oorzaak van deze ellende beschouwt M. de slechte regeering: de constitutioneele koning is niet verantwoordelijk omdat hij onschendbaar is en dus onmachtig, de ministers komen en gaan zóó snel, dat ze de verantwoordelijkheid op hun opvolger(s) afschuiven.
Als een pikant staaltje van de wijze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun roeping begrijpen, wijst M. op 't volgende.
"Wy weten nu eenmaal, dat het Volk geen vleesch eet. Voor 'n oogenblik aannemende, dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal 't toch waar blyven, dat zoo'n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen in 't verslag van die provincie over 1861:
_Wij moeten nog wijzen op 't verblijdend verschijnsel, dat de invoer van_ Smeer...
de "_Nederlandsche Industrieel_" voegt hier zeer gepast by: "_dat is: de afval van ons naar Engeland gezonden vee_."
_... "smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende is_."
Het is moeilyk by zulke mededeelingen niet bitter te worden.
Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid?
Of zou er ironie liggen in dat _verblyden_ over 't verruilen van versch vleesch tegen oud smeer? Zou 't een geestigheid wezen? Laat ons het zachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven--niet als verblydend verschynsel helaas!--dat 'n vlucht uilen, "zoo by-uitnemendheid geschikt wezen zou... om H. H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen".
In den noodtoestand der arbeidende bevolking ziet M. het grootste gevaar voor de nationale toekomst. In de jaren tusschen 1866 en 1870 toen Pruisen zijn grenzen uitzette, was de vrees voor annexatie hier te lande levendig. De oud-minister--Professor Bosscha schreef een brochure _Over Pruisen en Nederland_ om zijn landgenooten tot waakzaamheid, tot geestdrift en... tot den vrijwilligen wapenhandel op te wekken. Deze brochure prikkelde M. tot het schrijven over de ware oorzaken van Nederlands onmacht tegenover een veroverend Pruisen; hij betoogt, dat de hooggeroemde vaderlandsliefde die zich uit in bombastische verzen en in... binnenkamers, een leugen is, dat "gymnastie, algemeene dienstplichtigheid en scherpschuttersgenootschappen" slechts _middelen_ zijn, maar dat dit niets helpt, zoolang _de geest in ons land niet verbeterd is_. En geestdrift ontbreekt omdat de toestand van 't volk ellendig is: de materieële toestand is miserabel en het geestelijk leven eveneens. "Jacht op stijl overal, stijl, nergens. Overal gemaaktheid, opgedrongen deftigheid, mislukte verheffing, brommende leegte, conventioneel schrijversfatsoen, d. i. _leugen_.--De natie is ziek, zeer ziek, en de naam dier ziekte, in welken vorm zij zich ook voordoe, is _leugen_!"
De materiëele ellende van 't volk is weer de grondoorzaak van geringe ontwikkeling, minderwaardig vermaak. En 't nationaal bederf is niet tot de arbeidersklasse beperkt: eenzelfde geest van lamlendigheid doortrekt alle lagen der samenleving. Vandaar dat zeden en gewoonten, kunst, godsdienst en staatkunde verleugend zijn.
Door het scherp belichten van den maatschappelijken leugen heeft M. veler oogen geopend. Met bijzondere voorliefde heeft hij het minderwaardige lot der vrouw op de kaak gesteld. Hij doet een fellen aanval op de zeden, die voorschrijven het meisje dom en onwetend te houden, die de vrouw toestaan slechts de huishoudster van haar man te zijn, die de ongetrouwde vrouw tot werkeloosheid en hysterie veroordeelen. De zeden, die de verhouding der geslachten bepalen, zijn in aanhoudenden strijd met de hoofdwet der Natuur.
"We willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzyn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. We dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.
Deze verkrachting--of de voortdurende vruchtlooze poging daartoe--noemen we _Deugd_.
Onze geheele opvoeding van de meisjes is 'n moorddadige opstand tegen het goede." (I. 203.)
"Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn.
"Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zoo spreekt geen meisje!"
Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zoo'n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als ze behoorlyk verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven--dat noemen de zeden _braaf_!--dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar 't loon komt aanbieden voor zooveel braafheid door 'n aanstelling tot opzichter over z'n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. 't Is wel de moeite waard!" (I. 195.)
Het ascetisch ideaal van het christendom vindt hij uit den booze. Met innige verontwaardiging vaart hij uit tegen het negeeren van de vrouw door den Evangelist en legt een nieuwe lezing in den schoonen gedragen stijl van het Evangelie naast de oude van Mattheus XIX over het ware huwelijk, dat niet alleen lichamelijke gemeenschap, maar ook die van ziel en geest insluit.
Tegenover de vaak zoo treurige werkelijkheid stelt M. het ideale huwelijk, tegenover de dwingende zeden predikt hij vrije liefde. Al moge hij het niet als de _ideale_ verhouding aanprijzen, in ieder geval beschouwt hij het als een bevrijding uit den ascetischen dwang der zeden. In het Holland zijner dagen wekken deze ideeën heftig verzet: de schrijver wordt als een toonbeeld van onzedelijkheid uitgekreten.
Ook op zedelijk gebied heeft M. de denkbeelden der Europeesche romantiek in ons land vertolkt: eerzame Hollandsche letterkundigen hadden romantische stoutigheden slechts verzacht en verwaterd durven weergeven [11].
Maar in M. lééfde hetzelfde gevoel van opstandigheid als in Byron, Heine, Shelley e. a.: in zijn _Ideën_ kwamen deze gevoelens daardoor eerst tot uitbarsting in een taal, gelijkwaardig aan die der groote romantici. Al moge M. nog zoozeer beïnvloed zijn door deze denkers en dichters, al mogen de sporen van hun invloed in zijn werken telkens zijn aan te wijzen, toch is hier geen sprake van slaafsche navolging: uit zijn _Brieven_ blijkt het, dat ideeën die van zijn jonge jaren af in hem woelen, onder invloed zijner lectuur zijn bewust eigendom zijn geworden. En met zijn wondere taalbegaafdheid heeft hij in later jaren wat in hem leefde zóó pakkend, zóó meesleepend weten te uiten, dat scharen van jongeren door zijn wóórd den strijd voor vrijer levensopvatting hebben aanvaard.
Tal van jongen vrouwen en meisjes heeft de Geschiedenis van Thugater (uit de _Minnebrieven_) en die van de kleine Agatha (I. 182) de oogen geopend!
Niet alleen de meisjes-opvoeding moest herzien, heel de onderwijsmethode moest gewijzigd: van M. is uitgegaan een krachtige beweging om de doode onderwijsmethodes door nieuw levend onderwijs te vervangen. In _Wouter Pieterse_, levert hij een felle charge op de verschoolsching van het lager onderwijs in de figuren van Pennewip en Stoffel, terwijl hij in de wijze waarop Dr. Holsma zijn kroost onderricht, vingerwijzingen geeft omtrent een leermethode, die het kind tot denken, tot zelfvinden aanmoedigt.
Goed onderwijs moet opleiden tot _vrije studie_, moet geschikt maken voor het leven.
"'t Is niet waar dat die maatschappy den jongen van zestien jaar met open armen ontvangt, omdat-i weet te vertellen wat Semi-Ramis heet verricht te hebben, hoe Rusland begrensd is, aan welke rivier Groningen ligt, enz.
't Is _niet_ waar, dat ze hem 'n paar jaar later onder hartelyk _welkom!_ bekleed met de _toga virilis_, omdat-i nu verstand heeft van kegelsneden, en na veel tobben in-staat is 'n bladzy te vertalen uit Virgilius of Homerus... by-voorkeur altyd die eene!
't Is _niet_ waar, dat de akademische dissertatie waarvan-i ten-langen-laatste door de kunst verloste, hem wordt toegekend als diploom van mannelykheid!
Na al 't verwringen en verkrachten van de Natuur, op school en kollegiebanken, blyft alzoo den ouders niet eenmaal de verontschuldiging dat de Maatschappy tot zoo'n leiding dwingt. 't Allereerste waaraan de jongeling die de wereld intreedt, behoefte heeft--nadat men twaalf, veertien jaren besteedde om hem voor die wereld geschikt te maken--is... ontbolstering. Wel 'n bewys dat de voorbereiding allergebrekkigst was! Wat naar de school riekt, is in 't werkelyk leven onbruikbaar.
Eilieve hoe kan dit worden overeengebracht met de voorgewende bedoeling, dat men hem naar school zond _om hem geschikt te maken voor dat werkelyk leven_?" (I. 876.)
Merkwaardig is het, dat M. de theorie van Montessori voorziende als voorwaarde voor vruchtbaar onderwijs den eisch heeft gesteld, dat een bepaalde leerstof pas gegeven mag worden, als 't kind er zich toe voelt aangetrokken!
"Dezelfde leerling die nu misselyk wordt gemaakt van Tacitus, zou misschien z'n grootste vreugde scheppen in 't ontleden der werken van dien schryver, als-i vooraf liefst uit eigen aandrift had leeren belangstellen in de daarin behandelde zaken. Er komt 'n tyd dat de knaap zich voelt aangetrokken door de vaak treffende verhouding tusschen uitgebreidheden en getallen. Wie ooit, byv. des nachts wakker liggende, zich bezig-hield met de evenredigheid tusschen zekere lynen en figuren op tapytwerk of behangsel, zal me begrypen. Een ander zal behoefte voelen aan kennis van de wys waarop de stoffen zyn samengesteld. Hy wil weten wat ze vereenigt, hoe ze ontbonden worden? Dan is de tyd voor de scheikundige les gekomen, niet toen de knaap met 'n onvriendelyk: wat gaat my dat aan? de boodschap afzei, die men hem brengen kwam op ongelegen uur.