Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2
Chapter 7
In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijner _Ideën_; naar aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche familie. _Minnebrieven_ en _Ideën_ werden er niet geduld: van een vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield door Multatuli's strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om 't onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap, uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen niet indenken, nog minder invoelen. D. D. stelt Tine steeds voor als de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes, als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist zij met haar kinderen naar Den Haag om Mimi's ouders gerust te stellen; 't is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele karakter van D. D. te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen, dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood harer moeder gaat Mimi naar 't buitenland, later is ze onderwijzeres aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt ze D. D. Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen "literatuur", in zijn romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische, dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit krachtig _hare_ opvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen, maar in hare eenzaamheid overmant haar de melancholie. Haar grooten troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie, die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in den vollen zin des woords Tine's Fancy!
Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt hulp aan vrienden om naar Indië te gaan.
De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen, mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd. D. D. doet ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door journalistieken arbeid was D. D. van een bescheiden vast inkomen verzekerd.
Uit Tine's brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak: "waar alles onnatuurlijk is, ben ik niet mezelf", de verhoudingen zijn allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. Als D. D. met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering, in 1874 gestorven.
Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeft D. D. blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn geestelijke roeping,--dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste twintig levensjaren.
Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk de vrouw den meesten moed toont: zij _breekt_ met maatschappelijke opvattingen, die haar veel sterker bonden dan den man. En ze deed het, niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak vervuld. "Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven," schrijft haar eens een onzer eerste "geëmancipeerde" vrouwen! Zij weet in zijn rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen: logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere, werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft beschreven: "Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd voor zes thaler 's maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel zat hij... _Multatuli_. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blijven. Als hij zeide: Jou althans kan niemand mij afnemen! dan was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, 't was alles aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren." (Brieven VII, 103-104).
Een jaar na Tine's overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het "een verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van de wereld."
Al heeft D. D. de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 "weert (hij) zich als een oud konijn" om het ministerie te laten vallen, maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter zal grieven met zijn "Onkruid onder de tarwe", een scherpe kritiek op D. D. als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer.
Tusschen 1866-1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan de _Opregte Haarlemmer Courant_: hij moest geregeld "kleurlooze" berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen, gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad de _Mainzer Beobachter_. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en feuilletons gegeven; zoo verschenen _De Japansche gesprekken_, _De Millioenenstudiën_: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet, zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden.
De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel was d'Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundels _Ideën_ een vriend en geestverwant, maar hij kon D. D. financieel niet genoeg steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hij op honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was, om aan 't werk te kunnen komen. De verstandhouding met d'Ablaing, die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde uit diens _Ideën_, leed hieronder: 't liep uit op wederzijdsche beschuldigingen en verwijdering.
Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria de geldzorgen, en verschafte D. D. "loisir" om te schrijven. Hij waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877 herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundels _Ideën_, die in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog bundel III-VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning na Tine's overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed.
D. D. bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkind _Wouter_ ze in staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu zoo rustige levensjaren en overleed er den 19den Februari 1887. Ook door de bemoeiingen van de aanbieders van het _Huldeblijk_ waren de financiëele zorgen verlicht. Een som van f 20.000 werd bijeengebracht en daarvoor werden lijfrenten voor D. D. en zijn vrouw gekocht. Ook dit bewijs van Hollandsche waardeering heeft den grooten man bitter gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. "Het is die armzalige taxatie die me grieft.--Ik ben wel voor een millioen uitgescholden aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond heb.--Ik heb nu 't zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia was.--We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonen _in Holland_ waard is!" (Brieven X. 192-193).
TER VERSPREIDING.
AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.
Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van 't "_Contagium dat er heerst in onzen staat_."
Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in den Havelaar, in de Minnebrieven, in den Vrij-Arbeid, in de Ideën.
Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.
Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.
Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.
Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook, _voor Holland_, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.
Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of 'n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z'n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.
Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief, _tien_ of _vijftig_ Gulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER, _Kalverstraat_ 246, Amsterdam.
Voor _tien_ Gulden zal een STEENDRUK-EXEMPLAAR worden gezonden; voor _vijftig_, een PHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (door Mitkiewicz te Brussel.)
Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid--en wat rust!--kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.
En--in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak--ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.
Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als ze _mij_ kost!
MULTATULI.
_Aan de_
Firma R. C. MEIJER.
Amsterdam.
_Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden_:
_Een_ Steendruk-Exemplaar / Photografie-Exemplaar van het Portret van _MULTATULI_.
_waarvoor hierin gesloten_ Tien / Vijftig _Gulden_.
_Handteekening_:
_Naam_:
_Woonplaats_:
(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).
Prospectus voor den verkoop van MULTATULI'S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.
MULTATULI ALS DENKER EN HERVORMER
Als Multatuli met de _Max Havelaar_ geen onmiddellijke verbeteringen en hervormingen ten bate van den Javaan en geen schitterende rehabilitatie van Douwes Dekker kan verkrijgen, wordt uit den kolonialen profeet, de Hollandsche hervormer geboren. In het staatkundige maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk vind hij den grond van 't Indisch wanbestuur. Al de scherpte van zijn pen, de hartstocht en virtuositeit van zijn taal, gaat hij aanwenden om zijn landgenooten wakker te schudden en te ergeren, om ze van geestelijke en conventioneele gezagsbanden te bevrijden. Hij heeft altijd gehoopt dit met een eigen tijdschrift of dagblad te bereiken: door geldgebrek is dit mislukt.
In 1862 begint hij met de uitgave van _Ideën_: op ongezette tijden gaf hij een vel _Ideën_ in lossen omslag, dat tevens diende als correspondentieblad met zijn lezers. Zoo vormt zich een vaste lezerskring van geestverwanten: hij geeft hun zijn _Ideën_, hij deelt hun ook zijn persoonlijke wederwaardigheden mede over de Havelaarzaak, 't proces Van Lennep, over aanvallen en doodzwijgen in de pers enz.
De zeven bundels tusschen 1862 en 1877 verschenen zijn zeer verschillend van gehalte en van inhoud: ze zijn "de Tines zijner ziel".
Hij spreekt er in uit, wat hem vervult in korte, kernachtige parabelen en verhalen, hij geeft eene satirische bespreking eener brochure over een bidstond. Staatkundige beschouwingen wisselen af met fragmenten zijner _Geschiedenis van Wouter Pieterse_.
Buitengemeen levendig van stijl is vooral de eerste bundel: een stijl, dien hij aan 't slot van _Max Havelaar_ heeft aangekondigd:
"Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius' _justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit!"
In de eerste _Ideën_ stelt hij het oordeel van den enkeling boven dat eener vergadering: uit dit denkbeeld volgt dan later de gevolgtrekking over de ònwaarde van volkvertegenwoordigingen, van regeeren der helft + 1; een allergeestigste persiflage van dezen regeeringsvorm heeft hij later in zijne _Specialiteiten_ gegeven.
Groote waarde heeft het zelfstandig oordeelen: "De jeugd moet zich oefenen in 't bepalen: (I. 10) "Om een voorwerp te teekenen is 't niet voldoende den omtrek, de kleur en de schaduw van dat voorwerp te kennen, men moet dat alles kunnen weergeven." (I. 11.) De groote beteekenis van _juist uitdrukken_ stelt hij in 't licht: maar de juist uitgedrukte waarheid maakt geen indruk, vandaar dat ze in 't kleed van verdichting en verbeelding moet worden gestoken om ingang te vinden. Zoowel in het puntig, scherp formuleeren zijner denkbeelden, als in het dichterlijk inkleeden er van toont Multatuli zich een meester.
De strekking der _Ideën_ is in I. 136 uitgesproken: "De roeping van den mensch is _mensch_ te zijn. Daarheen moeten leiden: opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst."
Maar de ontwikkeling van het waarachtig menschelijke wordt door averechtsche opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving en godsdienst juist belemmerd. Want deze instellingen berusten op gezag, traditie en conventie, zij zijn ontaard tot dwangmiddelen, terwijl ze wegwijzers tot vrijheid moesten zijn.
De godsdienst is de hoofdschuldige: in naam van den godsdienst wordt 't gezag van ouders over kinderen, van den man over de vrouw gehandhaafd. Dogmatische frasen bederven het gezond verstand, een onhoudbare mythologie wordt gegeven inplaats van nuttige kennis der natuur. Wat M. ook bestrijdt, telkens komt hij neer op den schadelijken invloed van het "geloof". Zijn spot, zijn sarcasme, zijn verstandelijke kritiek zijn gericht op het doode vormelijke en dogmatisch-kerkelijke geloof, dat hem sedert zijn jeugd een nachtmerrie was geweest. De vormelijke godsdienstigheid heeft hij in al zijn leegheid laten zien en van het afbreken van het gehate "geloof" heeft hij intens genoten. Daaraan danken we een paar van zijn dolste en geestigste parodieën: ten eerste de geschiedenis van den bidstond den Elberfeldsche weezen, die zóó door den geest worden aangegrepen, dat ze liggen te stuipen op de keldertrap! In hun waan zijn _deze_ Christenen oprecht, maar diepe verachting koestert M. voor _die_ geloovigen, die het op een akkoordje gooien met hun geloof:
"Als 't _waar_ is dat die goddienery nadeelig werkt...
--Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. 't Komt niet dikwyls voor. Hy, zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. We _gelooven_... nu ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We gelooven... zóó, zóó... met gepaste matigheid.
Die wezens staan me nader dan gy!
Wie nonsens _gelooft_, en door krankzinnigheid bewys geeft voor de oprechtheid van z'n geloof, heeft recht op medelyden en... genezing, als er genezing mogelyk is.
Maar gy die _gelooft_... ja, maar niet meer dan juist noodig is in 't belang van uw "zaken"... gy die zondags 'n hemelvaart belofzingt, maar 'n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot toch voor de aarde... gy die zoo verstandig zyt als de verstandigste waar 't uw dadelyk belang geldt, maar meent den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan 'n halsbandje van spinnewebbe of yzer, naar 't u voegt, zoodra er spraak is van--veronderstellen--edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder 't bidden en oefenen, gedurig 'n oog in 't zeil houdt van 't aardsche scheepje... gy die 't beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, sociëteit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw "_Heer_" te onthalen op wat afval... gy...
Wat moet ik _U_ zeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg stuipen en wordt oprecht." (I. 179.)
De tweede felle parodie leverde M. in zijn _Bakerpreek_: Stel dat M.'s relaas van het salie-avondje van Juffrouw Pieterse eenmaal de heilige Schrift der Opper-Aziaten zal zijn, dan zal zich in die streken na 50 eeuwen een kerkgeschiedenis, een dogmatische strijd en een geloof hebben ontwikkeld, wier verloop analoog aan die van 't christendom zal zijn. Ten stelligste ontkent M., dat deze parodie op dogmatisch wondergeloof als aanval op het _heilige_ veroordeeld moet worden:
"Spot met zoogenaamd 'heilige' zaken, bewijst niets tegen die zaken, maar wekt de tragen op en geeft den vreesachtigen moed: _tot nadenken over de vraag: of die zaken wel heilig zijn?_ Dit is veel gewonnen, want dan is de tijd daar tot eenvoudige redeneering." (I. 395.)
Door domheid en misverstand zijn de woorden van Jezus verknoeid: maar voor de Jezusfiguur heeft M. groote bewondering: "Ik heb in veel opzichten eerbied voor Jezus, maar volstrekt niet voor 't zoogenaamd christendom.
Er zijn door Jezus dingen gezegd die ik geloof--schoon ik ze niet geloof _omdat_ hij 't zeide--maar in 't christendom-zelf geloof ik _niet_. Ik ontken 't bestaan van dat christendom [10]. Ik heb 't nooit ontmoet, nooit waargenomen, en ben overtuigd dat Jezus, op aarde terugkomende, heel verwonderd wezen zou te hooren, dat men zich naar hem noemde. Ik heb 'n neefje die spelfouten maakt en zich daarom Multatulist noemt. Wat zou m'n aanhang groot wezen als dat opging.
"Het christendom bestaat voor een groot deel uit neefjes die spelfouten maken." (I. 186.)
En in I. 57 lezen we: "Er is maar één weg ten hemel: _Golgotha_. Wie er wil komen langs anderen weg is 'n infame smokkelaar."
Fel tegenstander was M. ook van de toen opkomende moderne richting: deze theologen streden óók tegen de versteening van het christendom in dogma en wondergeloof. Maar volgens M. bleven ze halverwege staan en waren niet consequent: in een geestige parabel verhaalt hij van pasteibakkers, die zulke lekkere taartjes bakten, 'n winstgevend beroep. Totdat scheikundigen ontdekten, dat er papaverstroop in verwerkt werd! Een eerlijke pasteibakker verklaart geen taartjes meer te zullen bakken; maar anderen pogen onschadelijke taartjes, met een heel klein beetje slaapstroop te fabriceeren, om den taartjeswinkel aan te kunnen houden, zonder strijd te voeren tegen de wetenschap der chemisten... "De pogingen om de mystiekerij van 't oude geloof overeen te brengen met hedendaagsche standpunten is even belachelijk--en misdadig!--als 't schermutselen met 'politieke beginselen' die geen wortel hebben in 't gezond verstand, omdat men daarbij voortdurend verzuimt met de feiten te rade te gaan." (I. 453.)