Maximes

Part 2

Chapter 23,697 wordsPublic domain

_Het tweede document dagteekent van elf jaren later en is weder een apologie, ditmaal de verdediging van zijn partij-kiezen tegen de Koningin in 1649. Eerst in 1855 is het in druk verschenen; Ad. Regnier, die de monumentale uitgave der werken van la Rochefoucauld bezorgde, noemt het een der eerste voorbeelden van 17de eeuwsch Fransch proza, natuurlijk, gespierd, flink en vloeiend. Hier is evenwel nog geen letterkundige aan het woord, het is een teleurgestelde eerzuchtige, een beleedigd edelman, of iemand, die zich als zoodanig beschouwt._

_De eerste maal, dat hij als schrijver voor het publiek trad, was in 1659 met zijn bijdrage aan een bundel, getiteld: „_Recueil des portraits et éloges en vers et en prose, dédié à S. A. R. Mademoiselle. Paris, M.DC.LIX_”. (Met Mademoiselle wordt bedoeld de dochter van den broeder van Lodewijk XIII). Zij had een letterkundig salon._

_Zijn bijdrage draagt het opschrift: „_Portrait de M. R. D. fait par lui-même_”. Slechts ingewijden konden weten wie hier aan het woord was. Sommigen mogen vinden, dat men hier met verregaande ijdelheid te maken heeft, juister komt het mij voor het stuk als een voortbrengsel uit een kring van toenmalige schoone-geesten te beschouwen._

_In het 3de bedrijf van le Misantrope legt Molière Acaste een bespiegeling in den mond, waarvan de zelfgenoegzaamheid eenigszins aan de bewoordingen van la Rochefoucauld doen denken. Eene fijne spotternij van den dichter._

_Opmerkelijk is o.a. wat de Hertog in zijn portret van zijn letterkundigen arbeid zegt. „_Ik schrijf een goed proza en dicht met goed gevolg; mijn gedichten zijn niet slecht; en, indien ik naar den roem hunkerde, die op dat gebied te behalen is, dan acht ik mij met weinig arbeid in staat een goeden naam te verwerven._” Later zegt hij nog eens „_een vrij goed oordeel over dichtwerken_” te bezitten._

_Naar aanleiding hiervan eenige opmerkingen. Ten eerste moet worden erkend, dat bezwaarlijk een terloops neergeschreven voorspelling schitterender kon uitkomen. De schrijver is zóó algemeen erkend, dat weinige jaren geleden op Fransche scholen de leerlingen het bewuste „_portret_” bij wijze van taal- en stijloefening, van buiten moesten leeren._

_Ten tweede merk ik op, dat iemand, die zóó over zijn proza en zijn verzen spreekt, veel meer moet hebben geschreven, dan ons bekend is. Veel is misschien verloren gegaan, of door hem vernietigd. Van zijn verzen is niets tot ons gekomen. Men heeft eens iets vernomen omtrent een handschrift met gedichten, maar het is bij die nevelachtige mededeeling gebleven. Voor zijn dood verbrandde hij zijn papieren._

_Reeds spoedig na het einde van den oorlog begon hij een zeer belangrijk geschrift, zijne Mémoires, die feitelijk een apologie moeten zijn van zijn gedrag gedurende de onlusten tijdens het regentschap. (1643-1653). Hiermede heeft hij zich tot 1659 bezig gehouden. Later voegde hij er het tijdvak 1624-1643 aan toe._

_Met dit geschrift zien wij hem handelen zooals later met de Maximes: hij vertrouwde zich de eindredactie niet toe, reden waarom hij afschriften bij vrienden liet rondgaan om opmerkingen of verbeteringen uittelokken. Zelf bleef hij steeds aan het vijlen en slijpen, waaraan een groot aantal verschillen tusschen de afschriften en drukken te wijten is._

_Maar dat in de wereld zenden van afschriften had nog bedenkelijker gevolgen: Zij kwamen in handen van personen, die er belang bij hadden het handschrift te laten drukken, buiten den schrijver om. Dit overkwam thans la Rochefoucauld. Een drukker te Rouaan belastte zich met die taak, maar de schrijver, tijdig gewaarschuwd, was nog bij machte de oplaag in beslag te laten nemen. Hiertoe kon hij overgaan omdat de drukker in Frankrijk woonde, maar toen in 1662, kwansuis te Keulen, maar feitelijk te Brussel, een boek verscheen, getiteld: „_Mémoires de M. D. L. R. sur les brigues à la mort de Louis XIII, les guerres de Paris et de Guyenne et la prison des Princes. Chez van Dyck, à Cologne_”, was de schrijver machteloos. Het boekje verwekte een storm van verontwaardiging. De oorlog was nog geen tien jaar geëindigd en de hoofdpersonen waren bijna allen nog in leven. En wie wenschte aan dat alles herinnerd te worden?_

_De schrijver zag zich genoopt weder tot zelfverdediging over te gaan. Bewaard is gebleven een door hem afgelegde verklaring, inhoudende de verzekering, dat de uitgave buiten hem om is geschied, dat het grootste deel van het boek niet van zijn hand, en het overige schromelijk vervalscht is. Aan de Markiezin de Sablé en de Heeren de Liancourt en Esprit had hij getoond wat er in zijn eigen handschrift stond en daaruit bleek b.v. dat er niets grievends tegen Condé in stond._

_Mogen sommigen zich bij die verklaring hebben neergelegd, het spreekt van zelf, dat het boekje vele lezers heeft gevonden. Er bestaan talrijke drukken van, waaronder met groote wijzigingen. Deze zijn wel buiten weten van den schrijver aangebracht._

_Behalve met zijn historisch-apologetisch werk begon hij zich met anderen arbeid bezig te houden. Men neemt aan dat dit in ’58-59 geschiedde._

_In elk opzicht teleurgesteld teruggekomen uit dien maalstroom van intriges, dien oceaan van zelfzucht, eigenbelang, huichelarij en trouweloosheid, waarin hij jaren lang geleefd had, had zich bij hem een gemoedsgesteldheid ontwikkeld, waarvan wij in zijn zelfportret duidelijke aanwijzingen hebben. Hij erkent zijn zwaarmoedigheid en beweert, dat men hem in drie of vier jaren nauwelijks drie of vier maal heeft zien lachen. Hij houdt bij voorkeur van ernstige gesprekken en verkiest bovenal zedekundige onderwerpen. Naast zijn neiging tot het opstellen van verdedigingen van zijn gedrag ontwikkelde zich een peinzen over en zoeken naar de oorzaken en beweegredenen van alles, wat hij had zien doen. Het is ten eenenmale begrijpelijk, dat zijn levensinzicht niet optimistisch zou zijn._

_Men heeft gevraagd hoe hij aan zijn stof was gekomen en of hij niet bij andere moralisten zou hebben geput. Hier op wordt reeds geantwoord in een handschrift uit de 2de helft der XVIIde eeuw (Bibl. Nat. Nouv. Acq. fr. 4333). „_Bijna alles_” zou hij hebben overgenomen uit een boekje, getiteld: „_La Sonde de la Conscience_”, te Genève in 1634 verschenen. Schrijver was Jean Verneuil, die het uit het Engelsch had vertaald. De oorspronkelijke titel was: „_The Mystery of Selfdeceiving, by Daniel Dyke, London, 1615_”. In het handschrift merkt men op: „_Hij voegt er alleen het mooie Fransch aan toe_”._

_Niet gaarne zou ik iets te kort doen aan de verdienste dezer volkomen vergeten schrijvers, zeker brave, vrome protestanten, maar de geschiedenis heeft reeds haar oordeel gesproken: hun werk is volkomen vergeten, terwijl de bundel van la Rochefoucauld zijn waarde zal blijven behouden zoo lang men Fransch zal lezen. Niet als stijloefening, maar om genot te smaken van de geestige wijze, waarop hier kernachtige gedachten zijn uitgedrukt._

_Nog meer vertelt het handschrift: „_Mevrouw de Sablé heeft de Maximes herzien; de mooiste komen van haar. Hij doet er niets aan zonder het haar te toonen.... Die markiezin is het orakel, dat door het geheele Hof wordt geraadpleegd. Zij vleit in hooge mate de eigenliefde, wanneer zij menschen aanspreekt_”._

_Wie zulke overdreven berichten voor waar mocht willen aannemen, moge een brief lezen, door den schrijver gericht aan Mademoiselle de Scudéry, de bekende romanschrijfster. Daarin zegt hij: „_Gij hebt eenige mijner laatste maximes dusdanig verfraaid, dat zij veeleer aan u dan aan mij toebehooren. Ik wensch hartstochtelijk, dat u dezelfde genade aan de andere zoudt willen bewijzen_”._

_Men ziet: hij was niet bang hem verleende hulp te erkennen, maar hij zal vermoedelijk veel zulke briefjes hebben geschreven, want het was nu eenmaal zijn gewoonte de vrienden en vriendinnen te raadplegen. Indien nu Mevrouw de Sablé zoo buitengewoon knap was geweest, is het wel bevreemdend, dat de door haar nagelaten maximes niets om het lijf hebben._

_Er zijn schilders en beeldhouwers, die van hun werk geen afscheid kunnen nemen, die altijd nog iets te wijzigen vinden. Bijkans met geweld moet men ten slotte hun schilderij of beeld uit het atelier laten weghalen om een einde aan het getob te maken. Een dergelijk kunstenaar was la Rochefoucauld. Segrais verhaalt dat de Hertog hem cahiers met spreuken toezond, met verzoek die vijf of zes weken onder zich te houden, ten einde zoowel vorm als inhoud rustig te beoordeelen, en dat er spreuken zijn, die meer dan dertig maal heen en weer zijn gezonden._

_Van die voortdurende veranderingen kan men zeer merkwaardige staaltjes vinden door het vergelijken der handschriften en verschillende drukken. Vaak komt het voor dat hij zijn oordeel verzacht, ten minste minder algemeen toepasselijk maakt, een verzachting toegeschreven aan den invloed van Mevrouw de Lafayette, zijn intieme vriendin, van wie nog aanstonds sprake zal zijn._

_B.v. _Nr. X._ Hierin stond oorspronkelijk „_altijd_”, hetgeen later werd „_bijna altijd_”._

CCV. „De deugdzaamheid der vrouwen is dikwijls haar gehechtheid aan haar naam en haar rust”. _Het beperkende woord „_dikwijls_” is eerst in latere drukken ingevoegd._

CCXXII. „Er zijn weinig menschen, die bij de eerste nadering van den ouderdom niet deden blijken op welke wijze hun lichaam en geest zullen verzwakken”. _Oorspronkelijk stond in plaats van „_weinig_” het veel verder strekkend „_geen_”._

CCLXIII. „Hetgeen men vrijgevigheid noemt is meestal slechts de ijdelheid van te geven, die wij hooger schatten, dan hetgeen wij geven”. _De aanhef was eerst: „_Er bestaat geen vrijgevigheid, het is slechts de ijdelheid van te geven_”, enz._

CCCLXXI. „De jeugd is een voortdurende roes: zij is de koorts van het verstand”. _Hierin is herhaaldelijk veranderd. Vroeger heette het: „_de koorts der gezondheid; de dwaasheid van het verstand_”, later: „_de koorts van het leven; de dwaasheid van het verstand_”._

_Een opmerkelijk voorbeeld is _CCXLI_. „_Behaagzucht is de grondslag van het gemoed der vrouwen, maar allen brengen haar niet in praktijk, omdat de coquetterie van sommigen in bedwang wordt gehouden door vrees of door het verstand_”._

_De aanhef heeft hem veel hoofdbreken gekost: in 1665 schreef hij „_alle vrouwen_”, in 1666 was dit „_de meeste vrouwen_” geworden. Ten slotte werd het in 1671 „_de vrouwen_”. Daar heeft de invloed zijner vriendinnen zich zeker doen gelden!_

_Het waren zeer voorname, begaafde en ontwikkelde dames, die vriendinnen, en gelukkig is menig briefje van haar hand bewaard gebleven, juist ten opzichte van la Rochefoucauld en zijn maximes en het is zeer de moeite waard te lezen wat zij elkander kort voor het in druk verschijnen van den bundel schreven._

_De Princes de Guyméné, geb. Anne de Rohan, schrijft b.v. in ’63 aan de Markiezin de Sablé, een ernstige vriendin van den schrijver, eenige maximes te hebben gezien, en te gelooven, dat zij meer op het humeur van den schrijver gegrond zijn dan op de waarheid, „_hij beoordeelt ieder naar zich zelf_”._

_Haar vriendin was het volmaakt hiermede eens: „_de schrijver heeft in zijn humeur de maxime der luiheid gevonden, want nooit was er een, grooter dan de zijne_”, en deze bewering werkt zij nog verder uit._

_Terloops zij opgemerkt, dat in een beschrijving van de provincie, waar la Rochefoucauld geboren is, wordt vermeld dat de bewoners over het algemeen als lui gelden. (Jean Gervais, Mémoires sur l’Angoumois. 1726)._

_Mevrouw de Liancourt schreef aan dezelfde dame, dat zij aanvankelijk ontsteld was geweest over de wreede beoordeeling der deugden, maar, verder lezende, had zij toch aardige en zelfs goede dingen aangetroffen. Alleen moesten hier en daar eenige woorden gewijzigd worden. En Mademoiselle de Vertus (Cath. Franç. de Bretagne), vriendin van de Hertogin de Longueville, riep Madame de Sablé te hulp, om er voor te zorgen, dat de jonge 14jarige Graaf de Saint Paul (zoon van Mevr. de Longueville en.... den Hertog de la Rochefoucauld) de maximes niet te lezen zou krijgen._

_Mevrouw de la Fayette, later de intieme en trouwe vriendin van den schrijver, riep, ook in ’63, uit: „_welke verdorvenheid moet men in geest en hart bezitten om in staat te zijn iets dergelijks te bedenken_”. Bovendien verzocht zij Mevr. de Sablé hare maximes (het werd mode die te maken) ter leen, als tegengif van die van den Hertog._

_Zeer opmerkelijk is de beoordeeling van de hand van de Hertogin de Schomberg, geb. Marie de Hautefort, de platonische liefde van Lodewijk XIII. Hierboven werd reeds gemeld, dat la Rochefoucauld indertijd voor haar een warme genegenheid had opgevat. Openhartig erkent zij, nog niet zoo ver te zijn gekomen van in de wereld noch eer, noch goedheid, noch eerlijkheid te vinden. Zij acht daarom de Maximes gevaarlijk. Dan staat zij bij eenige spreuken stil, die zij prijst, om te eindigen met de raadgeving aan den schrijver om niet over te gaan tot het laten drukken, om niet alle vertrouwen te verliezen, dat men in hem zou kunnen stellen._

_Dergelijke beoordeelingen bleven hem voorzeker niet verborgen, en hij, die toch reeds geen man van sterk initiatief was, zag er tegen op die min gunstige meening te trotseeren._

_Hoe nu te handelen? Het middel was werkelijk niet zoo moeilijk te vinden. Met het in druk verschijnen zijner Mémoires had hij er niet lang geleden mede kennis gemaakt, zooals hierboven werd medegedeeld. Ik zou niet gaarne beweren, dat de Hertog die publicatie zou hebben in de hand gewerkt; daarvoor zijn de vervalschingen al te plomp, maar hij had er zeker uit geleerd, dat het alles waard is zich op een gegeven oogenblik te kunnen verschuilen achter het uitvlucht: de uitgave heeft buiten mijn weten plaats gehad en is vervalscht. Maar ook zonder die ervaring kende la Rochefoucauld volkomen nauwkeurig de rol, die de Hollandsche boekhandel speelde. Alles wat in Frankrijk gevaar liep in beslag te worden genomen, werd gretig door Hollandsche agenten aanvaard. Eenmaal in hun land aangekomen en gedrukt, waren er honderd gelegenheden het gedrukte over de grenzen te smokkelen. Bovendien was de boekhandel in Holland veel beter uitgerust om den verkoop der uitgaven te bevorderen. Men moet de titellijsten zien om te kunnen beseffen wat in de XVIIde en XVIIIde eeuw in de Nederlanden de productie van Fransche boeken beteekent. Ziehier een kleine greep uit de allerbelangrijkste werken:_

Descartes, Discours de la Méthode. Leyde, 1637.

Corneille, Le Cid. Leyde, 1638.

Nouvelles de divers quartiers. Amsterdam, 1639. (De eerste Fransche courant).

Corneille, L’illustre Théâtre. Leyde, 1644.

Pascal, Les Provinciales. Cologne, 1657.

Pascal, Pensées sur la Religion. Amsterdam, 1684.

Molière, Le Festin de Pierre. Amsterdam, 1638.

De Bussy Rabutin, Histoire amoureuse de France. Amsterdam, 1671.

_Het aantal Fransche couranten was legio, en in de 18de eeuw bleef de stroom van Fransche boeken aanhouden. Eerste drukken van de grootste schrijvers waren niet zeldzaam! Voltaire, Montesquieu, Rousseau, Bayle, Crébillon, enz._

_Het was dus volstrekt geen buitengewoon feit, dat in 1664 in den Haag een eerste druk der Maximes verscheen, en wel onder den titel:_

„Sentences et Maximes de Morale. A la Haye, chez Jean et Daniel Steucker, CIↃIↃCLXIV.”

_Het boek was voorzien van het drukkersmerk der Elzeviers, en een der eerste uitgaven der Steuckers, die later meer belangrijke werken de wereld hebben ingezonden. De naam van den schrijver werd niet vermeld._

_Is deze druk van 1664 verschenen met voorkennis van den schrijver? Bewijzen zijn er niet om een bepaald bevestigend antwoord te geven, maar de mogelijkheid is niet uitgesloten; bijna zou men zeggen: de waarschijnlijkheid is niet gering. Het was een veelvuldig gebruikte kunstgreep en de wijze, waarop er in den druk van 1665 over wordt gesproken, wekt achterdocht._

_Er wordt het vermoeden geuit, dat de schrijver zijn handschrift in zijn kast zou hebben laten liggen „_ware het niet, dat een slechte kopie, die in omloop was, en die zelfs sedert eenigen tijd in Holland was terecht gekomen, een zijner vrienden had genoopt hem (den uitgever) een andere kopie te geven, die volgens dien vriend, geheel en al overeenkomt met het oorspronkelijke_”. Algemeen neemt men aan, dat deze voorrede door den Hertog is opgesteld; het bedenksel van dien „_vriend_” geeft aanleiding om het verdere van het verhaal evenmin te gelooven. Aanstonds zal nog worden gewezen op de buitengewone snelheid, waarmede de druk van 1665 volgde en die de verrassing uit den Haag uiterst onwaarschijnlijk maakt._

_Hoe het zij; de Haagsche uitgave had het ijs gebroken; maar zij is zóó zeldzaam geworden, dat vele jaren lang haar bestaan als een legende is beschouwd, zelfs in het monumentale werk: „_Les Grands Ecrivains de la France, publiés par Ad. Regnier, Paris, 1868-1883_.” Vergeten was dat zekere Pater Andry in 1814 een exemplaar, door hem gezien, vermeldt, en het toeval wilde, dat een exemplaar in handen was gevallen van een boekenliefhebber, die zeer goed het belang van dit boekje besefte, maar het niemand gunde de vondst wereldkundig te maken. Eerst na zijn dood in 1881 kwam het zeldzame boekje uit zijn kast te voorschijn._

_Inmiddels had Alph. Willems, de geschiedschrijver der Elzeviers, een tweede exemplaar gevonden, en er in 1879 een beschrijving van gegeven. In 1883 volgde een keurig verzorgde herdruk door Alph. Pauly._

_Voorbereid of niet, de Hertog heeft met den druk van 1665 niet lang op zich laten wachten, want het privilegie is van 14 Jan. 1664, en het „_achevé d’imprimer_” van 27 Oct. 1664. Dit feit versterkt zeer het vermoeden, dat de zoogenaamde onbescheidenheid niet onverwacht kwam. Hoe zou de schrijver, die, volgens de voorrede, niet aan drukken dacht, zoo snel gereed hebben kunnen zijn met het laten schrijven van de Inleiding en het laten drukken?_

_Opmerkelijk is het hoe weinig zeker de schrijver van zijn succes was. Reeds in zijn voorrede somt hij op, welken tegenstand hij verwacht en verschuilt hij zich zelfs achter de Kerkvaders. Eindelijk voegt hij een langen brief bij „_aan den lezer_”, welken brief men hem „_heeft gegeven_” en die hem geschikt voorkomt als verdediging tegen de critici, die zich in hun „_menschelijken hoogmoed_” gekwetst achten. In dien brief (ook „_discours_” genoemd), men weet niet wie hem heeft opgesteld, beginnend met bijna kinderachtige toespelingen op de persoonlijkheid van la Rochefoucauld, wiens naam verzwegen wordt, worden de Maximes met behulp van een lange reeks aanhalingen uit beroemde schrijvers en dichters uit alle tijden verdedigd. Men vraagt zich af hoe het mogelijk was, dat de Hertog, een man van zooveel smaak en vernuft, heil kon zien in een dergelijk geschrift. Alleszins begrijpelijk is het, dat de uitgever, Claude Barbin, van meening was, dat deze brief het boek ongeluk aanbracht en het achterwege-laten in volgende drukken een aanbeveling van het werk achtte._

_De schrijver daarentegen vond deze apologie nog niet eens voldoende; door zijn vriendin, Mevrouw de Sablé, liet hij een aanbevelend artikel in het „_Journal des Savants_” van 9 Maart 1665 schrijven. Haar ontwerp is bewaard gebleven; de vorm, waarin het werd opgenomen, is voorzeker van den schrijver zelf. Wat hem minder behaagde schrapte hij._

_Het boek zag het licht onder den titel;_

Réflections ou Sentences et Maximes morales. A Paris chez Claude Barbin.... M.DC.LXV.

_Het bevatte 314 maximes (tegen 189 in den Haagschen druk) en maakte onmiddelijk zulk een opgang, dat in hetzelfde jaar niet minder dan drie nadrukken verschenen._

_La Fontaine wijdde er een fabel aan en Mevr. de Maintenon liet den schrijver door Ninon de Lenclos zeggen, dat naast het Boek Job, zijn Maximes haar eenige lectuur vormden._

_Wat de druk van 1665 bovenal merkwaardig maakt is de omstandigheid dat er zoo vele verschillende staten van bestaan. De schrijver hield niet op aan den tekst te vijlen en te wijzigen. Zoolang er nog exemplaren in voorraad waren liet hij sommige bladzijden, waarin gewijzigd was, overdrukken en hiervoor zoogenaamde „_cartons_” inplakken. Reeds heeft men elf verschillende staten van het boek in dit opzicht aangetroffen. Er behoort bibliographisch talent toe om den weg in dit doolhof te vinden._

_In 1666 verscheen bij denzelfden uitgever een nieuwe druk, „_nouvelle édition_” gewaarmerkt, met 302 maximes. Het „_Discours_” is hier weggelaten en men leest niet zonder glimlach, dat „_de Maximes bij het publiek zoo veel instemming gevonden hebbende, men haar geen grooter onrecht zou kunnen doen dan te meenen, dat zij een apologie noodig zouden hebben_”. Toch is, na den dood van den schrijver, het Discours weder te voorschijn gehaald._

_In 1671 volgde de derde druk met 341 maximes en het volgende jaar zagen twee drukken te Rouaan en te Lyon het licht, feitelijk geen nadrukken, want men had verzuimd het afgeloopen privilegie van ’64 te vernieuwen. Zoodoende verscheen eerst in 1675 de officieele vierde druk (met 413 maximes)._

_Een jaar later zien wij de Gebroeders Steucker in den Haag weder te voorschijn treden, ditmaal met een herdruk van de uitgave van 1665. Met een nieuw privilegie van 3 Juli 1678 verscheen daarna de vijfde druk, wederom bij Claude Barbin, met 504 maximes. Dit was de laatste uitgave, door den schrijver herzien. Twee jaar later overleed hij, maar dat hij tot het laatst aan zijn boek vijlde, blijkt uit het feit, dat er zelfs van dezen druk een exemplaar met een „_carton_” bekend is. Het is hier niet de plaats de verdere lotgevallen van het boek te volgen, dat in vele talen is overgezet. B.v. in het Engelsch voor het eerst in 1685, in het Duitsch in 1699, in het Italiaansch in 1763, het Spaansch in 1784 en in het Russisch in 1788._

_Voor mijne vertaling heb ik gemeend mij te moeten bepalen tot den vijfden druk, den laatsten door den schrijver bezorgd, en te moeten weglaten wat la Rochefoucauld in vroegere uitgaven geschrapt had, evenals hetgeen in zijn nalatenschap gevonden is, doch door hem zelf niet werd opgenomen. Tegenover den schrijver kwam mij dit het meest juiste standpunt voor._

_Het einde van de Fronde was het keerpunt in het leven van la Rochefoucauld geworden. Alle illusies van het spelen van een voorname politieke rol waren vervlogen; in letterkundigen arbeid moest hij troost zoeken tegen zijne geldelijke zorgen en zijn zich sedert ’52 openbarende kwaal, de jicht, omstandigheden, die men bij de beoordeeling zijner uitingen niet uit het oog mag verliezen._

_Verkeerd zou men evenwel doen zich la Rochefoucauld als een menschenhater voortestellen. Geen beter middel om zich hiervan te overtuigen dan het lezen der brieven van Mevr. de Sévigné, die hem vele jaren en van nabij kende. Daar ziet men den schrijver grapjes maken, bonbons zenden, schaterlachen over brieven van Mevr. de Grignan. Voorzeker, berichten aangaande droevige, zwaarmoedige buien ontbreken niet: de kwellingen der jichtpijnen waren ondragelijk, maar de beschrijvingen van de wijze waarop hij de slagen van het noodlot droeg, dood en verwonding zijner nabestaanden, maken hem zeer sympathiek. „_Le coeur de M. de la Rochefoucauld pour sa famille est une chose incomparable_”. Hoe ging hij gebukt onder den dood van den zoon van Mevr. de Longueville, den Comte de St. Paul, wiens portret als „_dessus de porte_” in zijn kamer hing. Telkens stuit men op de meest waardeerende uitdrukkingen; „_c’est l’homme le plus aimable que j’ai jamais vu_”, schreef zij in 1672. In 1680 leest men nog: „_Je n’ai jamais vu un homme si obligeant ni plus aimable, dans l’envie qu’il a de dire des choses agréables_”; en toen hij kort daarna was overleden heette het: „_Jamais homme n’a été si bien pleuré_”._

_En niet zonder verbazing, ziet men hoe zij, tien jaren na zijn dood, sprekende over het maken van vrienden, er haar dochter op wijst hoe gelukkig het voor Mevr. de Lafayette is zich zoo vele vrienden te hebben gemaakt, iets wat la Rochefoucauld haar geleerd had. Leest men wat hij over vriendschap schrijft (een soort handelszaak!) dan zou men zoo iets niet verwacht hebben._