Part 1
_Maximes van La Rochefoucauld_
[Illustratie: Postret]
_MAXIMES_ _van_ La Rochefoucauld
_Vertaald door Dr. D. F. Scheurleer_
[Illustratie: Uitgever logo]
’S-GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF 1922
INHOUD.
Inleiding 7
Voorrede der uitgave van 1665 90
Voorrede der uitgave van 1678 96
Maximes 99
Portret van La Rochefoucauld door hemzelf 252
Portret van La Rochefoucauld door Kardinaal de Retz 266
Register 271
_INLEIDING._
_I._
_Zelden volgden hevig ontroerende gebeurtenissen elkander zóó onafgebroken op, als in Frankrijk gedurende de eeuw, na den dood van Koning Hendrik II. Het land was bezig zich tot een organisch geheel te vormen maar de omstandigheden waren daartoe niet gunstig. Een reeks onbekwame, krachtlooze koningen, zonder levensdoel, veelal speelbal van gunstelingen, volgden elkander op en bovendien herhaalde zich telkens het rampzalige feit, dat hij, die den troon moest bestijgen, veel te jong was om de teugels van het bewind in handen te nemen. Frans II, die in 1559 koning werd, was 15 jaar oud, en stierf na achttien maanden. Zijn opvolger, Karel IX, had toen den leeftijd van 10 jaren bereikt. Op het oogenblik, dat deze overleed, was hij niet ouder dan 24. Hendrik III, die nu den troon besteeg, was 23 jaar oud, maar in den oorlog tegen de Hugenoten had hij ten minste gelegenheid gehad zekere zelfstandigheid te verwerven. Een dolkstoot van een fanatieken monnik maakte een einde aan zijn leven, dat aan Frankrijk geen heil had gebracht (1589)._
_Naast en boven deze drie broeders stond altijd de moeder, Catharina de Medici, een karaktervolle vrouw, een wonderlijk mengsel van heerschzucht en slimheid, nu eens scherp doortastend, dan weer wankelmoedig. Wanneer ergens de woorden van den Prediker kunnen worden aangehaald, dan is het hier: „Wee u, land, welks koning een kind is”._
_Meer dan ooit staken de partijen het hoofd op, om zich van het oppergezag meester te maken. Het volk, door middel der parlementen, begon zich te doen gelden, maar bovenal was het de adel, die van den koning een willoos werktuig trachtte te maken._
_Een derde macht had zich in den Staat gevormd: de Hugenoten. De vrije uitoefening van den Protestantschen godsdienst was voorzeker een hoofddoel van hun optreden, maar niet kan worden ontkend, dat ook zij dongen naar het bezit van het roer van staat._
_Zoo kwam het niet minder dan achtmaal tot een Hugenoten-oorlog. Nu eens sloot men vrede in het voordeel der Protestanten, aangevoerd door de Bourbons, dan weder waren de Katholieken, onder de Guises, aan de winnende hand. En aangezien het Hof noch de oppermacht van de ééne, noch die der andere partij kon gedoogen, trad het met niets ontziende heftigheid, afwisselend tegen beide op. Moordaanslag op den admiraal de Coligny, Bartholomeus-nacht, moord der Guises, enz. enz. De Italiaansche methodes werden toegepast._
_Met de troonsverheffing van Hendrik IV, 1589, scheen een beter tijdperk te zijn aangebroken. Er was een persoonlijkheid opgetreden, die wist wat hij wilde en den moed had datgene te doen, wat hem noodzakelijk toescheen, zelfs ten derde male een verandering van geloof! En daar er kracht van hem uitging werd hij toegejuicht. De vijanden joeg hij het land uit, verscheidene stukken gebied voegde hij aan het rijk toe; de geldmiddelen liet hij behoorlijk beheeren en weldra was hij de meest populaire koning, dien Frankrijk ooit gehad heeft. Dat hij op het punt van zedelijkheid uiterst vrije begrippen had was geen hinderpaal. Men was daar sedert lang aan gewend._
_Zijn vroegeren geloofsgenooten, den Hugenoten, schonk hij het Edict van Nantes. Hij verleende hun daarbij vrijheden, maar niet verder, dan hij met zijn koninklijk gezag oirbaar achtte. Juist was hij voornemens zich in den dertigjarigen oorlog te mengen met het doel Frankrijk den Rijn als grens te verschaffen, toen een moordenaar hem neervelde. Een voor zijn land zeer kostbaar leven werd hierdoor plotseling afgesneden._
_Kenschetsend voor de toenmalige toestanden is hetgeen nu geschiedde. De Koning liet slechts een achtjarigen zoon na, Lodewijk XIII. Men wist niet recht op welke wijze de moeder, Maria de Medici, tot Regentes uit te roepen. Toevallig had het Parlement zitting. Daaraan werd onverwijld verzocht te voorzien in het regentschap en de regeering van het rijk: er werd aan toegevoegd, dat er geen onzekerheid kon bestaan aangaande de keuze, namelijk die der Koningin-Weduwe._
_De zitting was nauwelijks geopend of de generaal der infanterie trad binnen, den degen in de hand, om de Heeren er op te wijzen, dat de zaak spoed vereischte. Een uitnoodiging om plaats te nemen werd door hem afgeslagen. Op gelijke wijze verscheen de Hertog de Guise. Het gevolg was, dat het gewenschte besluit onmiddelijk werd genomen. Twee en een half uur na den moord was de Regentes benoemd; doch bij nader inzien vond het Hof, dat op deze wijze het aanzien van het Parlement te zeer was gestegen. Er werd dus tegen den volgenden dag een „Lit de Justice” in het Parlement beroepen, alwaar, alsof er niets beslist was, de Koningin-Weduwe en de jonge Koning met groote statie verschenen, toespraken hielden en ten slotte het arrest werd uitgesproken, dat de Koning zijn moeder tot Regentes benoemde. Een sprekend bewijs van het gebrek aan afbakening der bevoegdheden._
_De Regentes was door haar zwak karakter niet opgewassen tegen de moeilijkheden van haar taak. Reeds vier jaar later verklaarde de Koning zich meerderjarig en in 1617 volgde zelfs de verbanning zijner moeder; haar gunsteling Concini werd vermoord._
_Lodewijk had niet de kracht van zijn vader geërfd. Hij was beperkt van geest, jaloersch, achterdochtig. Zijne eerste raadgevers hielpen hem niet over de moeilijkheden heen, daarin kwam eerst in 1624 verandering, toen Richelieu de leiding kreeg. Bij uitstek merkwaardig is de schets, die de Kardinaal in zijn „Politiek Testament” van den toestand van Frankrijk bij zijn optreden geeft:_
„Toen Uwe Majesteit besloot mij tegelijkertijd zitting in uwen raad en voor de leiding der zaken een groot deel van uw vertrouwen te schenken, kan ik naar waarheid verklaren, dat de Hugenoten den Staat met u deelden, dat de grooten zich gedroegen alsof zij geen onderdanen en de machtigste gouverneurs der provinciën alsof zij souverein in hun ambt waren...... ieder mat zijn verdienste met den maatstaf zijner vermetelheid.... De meest ondernemenden waren het meest geacht en gevoelden zich veelal het gelukkigst.”
_In de 18 jaren van zijn beheer heeft de Kardinaal niet stil gezeten; het einddoel was de versterking van het monarchale beginsel. De opstandige hooge adel moest worden overwonnen, de Hugenoten verjaagd uit eigen vestingen en sterkten, tegen Engeland, Spanje en Oostenrijk moest worden front gemaakt. Tallooze intriges en complotten maakten hem het leven zuur, maar hij wist zich te verdedigen; vele groote Heeren moesten voor den scherprechter het hoofd buigen, en zelfs den Koning dwong hij zijn vijanden aan hem uitteleveren. Bij zijn dood was Frankrijk een krachtige staat geworden. (1642)._
_En toen weinige maanden later zijn Koning overleed was er wederom slechts een knaap, ditmaal 4 jaar oud, om optevolgen. En wederom een Koningin-Weduwe, Anna van Oostenrijk, als Regentes. Onmiddelijk gaf deze de leiding over aan Mazarin, die het voorbeeld van zijn voorganger volgde en zich tot taak stelde de centralisatie van het Rijk verder doortevoeren en in de buitenlandsche politiek een rol te spelen. Met zijn scherpzinnigheid en taaiheid wist hij menig succes te behalen, maar het aantal tegenstanders groeide voortdurend aan. Bij alle partijen werd de „Italiaan” doodelijk gehaat. Zoodoende kon het tot den wonderlijken burgeroorlog komen, die den naam van Fronde draagt, en gedurende de jaren 1648-1653 de ontwikkeling van Frankrijk ten eenenmale verhinderde. Van den aanvang aan was deze oorlog, feitelijk alleen de verdrijving van den Kardinaal ten doel hebbende, tot mislukking gedoemd. Adel en Parlement, die hier samengingen, hadden te zeer tegenstrijdige belangen om tot een, beide partijen bevredigend, resultaat te kunnen komen. Wel gelukte het hun den Kardinaal tijdelijk te dwingen het land te verlaten, maar dit was slechts van korten duur. Noch de hooge adel, noch de geestelijkheid onder Kardinaal de Retz, noch de parlementen hadden voldoende uithoudingsvermogen om het tegen de Koninklijke regeering vol te houden. Een algemeene moedeloosheid en een overal op den voorgrond tredend verlangen naar rust maakten een einde aan den burgeroorlog. Tot aan zijn dood, 1661, bleef Mazarin zijn post bekleeden; daarna nam Lodewijk XIV zelf de teugels van het bewind in handen, en hij bleek de schitterendste verpersoonlijking van het begrip der absolute monarchie te zijn. Hij verdiende den naam van Roi Soleil._
_Voor Frankrijk was een der schitterendste tijdperken zijner geschiedenis aangebroken._
_II._
_François VI, Hertog de la Rochefoucauld, werd den 15 September 1613 geboren. Als oudste van 12 kinderen droeg hij aanvankelijk den naam van Prins de Marcillac, naar een der familie-goederen; eerst na den dood van zijn vader, in 1650, erfde hij den Hertogenlijken naam. Zijn familie behoorde tot de oudste en voornaamste geslachten van Frankrijk. Zij stamde af van Foucauld I, „Seigneur de la Roche en Angoumois”. Koning Lodewijk XI noemde Jean de la Rochefoucauld reeds: „_féal et amé cousin_” en Frans I betitelde het hoofd der familie met: „_très cher et amé cousin et parrain_”. Fier beweerde Marcillac in 1648 tegenover Mazarin:_
„Ik kan bewijzen, dat sedert drie eeuwen onze koningen het niet beneden zich geacht hebben ons te behandelen als bloedverwanten.”
_Zijn overgrootvader werd Calvinist en vond op St. Bartholomeus zijn dood. De grootvader diende den Koning van Navarra en werd door soldaten der Ligue vermoord. De vader werd in 1610 Katholiek en in 1622 tot Hertog en Pair verheven. In de aderen van den schrijver der Maximes vloeide echter nog heel wat calvinistenbloed._
_Van zijn prille jeugd weten wij zoo goed als niets. Hij ontving geen klassieke opleiding, later erkende hij zelf: met de Latijnsche taal op geen goeden voet te staan._
_Hij was 15 of 16 jaar toen hij in het huwelijk trad. Het is wel merkwaardig, dat aangaande de vrouw van zulk een voornaam en beroemd man ongeveer niets bekend is. Wij weten echter dat zij acht kinderen ter wereld bracht. Verder is het bekend dat haar echtgenoot hemel en aarde bewoog haar het recht op een tabouret aan het Hof te bezorgen, maar het heeft er allen schijn van, dat dit minder een uitvloeisel was van groote liefde tot zijn vrouw, dan van zijn verlangen spoedig den rang van Hertog te verkrijgen. Haar sterfjaar is onbekend; men vermoedt dat het 1670 is._
_In 1629 diende hij bij het leger in Italië, en toen de veldtocht was geëindigd kwam hij aan het Hof, waar hij eene sterke genegenheid opvatte voor een hofdame, Marie de Hautefort (de platonische beminde van den Koning). Door haar kwam hij in de nadere omgeving der Koningin, Anna van Oostenrijk, en zoo geraakte hij betrokken in de gevaarlijke intriges tegen den Kardinaal. In zijn Mémoires erkent la Rochefoucauld:_
„Ik meende dat de partij der Koningin de eenige was, die men fatsoenshalve kon volgen. Zij was ongelukkig en werd vervolgd, en de Kardinaal was eerder haar tiran dan haar minnaar”.
_Het is hem spoedig gebleken, dat de fortuin niet altijd aan de zijde van het „fatsoen” staat._
_Over het algemeen was het zijn ongeluk altijd de partij te kiezen, die verloor._
_In 1635 was hij bij het leger, dat met de troepen van Frederik Hendrik in de Zuidelijke Nederlanden de Spanjaarden bestreed. Ook daar behaalde hij geen roem en tengevolge van te vrijmoedige opmerkingen werd hem de toegang tot het hof ontzegd. Eerst in 1637 werd hij er weder toegelaten, een uiterst kritiek oogenblik, want de Koningin werd beschuldigd, met behulp der Hertogin de Chevreuse, de grootste en onversaagste intrigante uit die dagen, in verstandhouding te staan met den Koning van Spanje. Een feit is het dat Anna in briefwisseling stond met haar broeder Koning Filips, en Richelieu deed zijn best de vorstin gevangen te zetten en te laten verstooten. Het was in die dagen dat het fantastische plan werd beraamd van een vlucht der Koningin met haar hofdame, onder leiding van la Rochefoucauld. Met veel zelfkennis schreef hij later;_
„Ik was op een leeftijd, waarop men gaarne de meest buitengewone en geruchtmakende dingen doet, en ik dacht dat er in die richting niets mooier was dan gelijktijdig de Koningin aan den Koning, haren echtgenoot, en aan den Kardinaal, die jaloers op haar was, te ontvoeren en Mademoiselle d’Hautefort te ontnemen aan den Koning, die verliefd op haar was”.
_Hebben wij wellicht te maken met een gevolg van zijn hartstochtelijk lezen van romans?_
_Tot uitvoering kwam het niet; daarentegen werd ontdekt dat Marcillac weder in verbinding was getreden met de voortvluchtige Hertogin de Chevreuse. Het liep goed voor hem af, want na acht dagen Bastille kwam hij vrij met een verbanning naar zijn kasteel Verteuil. Men krijgt den indruk dat de Kardinaal hem eveneens als een weinig gevaarlijk, opgewonden jongeling, en zijn optreden als een gasconnade of galant avontuur beschouwde._
_In 1639 maakte hij den veldtocht in de Spaansche Nederlanden mede en hij gedroeg zich zoo moedig, dat de Kardinaal hem den rang van generaal-majoor aanbood. Het was echter de Koningin, die hem den raad gaf het aanbod aftewijzen, ten einde geenerlei verplichting aan den minister te hebben. De prins bleef voortgaan hulp te verleenen aan samenzweerders, zelfs aan deelnemers van het complot van Cinq Mars!_
_Eindelijk kwam de dag, waarnaar zoo lang was uitgezien: de sterfdag van den Kardinaal, Dec. ’42, en de Koning volgde hem weinige maanden later, Mei ’43. Wie de Koningin gesteund hadden meenden, dat thans hun oogenblik gekomen was. Bittere ontgoocheling; de Koningin werd Regentes, maar nog den zelfden dag werd Mazarin, een Italiaan, aanbevolen door Richelieu, eerste Minister. In zijne _Mémoires_ en vooral in zijn _Apologie_ beschrijft la Rochefoucauld duidelijk hoe hem te moede werd te ondervinden, dat de Koningin, aan wie hij zich zóó geheel gewijd had, en ten behoeve van wie hij meer dan eens alles op het spel had gezet, niet bereid werd gevonden hem een ambt te verleenen, overeenkomstig zijn rang en verdienste. In de dagen harer verdrukking mocht zij gaarne de diensten van den ridderlijken jongen man hebben aanvaard, nu zij de oppermacht in handen had en veelal door de oogen van Mazarin keek, werd zij onverschillig tegenover hem, die alle aanbiedingen afsloeg en bepaaldelijk wenschte een ambt te bekleeden „in haar particulieren dienst”. Zoo ontstond stond een toestand van vervreemding, die zeer ongunstig op het gemoed van den teleurgestelde werkte. Was het hem toch bekend dat hij wegens zijn trouwe diensten aan de Koningin openlijk „_een martelaar_” werd genoemd en zij zelf van haar „_serviteur_” sprak. Dit had jaren geduurd, en zóó zeer scheen zij hem genegen, dat zij verklaarde, wanneer hij aan het front was, de nieuwsbladen weg te werpen, zoodra zij er niets over hem in had gevonden._
_Nu de omstandigheden veranderd waren scheen dat alles te zijn vergeten. Daarentegen moet erkend worden dat hij, ten gevolge van zijn opvatting van fatsoen, eer en ridderlijkheid, zijn neiging tot het romantische en zijn eerzucht, geen „gemakkelijk mensch” was. Ondanks alle ervaringen meende hij zich niet los te kunnen maken van intriganten als de Hertogin de Chevreuse, die een nieuw kabaal had veroorzaakt in verband met het vinden van twee liefdesbrieven, die aan een daaraan geheel onschuldige werden toegeschreven. Daarentegen joeg hij andere groote heeren, zooals den Hertog van Orleans, oom van den Koning, tegen zich in het harnas door onvoorzichtige uitlatingen. Telkens zien wij hem weder partij kiezen voor de partij, die het ten slotte verliest. Was het ridderlijkheid, onberadenheid, zucht tot oppositie, naiveteit, edelmoedigheid, onhandigheid? Misschien was een weinig van dit alles in het spel, maar het gevolg was, dat hij zich, zoowel op militair als op staatkundig gebied, ten slotte elke mogelijkheid tot slagen afsneed._
_Het was in 1646 dat hij in nadere aanraking kwam met een vrouw, die een groote rol in zijn leven heeft gespeeld: Anne-Géneviève de Bourbon, dochter van den Prins van Condé. Zij was in 1619 in de gevangenis te Vincennes, waar haar vader opgesloten was, geboren. Zoowel door haar schoonheid als door haar geest wist zij ieder te betooveren. In 1642 huwde zij den 24 jaar ouderen Hertog de Longueville (Hendrik II van Orleans), maar huwelijkstrouw was een deugd, die in dien tijd weinig beoefend werd. Ontegenzeggelijk is deze zuster van den grooten Condé een der hoofdpersonen van de Fronde geweest, maar het is moeilijk uittemaken of het la Rochefoucauld was, die haar aanzette of dat het omgekeerde het geval was. Voor het laatste is nog al wat te zeggen, want zij was buitengewoon energiek. Opmerkelijk is het dat tijdgenooten de intieme verhouding van dit paar hoofdzakelijk aan eigenbelang van zijne zijde toeschrijven, maar oordeelvellingen van deze tijdgenooten, meest allen bij de eindelooze intriges betrokken, mag men niet te grif aannemen. Den indruk maakt het, dat hij inderdaad een hartstocht voor haar had opgevat, waartegenover staat dat Madame de Sévigné, die hem veel had ontmoet, en hem genegen was, 7 Oct. 1676 schreef: „_Ik geloof niet, dat hij ooit wat men noemt verliefd is geweest_”. In zijn Mémoires verklaart hij onomwonden hoe bij hem het plan tot rijpheid kwam de partij der Koningin te verlaten en zich bij hare tegenstanders aantesluiten. Wat hij haar vroeg werd geweigerd, zelfs de militaire aanstelling, hem vroeger door den Kardinaal aangeboden, doch op haar raad van de hand gewezen._
„Zoo veel onnutte bemoeiingen en weerzinwekkende ervaringen brachten mij eindelijk op andere gedachten en deden mij gevaarvolle wegen opzoeken om aan de Koningin en den Kardinaal mijn wrok te betoonen”.
_De openlijke breuk volgde eerst een paar jaar later. Madame de Longueville vertrok 21 Juni 1646 naar Munster, waar haar man betrokken was bij de vredesonderhandelingen, en weinige dagen later voegde Marcillac zich als vrijwilliger wederom bij het leger in Vlaanderen. Even als de vorige maal had hij geen geluk, want reeds in Augustus werd hij voor Mardijck door drie musketkogels gewond, ten gevolge waarvan hij naar Parijs terug moest keeren. Door bemoeiingen van zijn vader werd hem vergund het gouverneurschap van Poitou te koopen, een post, die hem echter volstrekt niet aantrok. Toen in 1648 de moeilijkheden tusschen Mazarin en het parlement begonnen, trad hij te Poitiers trouw op voor het Hof en den Kardinaal, en hij erkent dat er toen een toenadering tusschen hem en den Minister was ontstaan. Zelfs had men hem den titel van Hertog beloofd, aan welken rang het vurig begeerde recht op een tabouret ten hove voor zijn gemalin verbonden was. Het niet nakomen dezer belofte, ondanks verschillende rappels, deed hem terugvallen in de oppositie. Zes andere hovelingen werden met deze onderscheiding wel bedacht, hij alleen niet._
_Inmiddels was buiten hem om een overeenkomst gesloten tusschen voorname parlementsleden, en leden van den allerhoogsten adel, zooals Prins Conti, den Hertog de Longueville, den Coadjuteur de Retz enz., tot het voeren van een gewapend verzet tegen de regeering. Het was het begin van den burgeroorlog, die in de eerste plaats gericht was tegen Kardinaal Mazarin en zijn zware belastingen en in het algemeen tegen de absolute monarchie. Zoodoende reikten elkander de hand edelen en parlementsleden, natuurlijke vijanden, die alleen samen konden gaan zoo lang het gold het verdrijven van de toenmalige regeering. Behoorlijke plannen voor het geval van slagen konden niet bestaan; personen, die het roer in handen zouden kunnen nemen, ontbraken. Verschillende groote heeren begonnen den strijd met weinig overtuiging._
_Marcillac werd door Mevrouw de Longueville naar Parijs opontboden ten einde zich bij het complot aantesluiten en hij gaf onmiddelijk aan de roepstem gehoor. Ook hier weder ging het initiatief niet van hem uit._
_Het maakt den indruk dat Mevrouw de Longueville de ziel der beweging was, al werd haar broeder, de Prins de Conti, als het hoofd aangezien. Condé, haar andere broeder, die zich eerst had willen aansluiten, draaide ten slotte om en nam het bevel der Koninklijke troepen op zich, die Parijs belegerden. Het hof vluchtte naar St. Germain; Conti en zijn zuster namen hun intrek in het stadhuis van Parijs, ten einde het wantrouwen der bevolking tegen hen weg te nemen. Allerlei grootheden sloten zich bij de partij van het Parlement aan: de Hertogen de Beaufort, d’Elbeuf, de Bouillon, de Luynes; Turenne, de Markies de Noirmoutier, enz., men ziet: Marcillac was in goed gezelschap._
_In een gevecht tegen de troepen van Condé werd hij ernstig gewond, zoodat hij persoonlijk niet meer kon optreden voor dat de schikking van Rueil (11 Maart ’49) een einde aan de vijandelijkheden maakte. Het was Mevrouw de Longueville, die bij de onderhandelingen zijn belangen behartigde. In het stadhuis was zij moeder geworden van een zoon, waarvan het vaderschap algemeen aan Marcillac werd toegeschreven. (28 Jan. ’49)._
_Lang duurde de vrede niet: Mazarin en Condé verdroegen elkander zeer slecht en de Minister, bevreesd voor te groot aanzien van Condé, liet hem (18 Jan. ’50) met Conti en Longueville gevangen zetten. Mevrouw de Longueville wist zich, door op raad van Marcillac de vlucht te nemen, te redden; hijzelf begaf zich naar Poitou om te trachten Bordeaux in opstand te brengen._
_Hiermede was het tweede bedrijf der Fronde begonnen, even onverkwikkelijk als het eerste. Ook het derde en laatste was niet beter. Geldgebrek, onhandigheid van Condé, afwezigheid van gemeenschappelijk eindbelang bij de frondeerende bondgenooten. Daartegenover de taaiheid en geslepenheid van den Kardinaal en de kracht, die van het koningschap uitging. Een der energiekste figuren is wel Mevrouw de Longueville gebleven, die het bovendien niet toelachte naar haren echtgenoot terugtekeeren. La Rochefoucauld wordt door meer dan één tijdgenoot geprezen om zijn kordaat optreden als soldaat, maar lauweren vielen er niet voor hem te behalen. Zijn kasteel Verteuil werd verwoest en bij een gevecht in den Faubourg St. Antoine (2 Juli ’52) werden hem bijna de oogen uit het hoofd geschoten._
_Wat baatte het dat de Prinsen uit hun gevangenschap werden ontslagen, wat hielp het dat Mazarin tijdelijk het land moest verlaten? De Koning deed in October 1652 zijn feestelijken intocht in Parijs en nog geen jaar later werd de vrede gesloten, met volkomen overwinning door de Monarchie._
_La Rochefoucauld’s toestand was allertreurigst. Zijn fortuin wanhopig achteruitgegaan en natuurlijk geenerlei uitzicht op een regeeringsambt, hem waardig. Zijn verhouding tot Mevrouw de Longueville was geëindigd, daar zij zich de hofmakerij van den Hertog de Nemours had laten welgevallen. De wijze, waarop hij toen tegen haar is opgetreden, behoort niet tot zijn luisterrijke daden. Hij trok zich terug op zijne bezittingen, Verteuil en Rochefoucauld, in de eerste plaats om zich te wijden aan het herstel van zijn vermogen. Daarnaast begon hij zijn letterkundige loopbaan._
_Gelijk hierboven reeds werd gemeld had hij niet gestudeerd. Geschriften van zijn hand uit zijn prille jeugd zijn niet bekend. Het oudste document is een brief van 1638, waarin hij zijn houding tegenover de Hertogin de Chevreuse, de tegenstandster van Richelieu verdedigt. Hier hebben wij een uitmuntend gesteld stuk, dat voor een jong mensch van groote vaardigheid getuigt._