Part 18
De verspieder had waarschijnlijk vernomen, wat hij wenschte te weten; want in het daarop volgend oogenblik was hij in het struikgewas spoorloos verdwenen.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory tuurden rondom zich en toen zij niemand meer bespeurden, krulde een glimlach hunne lippen.
XI.
DE CASA INGLESE.
Den volgenden dag, zoo omstreeks één uur in den namiddag, maakten dokter Antekirrt en Piet Bathory hunne toebereidselen, om van boord te gaan en aan hunne voornemens gevolg te geven.
De barkas nam de passagiers op, maar alvorens daarin af te dalen, beval de dokter kapitein Köstrik aan, goed te doen uitkijken naar de aankomst van de Electriek, die ieder oogenblik te wachten was, en droeg hem op, dat vaartuig onmiddellijk naar de wateren der Faraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd, te zenden. De scheepsgezagvoerder knikte ten teeken dat hij zijn patroon goed begrepen had.
Wanneer het plan gelukte, wanneer Sarcany, of ten minste Zirone en Carpena gevangen genomen waren, dan moest dat snelle bootje hen dadelijk naar Antekirrta overbrengen, waar de dokter de verraders van Triëst en van Rovigno in zijne macht wilde hebben. Zoo waren de plannen, zoo zou moeten gehandeld worden.
De barkas stak af. In weinige minuten had zij de trap van de kade van Catania bereikt.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren in het gewone reispak van bergbeklimmers gestoken, die genoopt zullen worden om eene temperatuur te trotseeren, die tot zeven graden onder het vriespunt kan dalen, terwijl zij op het strand nabij de oppervlakte der zee dertig daarboven teekent. Zij hadden een gids bij de afdeeling der Alpenclub op de Via Lincoln No. 17 besproken. Deze wachtte hen met paarden, die te Nicolosi door muildieren zouden vervangen worden, welke laatste dieren steviger op de beenen waren, daarbij als onvermoeibaar geroemd worden en bijgevolg de voorkeur, in zoo’n bergterrein als Sicilië is, verdienden.
De stad Catania, welker breedte gering te noemen is in vergelijking met hare lengte, was spoedig doorsneden.
Niets duidde den dokter aan, dat hij bespied of gevolgd werd. Hij en Piet Bathory begonnen, na den Belvedère-weg ingeslagen te hebben, te stijgen en dus den invloed te ondervinden van de eerste verheffingen van het Etnasche bergstelsel, waaraan de Sicilianen den naam van Mongobello-berg gegeven hebben en welker doorsnede niet minder dan vijf en twintig mijlen meet, hetgeen voor een voorgebergte nog al aanmerkelijk mag heeten.
De weg was natuurlijk zeer geaccidenteerd en uiterst bochtig. Hij week somwijlen van de algemeene richtig af, om lavabeddingen, om basaltrotsen, welker versteening van voor millioenen jaren dagteekent, om droge ravijnen, die in het voorjaar in woeste bergstroomen herschapen worden, te mijden. Dat waren allen terreinhindernissen, die aangetroffen werden in een boschrijke streek, waarin de olijfboomen, de oranjeboomen en de esschen ruimschoots vertegenwoordigd waren, wier takken als met festoenen getooid werden, met slingerlooten van krachtige wingerds en andere klimplanten, die er zich om heen slingerden.
Dat was de eerste der drie gordels, die de verschillende hoogten van den vulkaan omvatten, van dien smidsoven, zooals de vertaling van het Phénisische woord Etna luidt, van dien „aardspijker en steunpilaar des hemels”, volgens de aardkundigen van een ander tijdvak, toen de wetenschap der aardkunde nog niet bestond.
Na gedurende twee uren gestegen te zijn, konden dokter Antekirrt en zijn jeugdige metgezel Piet Bathory gedurende eene halte van weinige minuten, die meer voor de rijdieren dan voor de ruiters noodzakelijk was, de geheele stad Catania, die trotsche mededingster van Palermo, welke niet minder dan vijf en tachtig duizend inwoners telt, aan hunne voeten ontwaren. Eerst bespeurden zij de lijnen van hare voornaamste straten, die evenwijdig aan de kade liepen; dan de klokketorens en de overwelfde koepelverhevenheden harer honderd bedehuizen; verder de talrijke en schilderachtige kloosters, en eindelijk de huizen, die meerendeels in den trotschen bouwstijl der zeventiende eeuw opgetrokken waren. En dat alles was omgeven, ja omlijst door een band van groene boomen, zoo bevallig, dat weinig steden in Europa er op bogen kunnen zulk een gordel om het middel geslagen te hebben.
Vervolgens, verder vooruit, ontwaarden zij de havenkom, welker natuurlijke dijken door den Etna zelven opgetrokken waren, nadat hij hem eerst gedeeltelijk gevuld had bij de schrikkelijke uitbarsting van 1669, die veertien steden en dorpen verwoestte en achttien duizend menschen deed omkomen, door over den omtrek meer dan een millioen kubieke meters lava, zand en vulkanische asch uit te storten en daardoor alles op de schrikkelijkste wijze te verwoesten.
Overigens, als de Etna minder woelig in onze negentiende eeuw is, dan heeft hij waarachtig wel eenige aanspraak om tot rust te mogen komen. Men telt inderdaad meer dan dertig uitbarstingen sedert de invoering van het Christendom. Dat Sicilië bij die machtige natuurverschijnselen niet vernietigd is, moet als bewijs gelden dat hare grondvesten stevig zijn. Daarenboven dient opgemerkt te worden, dat de vulkaan zich geen permanenten krater gevormd heeft. Grillig als een jonge dame, verandert hij dienaangaande. De berg barst open, daar waar hij voor het oogenblik den minsten wederstand ondervindt en waar zich dus bij hem een dier vuurspuwende gezwellen vormt, waardoor dan al de lavabestanddeelen, die in zijne ingewanden koken en borrelen, een uitweg vinden. Vandaar het ontstaan van die groote hoeveelheid kleine vulkanen, de Monte Rossi genaamd, dubbelbergen, gevormd in drie maanden tijds door de uitgeworpen asch, zand, steenen en sintels, in 1669 op eene hoogte van honderd zeven en dertig meter, en wier krater aan bijtorentjes gelijk, die rondom den hoofdtoren van eene kathedraal gerangschikt staan, en Frumento, Sinoni, Stornello Crisinio genoemd worden, ongerekend die kraters die in 1809, 1811, 1819, 1838, 1852, 1865 en 1878 gevormd en welker trechtervormige bekken de flanken van den hoofdkegel uithollen als de cellen van een honigraat.
Toen de toeristen het gehucht Belvedère doorgetrokken waren, sloeg de gids een pad in, om den weg van Travestiéri, dicht bij dien van Nicolosi te bereiken. Men was nog steeds in den eersten gordel van het bergstelsel, die bebouwd kan gerekend worden. Deze strekt zich tot het stedeke uit, dat wil zeggen tot eene hoogte van twee duizend honderd en twintig voeten, of ruim zeshonderd drie en zestig meters.
Het was ongeveer vier uren in den namiddag, toen Nicolosi in het gezicht kwam, zonder dat de toeristen op den afstand van vijftien mijlen, welke zij, sedert zij Catania verlieten, afgelegd hadden, eenige kwade ontmoetingen, hetzij in den vorm van wilde zwijnen, hetzij in den vorm van wolven, hetzij in den vorm van bandieten of struikroovers ondervonden hadden.
Maar zij hadden nog twintig kilometers te doorloopen, alvorens zij de Casa Inglese zouden bereiken.
„Hoelang willen Uwe Excellentiën hier toeven?” vroeg de gids aan de reizigers.
„Zoo kort mogelijk,” was het antwoord van dokter Antekirrt, kort afgemeten.
„Maar hoe lang zal het duren?” was de wedervraag. „De heeren moeten mij verontschuldigen. Ik dien dat te weten.”
„Ik wenschte dezen avond tegen negen uur op onze bestemming aangekomen te zijn.”
„Dan blijft ons zeer weinig tijd over, heeren! Dan moeten wij voortmaken, en geen oogenblik verloren laten gaan.”
„Gij moet beslissen. Wij zullen niet langer toeven, dan gij ons zult toestaan.”
„Maar hoe lang verlangt Uwe Excellentie hier te blijven?” vroeg de gids.
„Is veertig minuten te lang?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij den Siciliaan aankeek.
Deze dacht een oogenblik na. Hij scheen zich in een moeielijke berekening te verdiepen.
„Veertig minuten? Dat kan,” zei hij eindelijk. „Maar, heeren, gelooft me, geen oogenblik langer.”
Het was weinig, maar toch genoeg om een sober maal te gebruiken in een der beide herbergen van het stedeke. Toch moesten de reizigers erkennen, dat de spijzen zoo lekker toebereid waren, dat daardoor de hofmeesters-faam van den Siciliaansche gaarkeukens niet weinig verhoogd werd. Dat kan gerust ter eere gezegd worden van de drieduizend inwoners van Nicolosi, waaronder de bedelaars, die er in menigte krioelen, gerekend moeten worden. Een reebout en vruchten als; druiven, oranje- en granaatappelen; en wijn van San Placido, een uiterst goed merk, dat in de omstreken van Catania gewonnen wordt. Waarlijk er zijn vele steden in Italië, die voor veel aanzienlijker dan Nicolosi doorgaan, en zich gekrenkt zouden gevoelen, daarmede vergeleken te worden, maar waar menige kastelein verlegen zoude staan, om zijne reizigers en overige gasten zoo goed te onthalen, als dat hier geschiedde op de hellingen van den Etna.
Voor dat vijf uren geslagen waren, beklauterden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de Cataniaansche gids, alle drie op muildieren gezeten, de tweede verdieping van het bergstelsel en bereikten den woudgordel. Die zone wordt zoo niet genoemd, omdat er werkelijk wouden zouden bestaan, of omdat er meer boomen dan elders aangetroffen zouden worden. O, neen, want de houthakkers hebben zich sedert eeuwen bevlijtigd en bevlijtigen zich hier even als elders, nog steeds, om de eeuwenoude en prachtige bosschen te vernielen, die weldra niet anders meer dan in de mythologische herinneringen zullen bestaan. Evenwel werden hier en daar bij wijze van boschjes of groepen, langs de lavabeddingen, of op de hellingen der ravijnen en afgronden, beuken, eiken en een soort vijgeboomen, met bijna zwart loof aangetroffen; terwijl in hooger gelegen streeken, dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. Dat die waren blijven staan, was alleen daaraan te danken, dat zij in schier ontoegankelijke terreinen opgeschoten waren, waardoor het vervoer van het hout te moeilijk werd.
De vulkanische asch, vermengd met eenige teelaarde, stelde een vruchtbaren bodem daar en strekte tot voedsel van machtige varenstoelen, van esschenkruid, van maluwstruiken, en werd overigens overdekt met een weelderig mostapijt.
Tegen acht uren hadden dokter Antekirrt en Piet Bathory reeds eene hoogte van drie duizend voeten bereikt, waar ongeveer de grens op deze breedte van de eeuwigdurende sneeuw aangetroffen wordt. Die sneeuw is op de hellingen van de Etna in zulk eene ontzettende hoeveelheid voorradig, dat geheel Italië en Sicilië daarvan voorzien zouden kunnen worden. Dat was de gordel der zwarte lavabeddingen, der vulkanische asch, der slakken, der sintels, die zich langs eene breede spleet uitstrekt, die een elliptischen vorm aanneemt en de Valle de Bore geheeten wordt.
De steile rotswanden van die spleet, welke van duizend tot drie duizend voeten hoog waren, moesten omgetrokken worden, terwijl men in de breuken en hellingen van die steengevaarten, gangen van graniet- en bazaltgesteente bespeuren kon, die door het vulkanisch vuur niet aangetast schenen.
Vlak voor onze toeristen verhief zich de eigenlijke kegel van den vulkaan, op welker hellingen zich eenige phanegoramische planten, hier en daar enkele plekken van groen vormden. Die centrale verheffing vormde op zich zelven een geheelen berg—Pelion op Gasa—en vertoonde op een hoogte van drie duizend drie honderd zestien meters boven de oppervlakte der zee een afgeronden top.
De bodem trilde reeds merkbaar onder de voeten onzer reizigers. Onder de sneeuwlagen deden zich dreuningen gevoelen, die opgewekt werden door den plutonischen arbeid, welke dat geheele Etnasche bergstelsel voortdurend teistert. Eenige zwaveldampen, die door den wind van de rookpluim des kraters afgesleurd werden, sloegen tot bij den voet van den kegel neer, hetgeen het ademhalen soms bemoeielijkte; terwijl slakken, in vorm niet ongelijk aan gloeiende cokes, op het witte sneeuwveld neervielen, daarin sissend uitbluschten, een klein wit stoomwolkje vormend, maar daarbij een zwart spoor achterlieten.
De luchtgesteldheid was toen zeer koud en daalde voorzeker eenige graden beneden het vriespunt, waardoor de ademhaling, ten gevolge van de meerdere ijlheid der lucht, zeer bemoeielijkt werd.
Onze bergbeklimmers waren reeds genoodzaakt geweest zich dicht in hunne reismantels te wikkelen. Een scherpe bries streek over de berghelling, zweepte fijne sneeuwkristalletjes van den bodem op en deed ze met haren ijzigen adem in de ruimte dwarrelen en overal doordringen.
Van deze hoogte kon men even beneden den grooten vuurmond, waaruit hooge vlammen opstegen, ja als uitgestooten werden, andere mindere kraters ontwaren, die niets anders waren dan smalle solfatara’s, eigenlijke brandende zwavelbronnen of diepe sombere putten, op welker bodem het vulkanische vuur, rood als bloed glinsterde, en waaruit een vuilgele rook, voorzeker niets anders dan zwavelig gas, uitgestooten werd.
Steeds werd een dof onafgebroken gerommel vernomen, alsof een onderaardsche orkaan met afnemende en aanwakkerende krachten loeide, zooals een onmetelijke stoomketel zoude razen, wanneer zijn oververhitte damp de zekerheidskleppen deed wijken. Dat gerommel strekte volstrekt niet tot geruststelling.
Toch was geene uitbarsting te voorzien en die inwendige woede vertolkte zich slechts door het geluid van den hoofdkrater en van de vulkanische gaten, die den hoofdkegel allerwege doorboorden.
Dokter Antekirrt keek op zijn horloge. Het was toen negen uren des avonds.
De hemel tintelde van het schitterende licht van duizenden sterren, die met te meer pracht fonkelden, naarmate de dichtheid van den dampkring op die hoogte minder was. De maansikkel was op het punt om in het westen in de Eolische zee onder te gaan. Een zoodanige nacht, doorgebracht op een berg, die geen vulkaan was, zou een onvergelijkelijk verheven schouwspel opgeleverd hebben. Maar, behalve het angstverwekkende gesteun en geloei, door den vuurspuwenden berg veroorzaakt, hadden onze toeristen wel andere zaken in het brein, die hen ongetwijfeld ongevoelig voor die prachtige natuurtafereelen maakten.
„Wij moeten dicht bij het doel onzer reis zijn,” zei dokter Antekirrt eindelijk.
„Dat dunkt mij ook,” antwoordde Piet, na ook zijn horloge geraadpleegd te hebben.
„Wel, gids?” vroeg de dokter, zich tot hunnen begeleider wendende, „wat dunkt u er van?”
„Wat is er Excellentie?” vroeg de Siciliaan, als uit een droom ontwakende.
Hij had de woordenwisseling van de beide reizigers niet gehoord. Wie weet, waarmede zijne gedachten zich bezig hielden.
„Is het nog ver?”
„Daar ginds is de Casa Inglese, heeren,” sprak hij, rondom zich ziende, om zich te oriënteeren.
Hij wees op een muurvlak, hetwelk op een afstand ontwaard werd en waarin twee vensters en eene deur te bespeuren waren, die door de eigenaardige ligging ten opzichte der hemelstreken voor eene ophooping van sneeuw beveiligd waren gebleven. Dat gebouw lag op een vijftig passen afstand ter linkerzijde en op vier honderd acht en twintig meters beneden den top van den hoofdkegel. Het werd in 1811 door Engelsche officieren op een bergplat met lavabodem, Piano del Lago genaamd, gebouwd.
Kort na het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, werden de werkzaamheden ondernomen, om de Casa Inglese door de zorgen van het Italiaansche gouvernement en van den gemeenteraad van Catania, in een observatorium te herscheppen, hetgeen ter wille van de wetenschap reeds sedert lang had moeten geschied zijn.
Dit huis, hetwelk ook de Casa Etnea genoemd werd, is langen tijd door den heer Gamelloso, broeder van den beroemden aardkundige van dien naam, onderhouden, maar was nu juist door de zorgen van de Alpen Club gerestaureerd geworden. Niet ver er van daan werden in de duisternis eenige bouwvallen bespeurd van Romeinschen oorsprong, waaraan men den naam van den „Toren der Wijsgeeren” gegeven heeft. Van dat punt, zoo verzekert de legende, zou Empedocles zich in den brandenden krater gestort hebben, hetgeen eene zonderlinge wijze is, om van zijne voorliefde voor de wijsbegeerte, dat moet men erkennen, te getuigen; tenzij men er toe overhelt de oorzaak van die daad te willen zoeken in de acht dagen eenzaamheid, die de Grieksche wijsgeer in die schrikkelijke streken doorbracht, in welk geval zij begrijpelijk wordt, maar haar dan als de daad eens krankzinnigen moet doen aanmerken.
Middelerwijl hadden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de gids zich naar de Casa Inglese begeven. Daar aangekomen, klopten zij aan de deur, die onmiddellijk opengedaan werd.
In het daaropvolgend oogenblik bevonden zij zich te midden hunner manschappen.
Die Casa Inglese bestond alleen uit drie vertrekken, welke slechts een spaarzaam ameublement, namelijk: eene tafel, ettelijke stoelen en eenig keukengereedschap, bevatten. Maar dat was voldoende, om den bergbeklimmers van den Etna, na eene hoogte van twee duizend acht honderd en vijf en tachtig meters, of ruim negen duizend twee honderd voeten bereikt te hebben, eenige rust te laten genieten.
Tot dat oogenblik had Luigi Ferrato, uit vrees dat de tegenwoordigheid van zijn klein detachement verraden, of zelfs maar gegist zou kunnen worden, geen vuur laten aanleggen, hoewel de koude zich geducht deed gevoelen. Maar thans was het niet meer noodig dien voorzorgsmaatregel te betrachten, daar Zirone wist dat dokter Antekirrt en Piet Bathory den nacht in de Casa Inglese zouden doorbrengen. Men stookte den haard dan ook met hout, dat in voorraad in de nabijheid van het gebouw gevonden werd, flink op. Weldra knetterden de vlammen, welke de ontbrekende warmte en lucht spoedig herstelden.
Intusschen riep dokter Antekirrt Luigi Ferrato ter zijde en vroeg hem:
„Heeft zich niets meldenswaardigs sedert uwe aankomst alhier voorgedaan?”
„Neen,” antwoordde Luigi, „maar....”
„Ga voort. Maar wat?”
„Ik geloof niet, dat onze tegenwoordigheid zoo geheim is gebleven, als wel gewenscht is.”
„Niet geheim? Dat zou zeer jammer zijn,” antwoordde dokter Antekirrt niet zonder bezorgdheid.
„Neen, zij is niet geheim gebleven,” herhaalde Luigi Ferrato.
„Waaruit maakt gij dat op?.... Spreek!.... Misschien vergist gij u wel.”
„Ik maak het daaruit op, dat wij sedert ons vertrek van Catania, als ik mij niet bedrieg, door een man gevolgd zijn geworden, die verdwenen is, een poos voordat wij den voet van den vulkaankegel bereikt hebben.”
„Dat is inderdaad betreurenswaardig, Luigi,” antwoordde dokter Antekirrt nog meer ernstig.
„Dat meen ik ook, heer dokter.... Maar, zeg mij, wat was er aan te doen? Volgens mij niets.”
„Daarin hebt gij gelijk; maar dat zou Zirone den lust benemen kunnen, om mij te komen overvallen, vindt gij niet?”
„Voorzeker. Dat is de gedachte, die ook bij mij opgekomen is. De kerel is er laf genoeg toe.”
„En hebt gij sedert de avond gevallen is, niemand in den omtrek der Casa Inglese zien ronddoolen?”
„Niemand, heer dokter.”
„Hebt gij u daarvan overtuigd, bijvoorbeeld door de omstreken voorzichtig te doorzoeken?”
„Ja, heer dokter. Ik heb de voorzorg zelfs genomen, om in persoon de bouwvallen van den „Toren der Wijsgeeren” te verkennen en te onderzoeken.”
„En?”
„Zij waren ledig. Ik heb er niemand aangetroffen. De geheele omtrek is eenzaam en verlaten.”
„Wij zullen moeten afwachten, Luigi. Er valt niets anders te doen. Dunkt u ook niet?”
„Ja, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman. „Wij kunnen niets anders doen, dan bedaard wachten.”
„Maar laat een man op uitkijk voor de deur staan. Een schrandere kerel, hoor.”
„Goed, heer dokter. Ik zal een mijner beste manschappen op post uitzetten.”
„De nacht is helder, niet waar? En het uitzicht onbelemmerd?” vroeg dokter Antekirrt.
„Ja, men kan op eenigen afstand zien. De maan is reeds boven den gezichteinder.”
„Het is zaak, Luigi, dat wij niet overvallen worden. Dat zou de grootste rampen na zich sleepen.”
„Zeer juist gezien, heer dokter. Een overval zou ons allen het leven kosten, inderdaad.”
De jeugdige zeeman ging naar buiten, om de bevelen des dokters ten uitvoer te leggen. Daarna ging hij op een houten bankje voor den haard zitten; terwijl zijne manschappen zich rondom hem op ettelijke bosschen stroo uitstrekten. Waarlijk, het was alsof eene bende bandieten thans de Casa Inglese in bezit genomen hadden.
Kaap Matifou was intusschen den dokter genaderd en keek hem aan zonder te durven spreken. Maar het was niet moeielijk te begrijpen, wat hem verontrustte.
„Gij wilt weten, wat er van Pescadospunt geworden is?” vroeg dokter Antekirrt.
De reus knikte bevestigend. Woordenrijk was hij nimmer geweest. Maar in dat oogenblik vooral niet.
„Geduld!.... Kaap Matifou. Geduld!....” maande dokter Antekirrt. „Geduld, mijn vriend!”
De Hercules grinnikte; maar op zijn gelaat was te lezen, dat hij wel wat meer gehoopt had.
„Hij zal wel spoedig terugkomen.... hoewel hij op dit oogenblik een partij speelt, die hem kan doen hangen....”
„Aan onzen hals?” vulde Piet aan, die het groote kind niet verontrusten wilde over het lot van zijn makker.
„Zoooo!” sprak Kaap Matifou met een zucht en een glimlach. Hij scheen het niet begrepen te hebben.
Inmiddels verstreek een uur, zonder dat iets de eenzaamheid stoorde, die rondom den centralen bergkegel van den Etna heerschte. Geen enkele schaduw had zich op de sneeuw der helling, die de Plano del Lago omgaf, vertoond. Dat verwekte eene soort van ongeduld en zelfs van onrust, die de dokter en Piet niet bedwingen konden.
Wanneer Zirone bij toeval gewaarschuwd was, omtrent de aanwezigheid van het kleine detachement, dan zou hij het nooit wagen durven, om de Casa Inglese aan te vallen. Dan ware alle moeite te vergeefs geweest en kon de geheele onderneming als mislukt beschouwd worden. En toch moest men dien Sarcany zien in handen te krijgen, of bij gebreke van hem zijnen medeplichtige, dien Zirone, om hem zijne geheimen te ontweldigen!
Weinige minuten voor tien uren, werd de knal van een geweerschot, dat—zooals men meende—op een halve mijl beneden de Casa Inglese gelost was, vernomen.
Allen sprongen op, vlogen naar buiten, keken scherp uit, maar ontwaarden niets, wat hen verdacht voorkwam.
„Het was toch een geweerschot?” vroeg Piet Bathory. „Ik heb toch goed gehoord?”
„Ja, zeker,” antwoordden verscheidene stemmen. „Ongetwijfeld, het was een geweerschot.”
„Wellicht een jager, die hier of daar in het gebergte verdekt op den loer ligt, om een arend of een wild zwijn te schieten,” zei Luigi Ferrato. „Dat zal het zijn.”
„Laten wij weer naar binnen gaan,” zei Piet Bathory, blijkbaar zeer teleurgesteld.
„Ja, laten wij weer naar binnen gaan,” beaamde de dokter. „Wij moeten vooral vermijden, dat wij gezien worden.”
Allen traden binnen. De deur werd zorgvuldig gesloten. Het was toch zeer koud.
Maar tien minuten later volgde hen de zeeman, die buiten uitkeek, met versnelden pas.
„Gauw, gauw!” riep hij. „Ik heb....”
„Wat?” vroeg Luigi.
„Ik heb iemand....”
„Verscheidene mannen?....” vroeg Piet Bathory. „Kom spreek!”
„Neen, neen, niet verscheidene.... Slechts een enkele.”
De dokter, Piet, Luigi en Kaap Matifou vlogen naar de deur; maar zorgden daarbij in de schaduw te blijven.
En, inderdaad, een man beklom vlug als een gems, de lavabedding, die de helling van het bergvlak uitmaakte waarop de Casa Inglese stond. Hij was geheel alleen en na weinige sprongen lag hij in de armen, die zich voor hem openden, in die van Kaap Matifou.
„Ik heb hem!” riep deze. „Ja, ik heb mijn Pescadospunt!.... Ik heb mijn dierbaren vriend!”
Ja, het was Pescadospunt.
„Gauw, gauw, achter de muren gedekt, heer dokter!” riep hij, terwijl hij de anderen met zich naar binnentrok.
In een ondeelbaar oogenblik waren allen de Casa Inglese weer binnengestormd, waarvan de deur dadelijk zorgvuldig gesloten en de grootste stilte in acht genomen werd.
„Wat is er?” vroeg Piet fluisterend, terwijl hij hem bij een arm greep.
„En Zirone?” vroeg de dokter, die den anderen arm vatte. „Wat is van hem geworden?”
„Hij komt! heer dokter.... shut!.... Hij komt!....”
„Hebt gij hem kunnen verlaten? Drommels, dat was een gevaarlijk stuk.”
„Ja!.... om u te waarschuwen!.... Weinige oogenblikken geleden was ik nog bij hem.”