Mathias Sandorf [1]

Part 18

Chapter 182,355 wordsPublic domain

„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen heb.”

Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, terwijl Borik bij het venster staan bleef.

De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.

„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is....”

„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van den 30en Juni 1867.”

„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop gesteld hebt?”

„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!”

„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met ietwat bevende stem.

„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam dragen!”

„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort heeft?”

„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”

„Maar wie zijt gij dan?”

„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde dokter Antekirrt koel.

Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar de dokter haastte zich te vervolgen:

„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet langer blijven bestaan.”

„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.

„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven. Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart.

„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige weken later waren zij ter dood veroordeeld.

„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld.

„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid gesteld werd om zijne makkers te volgen.

„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den visscher Andreas Ferrato.

„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit persoonlijke wraakzucht de arme ellendigen bij de politie van Rovigno aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische zee heeft zijn lijk niet weergegeven.

„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein gezonden.”

Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de rede te vallen, aangehoord.

„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.

„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook vernomen hebt.”

„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.”

„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.

„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.”

„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.

„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”

„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van aandoening beefde.

„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen bekend gemaakt hebben, wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden kunnen weerzien.”

Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan.

„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg mevrouw Bathory.

„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding.

„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”

Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, duidelijk merkbaar.

Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had.

„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, „hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben, wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te willen ontmoeten.”

„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter Antekirrt niet veel dank schuldig?”

„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf Sandorf en aan zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn, u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen stellen?

„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”

De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:

„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u brengen wilde. Maar er was eene tweede....”

„En die is, mevrouw?”

„Ik wilde.... u die som teruggeven....”

„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”

„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor dokter Antekirrt haar bestemd had.”

„Dus.... dat geld....?”

„Is onaangeroerd.”

„En uw zoon?”

„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven....”

„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de waardige vrouw stond.

Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den dokter overreikte.

„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!”

„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.

„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”

„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken....”

„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft kunnen vertrouwen!”

„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat hij zal aannemen!

„Jawel, hij zal weigeren!”

„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw....”

„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!”

„Het zij zoo, mevrouw!.... Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.... Ja, ik begrijp en bewonder ze!.... Maar ik herhaal het, als dat geld uw eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!”

Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield.

„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?”

„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”

„Maar kent niemand die onmenschen?”

„Ja, mevrouw!”

„Wie dan?”

„God!”

Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de weduwe en verliet hare woning.

Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren?

Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt had.

Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand gewezen had?

EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.

INHOUD.

EENE VERIJDELDE SAMENZWERING.

BLADZ. I. De reisduif 1 II. Graaf Mathias Sandorf 22 III. Het bankiershuis Toronthal 36 IV. Het geheimschrift 55 V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73 VI. De vestingtoren van Pisino 91 VII. De bergstroom van Foïba 104 VIII. De hut van den visscher Ferrato 127 IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148

DOKTER ANTEKIRRT.

I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159 II. Het te water laten van de Trabucolo 171 III. Dokter Antekirrt 187 IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204